Kunst voor kinderen

«Zij heeft van die grote tieten»

Educatieve programma’s moeten kinderen met kunst vertrouwd maken. Elk museum gebruikt daarbij zijn eigen technieken. Maar overal valt wel iets te giechelen.

Een van de eerste musea die in de jaren zeventig een creatieve werkplaats voor kinderen openden, was het Van Gogh Museum in Amsterdam. Kinderen die daar een houtskoolschets maakten, voelden zich heel gewichtig. De tekening was immers in het huis van de grote meester gemaakt. De toon was gezet: kunst en creativiteit moesten voor iedereen bereikbaar zijn. Kunst zou de mensheid emanciperen, verheffen zelfs. Iedereen een kunstenaar. De musea hadden hier een taak en gooiden hun poorten open. Educatieve programma’s werden opgezet. Er kwamen rondleidingen die werden gehouden door lieve mensen, liefst met behulp van zoetgeurende stencils en fotokopieën op speciaal papier.
Nu, dertig jaar later kunnen we de effecten van deze kunstdemocratisering bekijken. Is de hoeveelheid verbruikte verf per hoofd van de bevolking daadwerkelijk toegenomen? Gaan er meer mensen naar de musea? Zijn we geëmancipeerder? Aan de kant van het kunstconsumeren is in elk geval iets vreemds aan de gang. Tegen de verwachting in, tegen alle democratiseringsenergie in, neemt de gemiddelde leeftijd van de bezoeker aan culturele instellingen alleen maar toe. De kunstconsument vergrijst.
Volgens Wim Kneulst, voormalig bijzonder hoogleraar cultuureducatie en cultuur participatie in Utrecht, heeft de omslag bij de mammoetschool-generatie plaatsgevonden. De democratisering van de jaren zestig en zeventig heeft geleid tot een cultuurrelativisme waarin de culturele canon niet meer vanzelfsprekend wordt gerespecteerd. De nieuwe generatie heeft popconcerten, discotheken, kledingmerken en computerbeelden om aan zijn culturele trekken te komen. De democratisering heeft daarmee juist tot een verminderd bezoek aan de officiële kunst instellingen geleid.
De gevolgen van de museumlessen in Amsterdam zijn in 1993 onderzocht door Letty Ranshuysen en Harry Ganzeboom. Uit dat onderzoek blijkt dat de welwillende museumlessen en educatieprogramma’s effect hebben. Voormalige deelnemers aan deze lessen gaan met een grotere regelmaat naar het museum. Oda den Boer was opgelucht over de uitkomst van het onderzoek. Zij coördineert de museumlessen in Amsterdam. Kinderen van elf en twaalf jaar oud krijgen de lessen aangeboden en de scholen beslissen zelf of ze eraan willen meedoen. De docenten zijn voor het merendeel beeldend kunstenaar.
Den Boer: «Kunstenaars hebben een passie voor het vak en kunnen er vanuit het perspectief van de maker over vertellen. Een kunstwerk is een ding dat door iemand gemaakt is die iets wil vertellen. We laten de kinderen het museum zien zoals het is. Mét rustige zalen, mét bedaagde bezoekers, mét toeristen, dat hoort er allemaal bij. We bezoeken geen speciale kindertentoonstellingen en we werken ook niet met thema’s vanuit de school of het lesprogramma. Het museum is een plek om jezelf vragen te stellen. Het Stedelijk mag de laatste jaren een tegenvallend tentoonstellingsbeleid voeren, voor ons biedt de bestaande collectie meer dan genoeg aanknopingspunten. We zijn weleens op proef met een van de lessen naar het Amsterdams Historisch geweest of naar het Tropenmuseum. Dat zijn educatief opgestelde musea, en dat gaf ons juist een probleem: wij hebben de kinderen net gewend om overal met hun vingers af te blijven, en dan moeten ze dáár juist weer op allerlei knoppen drukken. De interactiviteit zit bij ons in het hoofd van de kinderen zelf.»
Folkert Haanstra, hoogleraar cultuur educatie en cultuurparticipatie in Utrecht, ziet twee richtingen in de benadering van kunsteducatie: het centraal stellen van de collectie, het kunstobject, of het centraal stellen van een thema. In Amsterdam werkt men duidelijk volgens het eerste principe, en misschien is dat juist daar ook makkelijker; de legitimering van een museum voor hedendaagse kunst hoeft in Amsterdam niet meer bevochten te worden.
