Pauline J. van Munster

Zijdezachte buiken

Pauline J. van Munster,
Het evangelie volgens Daphne.
Uitg. In de Knipscheer,
126 blz., ƒ28,50

Kunst of kitsch? Meestal is het een goed teken als deze vraag zich opdringt. Zoals bij de novelle die Sonja Witstein (1920-1987) schreef tijdens haar onderduik en die vlak na de Tweede Wereldoorlog werd gepubliceerd onder de titel Bekentenis aan Julien Delande (1947). Voor zover ik weet, werd de opmerkelijke en enige novelle van Witstein, die in de kleine wereld van de neerlandistiek onsterfelijk werd met haar proefschrift over funeraire po ëzie in de Renaissance, voor het laatst herdrukt in 1986, voorzien van een verhelderend nawoord van Aad Meinderts.
Witstein schreef een verontrustend verhaal over de sadomasochistische relatie tussen een (stief)vader en zijn dochter, dat bij verschijnen nauwelijks werd opgemerkt. De belangrijkste reacties op het boek(je) kwamen van Anna Blaman, met wie Witstein later een verhouding kreeg, en van Willem Frederik Hermans. De laatste schreef in februari 1947 in Criterium: «Deze novelle, die goedbeschouwd van begin tot eind onwaarschijnlijk is, moet alles hebben van de vormbeheersing van de auteur en die is inderdaad groot. Het verhaal is bovendien van een mentaliteit en een gedurfdheid die men in ons land niet verwacht en die men dus met des te meer plezier begroet. Want een Nederlander schrijft tenslotte Nederlands en als hij alleen maar boeken die hem iets zeggen in een vreemde taal kan vinden, krijgt hij het, zonder chauvinist te zijn, toch koud. Dit verhaal ligt op de grens tussen kitsch en kunst; het is nog net het laatste en juist dat ‘nog net’ maakt de verrassing zo groot.»
Alles wat Hermans zegt over de novelle van Sonja Witstein geldt wat mij betreft voor de debuutroman van Pauline J. van Munster, Het evangelie volgens Daphne. Een boekje dat ik uit de stapel van de weekaanbiedingen trok vanwege de intrigerende titel en de suspense die de eerste bladzijde ademde en dat ik na lezing nooit meer «boekje» zal noemen.
Dat heeft allereerst te maken met de niet-Nederlandse mentaliteit en durf die uit Het evangelie van Daphne spreken. Niet alleen omdat het verhaal zich in Afrika en Frankrijk afspeelt, maar ook vanwege het buitenissige verhaal.

Het zwarte weesmeisje Daphne, ondergebracht bij een pastoor in een Frans dorpje, wordt verleid door de dertig jaar oudere vrouw van de burgemeester. Eenmaal ontwaakt laat Daphne zich door niets en niemand meer weerhouden en beraamt zelfs een moordaanslag. Onwaarschijnlijk? Van Munster weet de ontvankelijkheid van Daphne en de onrust van de burgemeestersvrouw zo aannemelijk neer te zetten dat het verhaal geen moment onwaarschijnlijk wordt. Dit heeft weer te maken met de vormbeheersing van de schrijfster, die zodanig is dat je als je het boek uit hebt, het meteen opnieuw wilt lezen. Om tot de ontdekking te komen dat de roman vanaf het begin strak is geregisseerd.
En dan die smalle scheidslijn tussen kunst en kitsch. De inzet van de roman is zwaar, de uitwerking is licht en sensueel. Is het motto al ontleend aan de «Nag Hammadi Codex », elk hoofdstuk wordt aangegeven met een omegateken en voorafgegaan door een bijbelse spreuk. «Jezus zei: Als jullie verwerven wat in jezelf is/ zal wat je hebt je redden./ Als je het niet in je hebt/ zal dat, wat je niet hebt, je doden.» Daphne is een aangeraakt en verlicht personage, dat niet wordt geregeerd door de wetten van het gewone leven. Ze communiceert met de doden, spreekt alleen wanneer ze wil spreken en oefent op haar omgeving een magische en duistere aantrekkingskracht uit. Ze is onthecht en tegelijkertijd aards. Aards in de manier waarop ze de moestuin onderhoudt, de bloemen schikt en de liefde bedrijft met de burgemeestersvrouw. Zijn dit scènes die in een romannetje uit de Bouquetreeks passen of zijn ze dat steeds net niet?
«Toen andere geluiden dan soms een vogel of de zachte wind over het gras uitbleven, toen draaide Mathilde zich naar Daphne om. Knoopte een voor een de knoopjes van haar jurk los. Gleed met haar hand tussen het elastiek haar slipje naar beneden. Schoof het over de enkels uit. Kuste haar hals, streelde met een hand haar borst, haar tepels die ze voelde verharden. Streelde de zijdezachte buik. Voelde de trillingen door het jonge, sterke zwarte lichaam onder haar trekken. Kuste en kuste tot ze bij de sneetjes kwam die de struiken op haar benen hadden gemaakt. Ze likte de dunne bloedlijntjes weg. Likte haar benen. Haar lendenen.» Nee, net niet. En wat is er spannender dan net niet?