Zijn broeders hoeder, zijns ondanks

In het boek van Stéphane Audeguy heeft de filosoof Jean-Jacques Rousseau een broer, François, die de beroemde Bekentenissen van correcties voorziet en zijn beroemde broer in een ander licht stelt.

STÉPHANE AUDEGUY
MIJN BROER, DE ENIGE ZOON
Uit het Frans (Fils unique, 2006) vertaald door Tatjana Daan, Cossee, 299 blz., € 19,90

Vermoedelijk is er geen fameus schrijver-filosoof zo vervelend als Jean-Jacques Rousseau, vervelend in alle opzichten, ook als schrijver. Dat zegt natuurlijk weinig nu zijn werk nauwelijks meer gelezen wordt. De vorig jaar herdrukte volledige vertaling van Bekentenissen – vertaald door Leo van Maris (in 1995 Privé-domein, nu Perpetua-reeks) – is dan ook in de eerste plaats een document, interessant voor wie het boek tegen de keer in wil lezen. Historisch gezien is het een boek dat een heel genre ontstopt heeft, dat wel, en ook nog een genre dat het eeuwige leven heeft: de bekentenisliteratuur. Daar gaat het hier nu niet over. Het is nauwelijks voorstelbaar hoe het indertijd – toen het postuum in twee delen (1782 en 1786) verscheen – gelezen is. En is het wel gelezen? Alleen al door de titel wedijverde Rousseau met de Belijdenissen van de heilige Augustinus. Hij, Jean-Jacques, zou bovendien de fout herstellen van Montaigne, met zijn Essais nog zo’n grondlegger van het egodocument, die alleen maar fouten en zonden opbiechtte waarmee hij voor de dag kon komen. Nee, Jean-Jacques volgde het spoor van de schaamte tot de bron terug, door zijn pekelzonden op te biechten, ook de naarste, de feiten als ook zijn gevoelens en beweegredenen toen en zijn interpretatie als gerijpt denker. Als bediende had hij een lint gestolen, het dienstmeisje Marion werd ervan beschuldigd, hij zei dat zij het hem gegeven had – na veertig jaar komt hij met de waarheid op de proppen, maar ter rechtvaardiging weet hij te melden dat hij deed wat hij veronderstelde dat het meisje eigenlijk had willen doen; dat hij het lint stal om het aan haar te geven. Het was misschien een fout geweest, die, hoewel ze beiden werden weggestuurd, voor Marion funest zou zijn, maar zijn bedoelingen waren goed geweest. Zo pleitte hij zich vrij. Bij Augustinus had hij kunnen nalezen hoe de wisseltruc van het schaamteloze opbiechten van schaamte werkte.
Vaak is op de christelijke bron van de belijdenisliteratuur gewezen, als zou het om een wereldlijke voortzetting van de biecht gaan. Maar de biecht of het gewetensonderzoek was niet bedoeld om tot zelfkennis te komen; het doel was om nader tot God te komen – behalve bekentenis (van zonden) betekende confessie ook lofzang. Jean-Jacques mag dan wel bezwerend schrijven dat hij zijn diepste ik wilde doorgronden, het ging hem meer om de presentatie van een Zelf, een unieke persoonlijkheid, een mens zoals andere mensen, misschien wel de mens. Zo wilde hij gezien worden: één grote verleidingsmanoeuvre om erkenning en bevestiging te vinden, aardig en vooral bijzonder gevonden te worden.
De man die zo stellig wist dat de mens geen eiland mocht zijn, eindigde op een eiland (in Ermenonville), alleen op de wereld, omgeven door complotterende tegenstanders. Uit zijn levensverhaal schreef hij de mensen weg die aan zijn uniciteit afbreuk deden. Een moeder had hij niet: zij stierf in het kraambed; (bijna) geen vader: die werd het land uit gejaagd; hij was getrouwd met een vrouw die hij zijn gouvernante noemde; had geen kinderen, want de vijf die er waren gingen naar het weeshuis; én hij had geen broer, bijna geen.
Enige zoon, zo luidt de oorspronkelijke titel van de roman waarover het hier gaat. In de Bekentenissen staan maar enkele zinnen over de verdwijning van een broer (de zes jaar oudere François): ‘Ten slotte dwaalde mijn broer zo ver van het rechte pad af dat hij ervandoor ging en spoorloos verdween. Een tijdje later kregen we bericht dat hij in Duitsland zat. Niet eenmaal schreef hij ons. Sindsdien hebben we niets meer van hem gehoord en zo bleef ik als enige zoon achter.’ De ironie wil dat zijn vroege leven ongeveer net zo verliep als dat van de al vroeg bedorven (libertijnse) broer, met dit verschil dat de wereld wel degelijk van Jean-Jacques zou horen. Dat hij niets meer van zijn oudere broer hoorde, vond hij overigens minder erg dan dat er nooit bericht over diens dood kwam omdat hem daardoor broerliefs deel van de erfenis ontging.
De broer zou terugschrijven, twee eeuwen na dato: zijn levensverhaal inclusief zijn versie van sommige feiten geredigeerd door de Franse schrijver Stéphane Audeguy (1964), van wie twee jaar geleden een werkelijk fantastische roman vertaald is: De wolkenbibliotheek, een boek met verhalen waaruit weer andere levensverhalen opduiken.
Negentig is François als hij zijn ‘correctie’ schrijft op de Bekentenissen van de jongere broer – door hem verfoeid om de verdraaiing van de feiten, de kwezelarijen, de eigenroem, en vooral om de stompzinnige lezers ervan, ‘de kleine Rousseautjes’ die zich tijdens de Terreur die op de Revolutie volgde kostelijk vermaakten, zich vergapend rond de guillotine. Het zou me niet verbazen als Audeguy de ergernis van de broer deelde over het contrast tussen de vrome praatjes van de filosoof en de terreur die erdoor werd geïnspireerd, gevoegd bij weerzin tegen het gelamenteer.