Als Amsterdam de stad is van de contemplatie, is Rotterdam die van de actie. Deze maanden wordt keihard gewerkt aan de eerste kinderkunsthal. Initiatiefneemster Jet Manrho geeft uitleg: «Dit wordt Villa Zebra. Het gebouw is even flexibel als de vele activiteiten die er plaats gaan vinden. Dit is geen educatief programma voor kinderen, het is een gebouw voor kinderen. Het is toegankelijk in schoolverband, maar ook kinderen die zelfstandig of met hun ouders komen zijn welkom.»
Manrho wijst om zich heen: «Hier komt een restaurant, daar het medialab en hier het Hazenpad. Dat is een tentoonstelling in de vorm van een hellingbaan, zodat ook kinderen in een rolstoel naar boven kunnen. Daar komt de Verfwerf, een KinderAtelier, hier de kookstrook waar kinderen een creatieve taart kunnen bakken, en daar het theater en nog twee tentoonstellingsruimtes. Er is ook een openluchttheater op het dak. We gaan een thematentoonstelling maken over motieven. Er zullen flink wat rollen stof liggen, maar ook foto’s van spannende tatoeages. De kinderen kunnen hun eigen inpakpapier inleveren. Als ze een maand later terugkomen, is alles misschien weer anders. De tentoonstelling is op die manier werkelijk interactief. Het gaat er niet om wat je van een kunstwerk of kunstenaar weet. Het gaat om de ervaring. Aan boekenwijsheid over kunst heb je niets. Natuurlijk wil ik de kinderen ook wel leren wat het verschil is tussen olieverf en acrylverf, maar dat moeten ze dan ook zelf kunnen uitproberen in het atelier.»
In Museum Jan Cunen in Oss nodigde directeur Edwin Jacobs een paar jaar geleden de kunstenaar David Bade uit om in vier hectische dagen met de pubers van het Trias-college een verdieping van het museum tot één groot kunstwerk om te vormen. Klei spatte tegen de muren, en een grote hoeveelheid piepschuim, leem, vetkrijt, takken, houtskool en verf vormde het materiaal voor een installatie, die vervolgens een paar weken als serieuze grotemensenkunst bleef staan.
«Educatie?» Edwin Jacobs wil het woord eigenlijk niet gebruiken. «Ik vind dat het museum een grote verantwoordelijkheid heeft ten opzichte van het publiek. Educatie zou zo vanzelfsprekend moeten zijn voor het museum dat het woord niet eens meer hoeft te vallen. ‹Respect›, schrijf dát maar op. Het gaat mij steeds om respect voor de kunstenaar. Ik stel mij in die zin nederig op. Dat is het verschil tussen hoe ik werk en zoiets als Villa Zebra, dat is toch een veredeld creativiteitscentrum. Een pretpark. En wat heeft dat voor zin? Villa Zebra kan tóch niet tegen de Efteling op!»
Acht keer per week nemen Peter van Aar, toneelspeler en rondleider in Museum Jan Cunen, en zijn assistent groepen jonge basisschoolleerlingen mee naar de tentoonstelling Duizend en een nacht. Zeven kunstenaars zijn hier uitgenodigd een kamer in te richten, uitgaande van de collectie van het museum en een sprookje uit het verhalenepos. De tentoonstelling verandert tijdens de performance van Peter van Aar in het paleis van de sultan en zijn sultana. De sultan zelf, in een prachtig glitterkostuum, komt de kinderen de kamers van zijn paleis laten zien. De kunstwerken worden decorstukken en krijgen een betekenis in het verhaal. De kinderen mogen zelf aanwijzen wat ze mooi vinden en worden uitgedaagd over de kunstwerken te fantaseren. Om een groot keramisch beeld van Bastiënne Kramer wordt door de groep gegiecheld. «Wat valt er nou te lachen?» vraagt de sultan. «Zij heeft van die grote tieten!» De sultan legt uit dat je in het paleis alleen nette woorden gebruikt. «En wat is het nette woord daarvoor?» «Borsten», roept de hele klas ongegeneerd. Het beeld blijkt voor de sultan een herinnering aan het heerlijke bubbelbad dat hij zojuist op zolder heeft laten installeren. Tevreden lopen de kinderen mee naar de volgende kamer. Trots helpen ze de sleutel van de schatkist, een bandje met tovermuziek en een verrekijker dragen.
