Tegen de aandachtseconomie

Zijn en schermtijd

Het scherm van onze mobiele telefoon biedt houvast en afleiding. We staren er voortdurend naar. Waarom eigenlijk? Op welk moment is informatieschaarste omgeslagen in aandachtschaarste?

Behalve voor de deur van de Action is het in deze buurt zelden erg druk, maar zoals overal is de stilte op straat ook hier een bron van onrust geworden. Een teken dat dingen die vastzaten zijn losgeraakt en geruisloos zijn gaan glijden, accelererend richting het ongewisse.

Op een andere avond, in een andere wereld waarin ik een beter mens was geweest, had ik me andere mogelijkheden voorgesteld en misschien een wandeling gemaakt. Maar in plaats daarvan sta ik voor het raam in het schijnsel van de ondergaande zon met een baby op mijn buik gebonden James Brown-achtige heupbewegingen te maken. Van tussen de draagdoek steekt niet het gezicht van het kind maar het lichtgevende gelaat van een turquoise pinguin die witte ruis produceert – harder dan misschien medisch verantwoord. Desoriëntatie van de vijand is een beproefde tactiek op ieder slagveld. Het lawaai vult de kamer, maar wordt door mijn koptelefoon geneutraliseerd. Zo kan ik ongestoord luisteren naar de stem van David Runciman, die op kalme toon uiteenzet waarom Gandhi in het najaar van 1909, op de boot tussen Engeland en Zuid-Afrika, in een rondslingerend tijdschrift een kort verhaal van E.M. Forster moet hebben gelezen. De toekomst die Gandhi schetst in Hind Swaraj, het boek dat hij tijdens de overtocht schrijft en dat de blauwdruk voor de Indiase onafhankelijkheidsstrijd zal vormen, bevat meer dan toevallige overeenkomsten met Forsters The Machine Stops.

Mijn aandacht verdeelt zich intussen schijnbaar moeiteloos over twee werelden, geen van beide de onze. Want terwijl Runciman Gandhi’s voorspellingen voorleest, dat men in de toekomst massaal per luchtschip zal reizen, dat men met één druk op de knop kleren, eten, een krant of een auto zal kunnen oproepen – en hij stopt met citeren precies voor deze zinnen: ‘formerly, when people wanted to fight with one another, they measured between them their bodily strength; now it is possible to take away thousands of lives by one man working behind a gun from a hill. This is civilization’ – schiet ik in het even eerder op mijn telefoon geïnstalleerde Call of Duty op een luxejacht soldaten overhoop. Tussendoor open ik af en toe Twitter en lees ik WhatsApp-berichten.

Dit is mijn leven. En – zonder mezelf per se belangrijker te willen maken dan ik ben – dit is de beschaving.

***

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Jan Postma over het leven in onze heerlijke nieuwe wereld vol slimme maar verslavende apparaten. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen.

‘The Machine Stops’ opent met een vrouw in een vrijwel lege, zeshoekige kamer. De raamloze ruimte is gevuld met een zacht schijnsel. Het vertrek is afgesloten, maar de lucht is er fris. De vrouw heet Vashti en ze brengt haar leven door in deze ondergrondse kamer – die niet te onderscheiden is van alle andere kamers waarin alle andere mensen overal ter wereld hun leven doorbrengen. Ze is hier op haar gemak. Alles is beschikbaar met een druk op een knop. Een warm bad, muziek, eten. Er is zelfs een knop die literatuur produceert. En natuurlijk zijn er de knoppen die haar in staat stellen oeverloos te praten met haar vrienden. ‘The room, though it contained nothing, was in touch with all that she cared for in the world.’ Dit alles is een leven dat mogelijk wordt gemaakt door de Machine, want het aardoppervlak is onbewoonbaar en alleen met een gasmasker te bezoeken. Iets waar nog maar weinig mensen het nut van inzien.

Ik ben het verhaal zo vaak tegengekomen dat ik was vergeten dat ik het nooit eerder daadwerkelijk las. Ik dacht dat The Machine Stops zijn profetische reputatie ontleende aan de communicatiemiddelen die Forster aan zijn verbeelding wist te ontlokken op een moment dat de radio nog amper gemeengoed was. Maar hoewel dat misschien ooit het geval was, ligt het epicentrum van de schok van herkenning veel dieper in de vertelling.

Vashti dimt het licht en zegt hardop tegen Kuno, haar zoon, dat hij zich moet haasten. Het duurt even voordat de ronde plaat die ze in haar handen heeft begint te glanzen. Het gelaat van haar zoon verschijnt. Hun gesprek is ongemakkelijk, hun wederzijdse gevoel van vervreemding is sterker dan hun familieband en de Machine geeft slechts een algemene indruk van de ander. Nuances gaan verloren, maar daar heeft Vashti, denkt ze bij zichzelf, toch eigenlijk nooit hinder van ondervonden.

Kuno woont op het andere halfrond. Hij vraagt zijn moeder hem op te zoeken: ‘I want to see you not through the Machine, I want to speak to you not through the wearisome Machine’, zegt hij.