Het lot heeft François als ‘nobele grijsaard’ – hij is negentig maar oogt al heel lang dertig jaar jonger – ten slotte terecht laten komen bij Ermenonville, waar de filosoof sinds 1778 in een tombe op een eilandje in een vijver begraven ligt. Zestien jaar later, in 1794, besluit Robespierre de aanbeden filosoof naar Parijs te laten overbrengen om zijn overschot in een rode kist bij de onsterfelijken in het Panthéon aan te laten schuiven. Op de eretribune zit de broer, maar niemand weet dat hij de broer is, hij zit daar als respectabel veteraan van de Bastille. Daar had François inderdaad bijna dertig jaar gezeten, tot 14 juli 1789 – maar wel een ietwat andere Bastille dan die waarover de opstandelingen in Parijs het hadden. Hij was er beland omdat hij in kringen van vrijdenkers verkeerde, toen hij vanwege zijn opleiding als klokkenmaker in Parijs in aanraking kwam met een man die seksartikelen vervaardigde. François verbeterde diens verouderde speeltjes en construeerde in een tijd dat men gek was op automaten allerlei ingenieuze apparaten, met als kroon op zijn werk een mannelijk neukapparaat, Hercules genaamd – zijn kostje was gekocht. Mooie hoofdstukken, waar en passant de dubbelmoraal van de vrijdenkers het danig moet ontgelden.
Dan was De Sade, met wie François in de Bastille kennismaakte, uit harder hout gesneden. De listige manier waarop hij De Sade hielp onder zware bewaking toch zijn 120 dagen te schrijven en het manuscript te redden, had in een schelmenroman niet misstaan. De Sade deed François van mening veranderen over zijn broer, niet omdat De Sade een fervent lezer van de filosoof bleek te zijn, maar omdat de Jacobijnen hun lectuur van De Sade net zo misbruikten als die van Rousseau. De een noch de ander werd echt gelezen. De broer moest zijn mening herzien dat een auteur of een groot man verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn volgelingen en navolgers.
Het negatieve oordeel over de Bekentenissen heeft vooral betrekking op het ressentiment van Jean-Jacques. De man die dacht dat hij uniek was, hoefde het zelf niet meer mee te maken dat Parijs vergeven was van de kleine Rousseautjes. Hij werd niet meer gelezen, stelt de broer vast, dat hoefde ook niet: het oud zeer van talloze individuen (altijd moeten ze mij hebben), het individuele ressentiment, kwam in het kielzog van de Revolutie massaal aan z’n trekken: ‘Ieder van hen regeert als een tiran over zijn persoonlijke koninkrijkje (…) Bovendien is jaloezie de nationale hartstocht geworden. Wat een tuig, die volgelingen van je?’ – François heeft ze meegemaakt; bij zijn bevrijding uit de Bastille, waar de opstandelingen tevergeefs sporen van massa-executies zochten, waar nauwelijks nog gevangenen waren (De Sade was een week eerder naar het gekkenhuis verhuisd). Twee dagen na 14 juli werd al aan de sloop van de Bastille begonnen en de ex-gevangene werd een soort onderaannemer in de enorme handel met stenen die als patriottisch aandenken los verkocht werden.
Hij was inmiddels 86, had in de Revolutie geloofd, maar al bij de herdenking zag hij dat het volk achter de dranghekken stond en op de tribunes alleen luitjes met schone handen zaten. Van nabij maakte hij dankzij een late liefde mee hoe ook de vrouwen die na de Revolutie in beweging kwamen door de Terreur weggewalst werden. Had Jean-Jacques de vrouw als melkkoe gezien, dan waren de fanatieke Jacobijnen ook in dat opzicht nog benepener. De vrouwen die zijn pad kruisten en hem soms aardig op weg hielpen, komen er goed tot zeer goed van af, de oudere nog beter dan de jongere. Maar die prachtvrouwen, vooral de oudere, passen uitstekend in een picareske roman die het boek ook, en soms vooral is.
‘Ik heb gedaan wat ik kon om, op zachtmoedige wijze, bij te dragen aan de wanorde van deze wereld.’ Daarmee besluit de oude man zijn relaas, zijn brief ad hominem, het dubbele levensverhaal. Je kunt ook zeggen dat Audeguy’s verteller de Bekentenissen gekeerd heeft, om een term uit de oude lappenmand te vissen. Of lees het als parallelroman langszij. Minstens zo interessant is het als verhaal over de invloed van ongelezen boeken. Waarschijnlijk heeft men ook toen de theoretische schriften nauwelijks gelezen, er alleen slagzinnen uit opgepikt. En die waren de echo van frasen uit de romantische geschriften van Rousseau die wel gelezen waren, gevreten zelfs, zoals Emile en Julie ou La nouvelle Héloïse. Smakelijk vertelt de oudere broer waar Jean-Jacques de mosterd vandaan had: de romantische lectuur uit de boekenkast van de overleden moeder, door de vader aan hem voorgelezen. Van moeders leesplankje naar het straatrumoer ten tijde van de Revolutie en de Terreur was maar één stap. Het blijft een raadsel hoe deze man zo populair kon worden – hij die dacht dat niemand zijn verdiensten zag en iedereen tegen hem samenspande – en hoe hij ook nog zo veel invloed kon hebben. Omdat hij niet gelezen is of even slecht als De Sade gelezen werd – aldus Audeguy bij monde van François Rousseau.