«Ik vind», zegt Van Aar, «dat educatie opgenomen moet worden in het museum concept. Ook John Duivesteyn van het Volksbuurtmuseum en Frans Ellenbroek van het Natuurmuseum Brabant zijn bij dit proces betrokken. De kinderafdeling zal geen eigen plek krijgen in het museum, zoals in Utrecht gebeurt, alsof educatie een apart onderdeel is van het museum en dus ook van het leven.
Ik had hier een keer een meisje dat de opleiding VMBO gezinszorg deed. Ze had helemaal geen zin in het museum en sprak mij daarop aan: ‹Wat heb ik hier nu aan, in mijn werk?› Ik zei: ‹Natuurlijk kun je ook een goede gezinsverzorgster worden zonder kunst. Maar ik denk wel dat je straks, dankzij die kunst, als je moeilijke problemen tegenkomt, meer mogelijkheden ziet om die op te lossen. Goede kunst laat zien dat er veel verschillende en onverwachte manieren zijn om de dingen op te lossen.› Dat meisje voelde zich door mij serieus genomen. Ik ben dat gesprek nooit vergeten en zij ook niet. Ik wil iemand niet zozeer kennis laten nemen van kunst, als wel van creativiteit. Ik denk dat de wereld daar beter van wordt, ja.»
De kinderafdeling van het Centraal museum in Utrecht, Kids Centraal geheten, beslaat de bovenste twee verdiepingen van het gebouw. Coördinator educatie Eveline Reeskamp zegt over de bezwaren van Edwin Jacobs: «Wat hij doet, daar is ons museum gewoon te groot voor. Wij hebben hier wel vijftien tot twintig tentoonstellingen per jaar. Daaraan wordt door de curatoren soms wel twee tot drie jaar gewerkt. Tegen de tijd dat de educatieve dienst erbij wordt betrokken, is het tentoonstellingsconcept al grotendeels rond. Dat is weleens jammer. Wij proberen met onze tentoonstelling en ons programma zoveel mogelijk aan te sluiten bij wat er in de rest van museum gebeurt.
Je zou kunnen zeggen dat we hier in een hoek zijn weggemoffeld, maar ik heb juist het gevoel dat de kinderen het zeer op prijs stellen dat hier hun eigen plek is. We gaan van hieruit met verschillende leeftijdsgroepen ook het grotemensenmuseum in en we hebben daarvoor speciale programma’s ontwikkeld. Een van de meest populaire is: Swingen door het museum. Met een grote gettoblaster lopen we door het gebouw en laten muziek horen die bij de kunstwerken past. Dat gebruiken we als aanleiding voor een gesprek. Daarna komen we hier weer terug. De kinderen voelen zich welkom. Mijn belangrijkste doelstelling is te laten zien dat het museum spannend is en niet saai hoeft te zijn.»
Met de gettoblaster het museum in? Een grotere tegenstelling met de aanpak in Amsterdam is bijna niet voor te stellen. Hans Abbink is een van de kunstenaarsdocenten: «Een wezenlijk onderdeel van onze manier van werken is de continuïteit. De eerste les geef ik op de school zelf, om een beetje de sfeer te proeven. Daarna ga ik negen keer met een groep naar het museum. Het gaat om kijken, naar elkaar luisteren en verwoorden wat je ziet. Heel geconcentreerd. Verbanden leggen. Ik kan in deze lessen echt met mijn vak bezig zijn. Als ik met de kinderen in het Rijksmuseum ben geweest bij Vermeer, dan kan ik daar op terugvallen in het Stedelijk en het Van Gogh. Ik kan uitleggen dat dingen niet uit de lucht komen vallen, en dat hebben ze vaak zelf ook al gezien.»
