Anjet Daanje heeft de Boekenbon Literatuurprijs 2022 gewonnen met ‘Het lied van ooievaar en dromedaris’. De uitreiking vond dit jaar plaats in de Sint-Jacobskerk, Den Haag. © Lex van Lieshout / ANP

Het was lange tijd spannend. Of eigenlijk was het helemaal niet spannend. Afgaande op de literaire prijzen die ze kregen (geen), de nominaties (absent), de boekenweekgeschenken die ze schreven (bij hoge uitzondering), de plaats die ze toegewezen kregen in de literaire canon (met een lampje te zoeken), was het gewoon nogal duidelijk: vrouwen kunnen niet schrijven. De uitzondering is er alleen om die regel te bevestigen. Literatuur kun je op allerlei manieren proberen te definiëren, maar de helderste is: literatuur is wat door mannen wordt geschreven. Wat vrouwen schrijven is irrelevant – persoonlijke wissewasjes – en zo simpel, plat of sentimenteel geschreven dat je beter van lectuur of leesboeken kunt spreken. Het feit dat hun boeken vaker bestsellers zijn, onderstreept hun trivialiteit.

Misschien lijkt dit nu een kwestie van een ver verleden, maar pas de afgelopen jaren is een kentering in de waardering van vrouwelijke schrijvers ingezet. Nog maar tien jaar geleden was het volstrekt natuurlijk dat geen enkele vrouw bekroond werd met een literaire prijs en daarvoor zelfs niet in aanmerking kwam, afgaande op de shortlists. In 2012 geen Vonne van der Meer, Hedda Martens, Anjet Daanje, van wie het jaar ervoor interessantere boeken waren verschenen dan de wél genomineerde Jeroen Brouwers. Ze stonden dat jaar overigens ook niet op de shortlist van De Gouden Uil. Geen enkele vrouw, ook daar. Wel weer Jeroen Brouwers (Bittere bloemen, over een hoogbejaarde schrijver die zich nog eens een keer vergrijpt aan een oud-studente). Het was niet heel veel anders dan andere jaren.

Tot dit jaar was de Libris Literatuur Prijs, die bestaat sinds 1994, nog maar drie keer aan een vrouw uitgereikt: Frida Vogels in 1994, D. Hooijer in 2008 en Connie Palmen in 2016. Die andere prijs die in 1986 in het leven werd geroepen als de AKO Literatuurprijs en inmiddels de Boekenbon Literatuurprijs heet, ging 26 keer naar een man en zes keer naar een vrouw: Brigitte Raskin (1989), Margriet de Moor (1992), Connie Palmen (1995), Doeschka Meijsing (2008), Marente de Moor (2011) en Joke van Leeuwen (2013).

Fluctuerend met de verschillende feministische golven zochten vrouwelijke schrijvers hun heil in uiteenlopende oplossingen: het instellen van eigen prijzen, oprichten van eigen tijdschriften, uitgeverijen, boekenclubs, dan wel een lange gang door de bestaande instituten. Er werd nog net niet de straat op gegaan, maar alles wat je met schrijven, tellen, debatteren, onderzoeken, zeiken, klagen en manifesteren zou kunnen bewerkstelligen werd beproefd. En kijk nou toch. De grootste literaire prijzen gingen dit jaar naar vrouwen, en de stemming ten aanzien van vrouwelijk schrijven, en het vrouwelijk lichaam, lijkt radicaal gekeerd. Op de lijstjes belangrijke of favoriete schrijvers komen nu ook vanzelfsprekend vrouwennamen voor, en schrijfsters als Elena Ferrante, Sally Rooney, Margaret Atwood en Annie Ernaux, die dit jaar de Nobelprijs voor literatuur kreeg, behoren tot de absolute top. Vrouwelijke schrijvers lezen is niet alleen meer een eigenaardigheid van hun seksegenoten; ook mannen zijn meer vrouwen dan alleen Virginia Woolf en Zadie Smith gaan lezen.

In Nederland zien we deze kentering dit jaar bezegeld. Mariken Heitman ontving voor haar roman Wormmaan de Libris Literatuur Prijs en de Boekenbon Literatuurprijs ging naar Anjet Daanje voor Het lied van ooievaar en dromedaris. De nieuwe Vlaamse literaire prijs, de Boon, ging naar Marieke Lucas Rijneveld (al is zij inmiddels een hij geworden) voor de roman Mijn lieve gunsteling.

Er lijkt sprake van een ethisch reveil, of een culturele revolutie, zozeer als de vrouwelijke ervaring ruimte is gaan opeisen

Op de long- en shortlists was er een fifty-fifty-verdeling van mannelijke en vrouwelijke auteurs. Voor de samenstelling van de jury’s gold hetzelfde, en zat er niet als in voorgaande jaren slechts één vrouw in de jury die blijk moest geven van goede smaak en dus juist níet vrouwelijke schrijvers wilde of durfde te honoreren.

Daarnaast ging de Anton Wachterprijs voor het beste debuut naar Confrontaties van Simone Atangana Bekono, ontving Carmien Michels voor haar verhalenbundel Vaders die rouwen de recentste BNG Bank Literatuurprijs, schrijft Lize Spit komend jaar het Boekenweekgeschenk en ontvangt Marion Bloem dit jaar de Constantijn Huygens-prijs voor haar oeuvre. Dichteres Ellen Deckwitz ontving eerder dit jaar ook een oeuvreprijs: de Tollensprijs; schrijfster en columniste Saskia Noort werd koninklijk onderscheiden.

En, ook van belang: stel dat het allemaal anders was geweest, had toch de inmiddels bijna beklagenswaardige ‘oude witte man’ het prijzencircus gedomineerd, dan was dit niet zomaar meer geaccepteerd. Er lijkt sprake van een ethisch reveil, of een culturele revolutie, zozeer als de vrouwelijke ervaring vanzelfsprekend ruimte is gaan opeisen. Even afgezien van de vraag hoe lenig een literaire canon kan zijn: toen dit jaar een ‘nieuwe’ canon bekend werd gemaakt, ontstond er onmiddellijk een debat over de rangorde en de plaats die vrouwelijke schrijvers hierin kregen toebedeeld.

De verschuiving die sinds korte tijd voel- en zichtbaar is vindt plaats in een algeheel vrouwvriendelijker cultureel klimaat, en werd een paar jaar geleden ingezet met de #MeToo-beweging. Het mannelijke dedain is verdwenen uit de kolommen van de boekenbijlagen, er zijn meer vrouwelijke recensenten gekomen, literaire uitgeverijen zijn óók het domein van vrouwen geworden, net als de redacties van boekenbijlagen en literaire tijdschriften. Zowel hier in Nederland als in het buitenland worden parels opgedoken uit de verre en wat recentere literatuurgeschiedenis: schrijfsters worden opnieuw uitgegeven, hun biografieën worden geschreven.

Misschien nog heel even afkloppen, maar er lijkt geen houden meer aan.

Alle andere positieve ontwikkelingen zijn hier terug te lezen.