Zijn eigen Big Brother

Peter Davidson (red.)
The Lost Orwell, Being a Supplement to The Complete Works of George Orwell
Timewell Press, 258 blz., £ 18.99

Acht jaar geleden verschenen The Complete Works of George Orwell in 8543 bladzijden, verdeeld over twintig delen. Tot ergernis ongetwijfeld van zijn biografen – veelal de auteurs van uitputtende pillen – blijven er documenten opduiken die nieuw licht werpen op details rond Orwells werk of persoon. Zo meldt Peter Davidson, samensteller van The Complete Works, in zijn inleiding tot deze bundel aanvullingen: ‘We kunnen er nu zeker van zijn wanneer precies Orwell voor het eerst Marx las.’ Tel uit je winst. Toch reageer je anders als je het bewuste document onder ogen krijgt.

Het is een van de aardigste vondsten in het nieuwe boek: een pakketje informatieve en buitengewoon levendige brieven van Eileen O’Shaughnessy, Orwells eerste echtgenote. Hij trouwde haar in 1936, een jaar na hun ontmoeting; ze stierf in 1945 op de operatietafel tijdens een hysterectonomie (verwijdering van de baarmoeder). Haar gezondheidsperikelen zijn allicht reden geweest waarom het echtpaar is overgegaan tot de adoptie van een baby. Uit een van Eileens brieven – een monter relaas over hun leven met weinig inkomsten in een primitief, zelfs van een wc verstoken huis in Hertfordshire – blijkt dat ze hun poedel Marx hadden gedoopt om henzelf eraan te herinneren dat ze Marx nooit gelezen hadden. Eileen, die haar brieven aan een vriendin schreef, voegt eraan toe dat ze na het inhalen van dit verzuim de hond niet meer durfden aan te kijken, dit vanwege de bij beiden ontstane afkeer van de naamgever. Over een afstand van zes tot zeven decennia maken Eileens amusante ontboezemingen heel duidelijk wat Orwell, de beheerder van een zwaartillende en onverzoenlijke geest, in haar moet hebben aangetrokken.

George Orwell was wat je noemt een politiek dier. Naar het woord van Cyril Connolly kon hij zijn neus niet snuiten zonder te gaan moraliseren over de omstandigheden in de zakdoekenindustrie. Orwells ondubbelzinnige keuze voor de werkende klasse en voor een sociaal-democratische levensbeschouwing kan niet los worden gezien van het sociale milieu waarin hij was geboren en getogen. De wieg van Eric Blair (zijn echte naam) stond in Bengalen, en de geschiedenis van zijn voorzaten is verbonden met die van het Britse imperialisme. Eileen meldt in een van haar laconieke brieven dat een telg van de familie Blair zijn rijkdom dankte aan de handel in slaven. Orwells weerzin tegen ongelijkheid en onderdrukking moet sterk zijn gevoed toen hij, na in Eton te zijn opgeleid, enige tijd in Birma diende als lid van de koloniale politie. De armoedige periode die volgde toen hij optrad als zwerver en waarnemer onder zwervers en scharrelaars, heeft minstens voor een deel het karakter van een boetedoening gehad. The Lost Orwell bevat een instructieve briefwisseling die Orwell heeft gevoerd met Réné-Noël Raimbault, de Franse vertaler die het verslag van deze zwerversjaren Down and Out in Paris and London heeft omgezet naar La Vache Enragée. Orwell liet zijn vertaler weten dat die, als hij in Engeland was, waarschijnlijk zes maanden gevangenisstraf zou krijgen voor het afdrukken, in een verklarende voetnoot, van het woord ‘fucking’. (In de Engelse uitgave in mijn kast is deze term zo aangeduid: ‘f-polygamists! The f- women’ et cetera.) Tegelijkertijd deelde de schrijver mee dat zijn landgenoten het gewraakte woord niet meer zozeer gebruikten in de betekenis van ‘copulerend’, maar simpelweg als stopwoord of krachtterm. Ook over de bijzondere betekenis van ‘bull shit’ moest Raimbault worden ingelicht.

De reserves die een uitgeverijknecht formuleerde toen hij als eerste lezer moest oordelen over het manuscript van Down and Out zijn hier eveneens opgevist uit de mestvaalt van de geschiedenis. De man had geboeid gelezen; toch vond hij de stijl ‘niet beter dan het gemiddelde van de journalistiek’, en: ‘wat er in zo’n thema aan fascinerends aanwezig is, ligt volstrekt buiten puur literaire criteria’. Het gelijk van deze functionaris is moeilijk tegen te spreken, maar zijn geboeidheid tijdens de lectuur blijft even begrijpelijk. Al Orwells werken zijn hoogtepunten van journalistiek, van polemiek, van pamfletkunst.