Hij leidt groep acht voor het eerst in het Stedelijk rond. Hij loopt meteen naar een zaaltje met drie Mondriaans en een paar schilderijen van Malevitsj. De Malevitsjen tonen een herkenbaar beeld, een houthakker, maar volledig realistisch is het niet. Wat is op dit schilderij fantasie en wat is werkelijkheid? Niet alles «klopt», zoals in het vorige museum. Het gesprek gaat over het schemergebied tussen abstract en figuratief. De kinderen mogen om de beurt aanwijzen welk schilderij ze het lelijkst vinden. Ze leggen ook uit waarom. De juf wordt eveneens gegrepen door het probleem en gaat zelf vragen stellen. Eén kind bedenkt bij het meest minimale schilderij van Mondriaan dat «hij er vast wel een jaar aan heeft gewerkt omdat het er allemaal heel precies op staat». De kinderen gaan helemaal op in de discussie. Het is simpel, maar het lijkt te werken.
De meester van de groep die docent Thea Tolsma een uur later rondleidt, is heel wat minder coöperatief. Hij gaat nog eens naar de wc, treuzelt en kijkt steeds de verkeerde kant op. Het is duidelijk dat hij moderne beeldende kunst maar flauwekul vindt. Op verzoek van de groep neemt Tolsma de klas mee naar een schilderij van Picasso.
Tolsma: «Zo'n negatieve leraar, daar heb ik rekening mee te houden. We gaan ook op werkbezoek bij de scholen, dan komen we een avond praten voor de leraren. Dat kost misschien wel meer energie dan een rondleiding geven in het museum. Deze meneer zat daar toen ook bij, hij was flink kritisch, maar hij heeft zich blijkbaar toch ingeschreven.»
Coördinatrice Oda den Boer zegt later dat Amsterdamse kinderen denken dat ze alles al weten — en hun docenten natuurlijk ook. «Ze zijn heel gehaaid en hebben altijd een weerwoord. Maar dat gebruiken wij ook in de gesprekken. Je hoeft nooit bang te zijn dat er niets uitkomt. Reken maar dat een school uit de Concertgebouwbuurt anders is dan een school uit Zuid-Oost. Vorig jaar stond ik opeens voor een klas met alleen maar Marokkaanse kinderen. Gelukkig was ik net twee jaar eerder in Marokko op vakantie geweest, en ik begon te vertellen hoe anders alles in Marokko eruitziet. Op straat, in de huizen, overal. Dan werk ik langzaam naar het begrip ‹kunst› toe. Via de moskee, de tegelpatronen, de stoffen, dat kun je duidelijk maken. De kinderen hebben, ook al zijn ze nog nooit in een museum geweest, toch altijd een uitgesproken beeld van wat kunst eigenlijk is. Dat probeer ik naar boven te halen. Een van de kinderen in die klas zei: ‹Het is een manier om een droomwereld naar buiten te brengen.› Pats! Zomaar!
Ik schreef met grote letters het woord ‹verbeelding› op het bord. Met een streep onder ‹beeld›. Zo leg ik een basis waarop ik de overige negen lessen kan teren. Je mag hopen dat ook deze kinderen later nog eens in het museum komen.»
De vraag rijst of de wereld van de hedendaagse beeldende kunst werkelijk ooit met die van hip en pop te mengen is, of dat het beter is er een eigen plek voor te creëren, ook in de hoofden van de kinderen. Educatie is een markt, met als profijtbeginsel de latere cultuurdeelname van de kinderen, gemeten in uren museumbezoek. De een hecht daar waarde aan puur vanuit een interesse in kunst, de ander denkt op deze manier betere mensen te maken, en de volgende probeert te laten zien dat het museum gewoon gezellig is en leuk.
Wat alle educatieprogramma’s missen, is dat de kinderen nergens wordt getoond dat een kunstwerk een ding is dat je kunt kopen, dat je wilt hebben en dat ook je leven kan verrijken. Hoeveel vakantiedagen kun je offeren voor de aanschaf van een sculptuur? Hoeveel schilderijen gaan er in een auto? Zó onbereikbaar en etherisch zijn kunstwerken niet. Dat zou in de toekomst een nieuw draagvlak voor beeldende kunst kunnen vormen dat aan de klauwen van de overheid ontsnapt. Over dertig jaar zouden we kunnen onderzoeken of er in de huizen van die volwassen geworden kinderen inderdaad meer kunstwerken aan de muren hangen.