Zigeunertragiek

Binnen de jeugdliteratuur zijn er zo langzamerhand weinig kanten van de Tweede Wereldoorlog onbelicht gebleven. Jan Terlouws Oorlogswinter (1972) is spannend en informatief, bij Ida Vos gaat het al bijna twintig jaar over de joodse onderduikers en zowel Evert Hartman (Oorlog zonder vrienden) als Trude de Jong (Een verboden kind) schetsten de positie van kinderen van foute ouders. Christine Nöstlinger en Klaus Kordon beschreven de situatie in respectievelijk Wenen en Berlijn en De hemel valt van Kit Pearson gaat over Engelse kinderen die geëvacueerd werden naar Canada. Literair gezien kennen we hoogtepunten als De kinderen van het Achtste Woud (1977) van Els Pelgrom of Het eiland in de Vogelstraat (1981) van Uri Orlev. En dit is uit al het materiaal nog maar een kleine greep.

Bij mijn weten is André Boesberg met Koka en de doodsviool van Bidshika de eerste die over het lot van de zigeuners schrijft. Koka en zijn zusje horen bij de ‘kumpania’ van hoofdman Petrescu. Het is 1943. Ze trekken door Roemenië en voelen zich opgejaagd door de Duitsers, in een wereld waar ze toch al gewend zijn op hun hoede te zijn voor de 'gaje’, die de Rom altijd aanzien voor dieven en overmatige brandewijndrinkers. Wanneer hun ouders worden opgepakt gaan de kinderen op zoek naar een tante in Warschau. Ze komen terecht in Buchenwald. Beiden weten te overleven en na een tocht met een Amerikaanse officier langs verschillende kampen vinden ze hun ouders terug. Het vurig begeerde zwerversleven met paard en wagen, geroosterde egels en verhalen bij het vuur kan weer worden opgenomen, zij het met een andere groep, want de meeste van de oude makkers zijn omgekomen. In zijn sobere, harde verhaal doet Boesberg als alwetende verteller verslag van de gebeurtenissen. Koka’s houvast is zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor het kleine, steeds meer in zichzelf kerende zusje. Het bewaren van een beetje levensmoed is bijna onmogelijk. De experimenterende kampdokter legt uit dat hij zigeuners, net als joden ziet als ratten of straathonden: 'Je lijkt op een mens, maar je bent het niet.’ Na een jaar kamp weet Koka: 'Als je doodging, werd je verbrand. Dat was de enige manier waarop je kon ontsnappen.’ Maar zelfs dan blijft de vrije zigeuneroptiek: 'Alleen de wind waait gewoon door en de wolken halen elkaar in. Dat kan niemand veranderen.’ Koka’s blik is niet alleen kinderlijk argeloos, maar ook werkelijk onwetend omdat hij in de wereld van de gaje - die wonen in wagens zonder wielen en die hun snot in een doek bewaren - een buitenstaander is. Hij kan niet lezen of klokkijken en hij kent zijn eigen achternaam niet. Moeder rookt een pijpje en voorspelt haar klanten de toekomst die ze willen horen: de aarde is van iedereen en de hemel is overal gelijk. Dit maakt de contacten met de gaje-wereld extra confronterend. Die stinkt, en dat schijnt alles te maken te hebben met de foto’s aan de muur 'van een gajo met een snorretje en plakhaar’. Daar vechten de mensen met elkaar om wat grond, terwijl de Rom geen geweren hebben. 'Wij dansen liever en maken muziek’, zegt Koka’s vader, want 'geweren lossen niets op.’