Nineteen Eighty-four, de toekomstfantasie die zijn beroemdste werk is geworden, vormt geen uitzondering. De in die roman vertelde liefdesgeschiedenis legt het in alle opzichten af tegen de onderdelen van het verhaal die, in al hun absurditeit, toch bedoeld zijn om als waarschuwingen serieus genomen te worden. Het beschreven totalitaire systeem, geleid door de overal zichtbare Big Brother die alles en iedereen in de gaten heeft, geschiedvervalsing als bureaucratische routine, de als ‘newspeak’ bevorderde taalverloedering die ten doel heeft vrij en zelfstandig denken te bemoeilijken – heel dat bouwwerk van een op ons afstormende toekomst dankt zijn lugubere kracht vooral daaraan dat de lezer in alle uitvergrotingen toch als basis de tendensen en verschrikkingen van de twintigste-eeuwse voorpagina’s herkent.

Al een paar jaar geleden werd bekend dat Orwells obsessie met politiek hem er in de vrieskou van de Koude Oorlog toe heeft gebracht een lijst samen te stellen met de namen van personen die hij beschouwde als ‘crypto-communisten’ en ‘fellow-travellers’. In The Lost Orwell is de lijst afgedrukt, met inbegrip van Orwells puntig geformuleerde toelichtingen. Het was zijn bedoeling het ministerie van Buitenlandse Zaken te behoeden voor het raadplegen van informanten die naar zijn mening ongeschikt waren (want politiek onbetrouwbaar) om Britse diplomaten bij de Verenigde Naties bij te staan. De lijst omvat 54 namen, soms van mensen die hun bekendheid aan Hollywood dankten, zoals ‘Chaplin, Chas.’ (‘Anglo-Amerikaans, joods?’) en Katherine Hepburn. Meestal echter gaat het om scribenten. Orwell is weinig vleiend over deze collega’s. Heet de romanschrijfster Naomi Mitchison slechts een ‘silly sympathiser’, over Kingsley Martin, hoofdredacteur van de New Statesman, luidt het vonnis: ‘Te oneerlijk om ronduit “crypto” of fellow-traveller te zijn, maar vertrouwd pro-Russisch op alle belangrijke punten.’ Professor E.H. Carr, historicus, is ‘appeaser only’, maar Arthur Calder-Marshall (‘voorheen erge fellow-traveller’) was dan wel veranderd maar nog steeds ‘onbetrouwbaar. Onoprecht persoon’. Alex Comfort (‘Geen morele moed. Heeft lamme hand. Zeer begaafd’) heet zelfs ‘aangeboren totalitair’.

Over J.B. Priestley verneemt men: ‘Sterk sympathisant (…). Erg anti-usa. Ontwikkeling van de laatste 10 jaar of minder. Zou kunnen veranderen. Maakt veel geld in ussr??’

Het lijkt mij gewettigd het vermoeden uit te spreken dat jalousie de métier hier de pen van de aanklager kan hebben meebestuurd. Priestley, lang voor de oorlog al beroemd als romancier, was in de oorlogsjaren bovendien zeer geliefd geworden door de radiopraatjes waarmee hij er bij zijn landgenoten de moed hielp inhouden. Zelf oogstte Orwell tot 1945 (het jaar van Nineteen Eighty-four) maar een beperkt succes met zijn boeken of met zijn eigen radiowerk.

De vermelding ‘homoseksueel’ of ‘jood’ die hier en daar een naam op Orwells lijst vergezelt, is volgens Peter Davidson toch heus relevant: homo’s zouden vatbaar zijn voor chantage en wat de joden betreft, kort na de oorlog moeten velen onder hen sympathie hebben gevoeld voor de Sovjet-Unie, totdat Stalins optreden hun de schellen van de ogen had doen vallen. Maar Davidsons kanttekening maakt vermeldingen als ‘vrij slijmerig persoon’ (L. Schiff), ‘neger’ (George Padmore), of ‘Euraziaan’ (Cedric Dover, die tevens geldt als ‘Zeer oneerlijk, corrupt persoon’) geen haar minder onfris.

Orwell stelde zijn lijst op in 1949. Twee jaar eerder had hij Why I Write geschreven, een van zijn meest fameuze essays, waarin het heet: ‘Geen enkel boek is helemaal vrij van politieke vooringenomenheid. De opvatting dat kunst niets met politiek van doen moet hebben is zelf een politieke zienswijze.’ De denktrant waarvan Orwell met die woorden blijk gaf, reduceert elk romanpersonage, maar ook iedere schrijver, tot niet veel anders dan een pion in een sociaal en politiek verband. Eigenlijk is het de denktrant van iemand wiens opvattingen gevaarlijk dicht in de buurt van het totalitaire uitkomen. De in The Lost Orwell afgedrukte lijst van ‘crypto-communisten en fellow-travellers’ levert de bevestiging: George Orwell was zijn eigen Big Brother.