Opheffer

Zijn de Marokkanen onze joden?

Zijn de moslims onze vooroorlogse joden? Die suggestie wordt voortdurend gewekt. Waar we voor de oorlog voornamelijk een hekel aan hadden was het joodse ras. Dat was een slap, agressief, onbetrouwbaar ras. Vermenging van blanken met het joodse ras zou de slechtste eigenschappen in een mens doen komen bovendrijven, gelijk in de natuur bij rasvermenging. Hitler sprak dan ook voort durend over het joodse ras dat uitgeroeid moest worden. Bij antisemitische praatjes werden de geperverteerde joodse denkers dan ook getoond: Freud, Einstein, Marx.

Waren de joden in Amsterdam arm? Ik weet het niet precies – mijn grootouders spraken wel over de «Plein-joden», waarmee ze de joden op het Waterlooplein bedoelden, dat waren dan «voddejoden» die met andere joden bedrijfjes hadden – die waren vast arm, maar mijn grootouders kenden er een paar, en volgens mij heb ik er ook een paar bezocht in de jaren vijftig, begin zestig – en ik herinner me geen grote armoede, maar ik was dan ook zes, zeven jaar. Wel heb ik zelf, zeventien jaar oud, op het Waterlooplein gewerkt bij Meester Muller, een antiquaar. Ik weet eigenlijk niet of hij rijk was of niet. Geestelijk rijk was hij zeker, en achteraf moet hij, gezien zijn boekencollectie, niet heel erg arm zijn geweest.

Maar ongetwijfeld zul je enorme schlemielen hebben gehad. Als voorbeeld bij ons thuis werd de huisvriend van mijn grootouders genoemd, de schrijver en dichter J.K. Rensburg. Omgekomen in de oorlog. Vertaler van onder meer De goddelijke komedie van Dante – de vader van Ischa Meijer hield hem voor een groot denker en schreef een biografie over hem, uitgegeven bij De Engelbewaarder. Deze Rensburg, over wie ik mijn hele leven verhalen heb gehoord (want mijn ouders en grootouders hielden hem ook voor een genie) schijnt op de Ceintuurbaan naast een kolenhok te hebben gewoond. Hij moet extreem arm zijn geweest, hoewel hij ook rijk had kunnen zijn.

In Amsterdam werd, zo weet ik, enorm gediscrimineerd – ook door de joden onderling. Een «mesjoggene Portugai», zo werd door oom Levi, mijnheer Da Silva genoemd. Daar moest mijn grootvader niet mee in zee. Die Portugese joden waren echt niet te vertouwen.

Wij waren niet joods. Althans niet officieel. Mijn grootmoeder was een bastaard van een jood – ik vond haar een antisemiet, want in de jaren zeventig had ze het altijd over «de joodjes» die ze kende. En ook zei ze: «Loop even naar dat joodje aan de overkant om sigaretjes voor oma te halen.»

Hoe is het nu in Amsterdam? Ik geloof, en weet bijna zeker, dat veel authentieke Amsterdammers een hekel hebben aan moslims. Sterker: ik geloof dat ze een hekel hebben aan Marokkanen. Dat is absoluut een racistische component, maar toch zit er een verschil in.

Ikzelf heb ook een hekel aan moslims – maar juist niet aan Marokkanen, Turken of wie dan ook. Ik heb een hekel aan dat bedenkelijke, kleinzielige geloof, waarin ik nauwelijks schoonheid en liefde kan ontdekken. Mijn hekel heeft zich noodzakelijkerwijs geuit in een woedende getuigenis tegen dat geloof, maar leefde mijn vriend Theo nog, dan had ik de islam net zo belachelijk gemaakt als welk geloof ook.

Maar zijn dan de Marokkanen onze joden? Ik geloof best dat autochtonen een verregaande hekel hebben aan Marokkanen, maar die hekel heeft eigenlijk niets met het ras te maken. In Amsterdam leven op het ogenblik meer dan 170 nationaliteiten, en men heeft maar een hekel aan één groep, en ook aan wat Turken en Antillianen, maar niet zo structureel als aan Marokkanen. Wordt er in de Amsterdamse cafés discriminerend gedaan tegen de vaak illegale rozenverkopers? Ik heb het nooit gemerkt. Worden die regelmatig in elkaar geslagen, of worden ze aangesproken op de moord op Theo? Ik zie het niet. Sterker: ik hoor juist dat men «respect» heeft voor die rozenverkoper omdat die bij nacht en ontij rozen verkoopt, «dat zouden die Marokkanen toch ook kunnen doen?»

Ik loop veel door de stad, en ik praat veel met mensen – en voortdurend merk ik dat ik andere dingen zie, voel en hoor dan burgemeester Cohen en Geert Mak. Zelfs bij de meest rabiate antimoslim/-Marokkaan-Amsterdammer voel ik geen discriminatie. Ja, die moslims moeten het land uit, en de doodstraf moet voor Mohammed B. worden ingevoerd, maar… hadden die Marokkanen zich aangepast, waren ze Nederlanders geworden, zoals al die andere allochtonen die hard werken, dan was er niets aan de hand geweest. (Dit hoor je: «Die Gümüs, die kleermaker, die moet weg, en die anderen, die moorden, die mogen blijven.») Het bedreigende zit ’m toch echt in het feit dat veel moslims een geloof hebben dat zich niet wil laten voegen naar onze normen en waarden.

Ik geloof wel dat er racisme is, maar ik geloof dat dat racisme alleen te maken heeft met de islam. Ik heb de laatste tijd wel met veertig, vijftig van de meest rechtse autochtonen gesproken. Niet alleen zeer rechts, ook keihard – maar niet één discrimineerde zomaar, zoals voor de oorlog, op niets af. De joden werden gediscrimineerd, vanwege hun «ras». Ik durf zelfs de volgende stelling aan: in een stad als Amsterdam worden de joden verreweg het meest gediscrimineerd, meer dan welke andere groep ook. Verreweg. Door allochtonen en autochtonen. Dat baart mij dan ook veel meer zorgen dan de zorgen om onze moslims. Eigenlijk is de treurige conclusie dan ook als volgt: de moslims zijn niet de joden van voor de oorlog. De moslims hebben eerder onze joden weer de joden van voor de oorlog gemaakt. En niet alleen de joden… En de niet-moslims hebben over onze joden van na de oorlog alleen hun mond gehouden – en dat is in feite een verbetering.

De discussie over moslims wordt nog altijd niet eerlijk gevoerd. Ik zweer bij alles wat mij lief is dat ik niet discrimineer – hoe kan het dan dat ik daar voortdurend van word beschuldigd? Wie zit dan waar fout?