Ze houdt de boot af. Ze heeft geen zin in de reis. ‘I get no ideas in an air-ship’, zegt ze. De werkelijke reden is dat ze, zodra ze de kamer verlaat, wordt bevangen door ‘de verschrikking van directe ervaring’.

Uiteindelijk stemt ze toch in en tijdens haar reis met een luchtschip komt de wereld waarin ze leeft steeds scherper in beeld. Iedereen zit hier met tegenzin, afgezonderd en stilletjes walgend van elkaars fysieke aanwezigheid. ‘Men seldom moved their bodies; all unrest was concentrated in the soul.’

Als Vashti eindelijk op haar plaats van bestemming is en voor Kuno staat, slaat ze haar ogen neer. Vertel wat je me wil vertellen, zegt ze tegen haar zoon, en daarna moet ik gaan.

***

Een niet expliciet gestelde vraag waarop Forsters verhaal een antwoord vormt is deze: in hoeverre stelt onze technologie ons in staat het leven te leiden dat we willen leiden? In die vraag zitten wat aannames verstopt. Bijvoorbeeld dat die technologie op een betekenisvolle manier ‘van ons’ is. En ook dat de mens een wezen is dat in staat is tot het willen leiden van een bepaald soort leven en dat hij op de een of andere manier uitdrukking en gevolg kan geven aan die wil.

De door Forster verbeelde menselijke conditie, alleen opgesloten maar in contact met alles en iedereen, is vooralsnog evident de onze. Het was ongetwijfeld de reden dat ik, toen ik ergens gedurende de begindagen van de coronacrisis een bericht op mijn telefoon zag verschijnen dat ik die dag meer dan tien uur naar mijn scherm had gekeken, besloot die domme nudge-functie ‘Schermtijd’ voor eens en voor altijd uit te schakelen. Het gepolijste zwarte gat in mijn hand was meer dan ooit een venster op de wereld geworden en voor schaamte of schuld of werken aan mezelf was geen plaats meer in mijn hoofd.

Door het gepolijste zwarte gat in mijn hand was voor werken aan mezelf geen plaats meer in mijn hoofd

Wijlen Jan Blokker kon ooit, in reactie op zijn collega’s die mopperden op de ontwrichtende digitalisering, zeggen: ‘Het internet is een gemak en het gemak dient de mens.’ Een nuchtere gedachte, maar je vraagt je af of hij datzelfde tien jaar later nog zou hebben durven beweren.

Het is niet alleen het idee van gemak waarmee we onszelf voor de gek houden. Tech-ethicus James Williams vatte de omvang van onze blindheid twee jaar geleden, in zijn boek Stand Out of Our Light: Freedom and Resistance in the Attention Economy, zo samen: ‘We blijven volharden in het beschrijven van deze systemen als “informatie-” of “communicatietechnologieën”, ondanks het feit dat ze, alles bij elkaar genomen, zijn ontworpen om ons te informeren noch te helpen communiceren – althans niet op een manier die herkenbaar menselijk is. We winden ons op over “fake news” en andere bezwaarlijke content, omdat dat makkelijker is dan onze pijlen te richten op de fundamentele problemen van het medium zelf: dat het een antwoord is op een vraag die niemand ooit stelde, dat zijn doelen niet onze doelen zijn, that it’s a machine designed to harvest our attention wantonly and in wholesale.’

We leven met instituties en woorden die zijn geworteld in een wereld van informatieschaarste, maar ergens in het recente verleden is die schaarste omgeslagen in overvloed. Het is van de weeromstuit onze aandacht geworden die schaars is. De Machine die wij hebben gebouwd, en die zichzelf onder onze ogen verder en verder uitbouwt, biedt ons informatie in overvloed, maar wat zij organiseert en kapitaliseert is onze aandacht. Zij boort nieuwe markten aan, markten waar wordt gehandeld in ons wegsijpelende bewustzijn, het wegtikken van ons leven.

***

Niemand denkt ’s ochtends: eens kijken hoe ik mijn telefoongebruik vandaag kan maximaliseren. Maar dat is wel hoe het apparaat is ontworpen. Toch is het Williams – die ooit bij Google werkte maar na een kleine geloofscrisis in Cambridge ging studeren – niet alleen te doen om zoiets oppervlakkigs als concentratieproblemen. Dat volautomatische naar je telefoon grijpen bij iedere spooktrilling. Dat zonder dat je er zelf erg in hebt Facebook openen of Netflix aanzetten. Dat ontwerpers die hun eigen kinderen nog niet binnen een straal van vijftig meter van een iPad laten komen zo goed zijn geworden in het uitlokken van routineuze handelingen, dat met een simpele swipe-beweging binnenhalen van nieuwe informatie bijvoorbeeld, is een probleem dat als vanzelfsprekend in termen van verslaving kan worden besproken (en waarvoor de oplossing op de een of andere manier altijd weer een nieuwe app is) en dat daarmee het voeren van fundamentelere discussies bemoeilijkt.

In Stand Out of Our Light laat Williams zien hoe de dingen die ons worden verkocht als behulpzaam niet alleen in het dagelijks leven onze aandacht frustreren, maar hoe ze het op langere termijn ook onmogelijk maken ons de levens voor te stellen die we zouden willen leven. Hoe ze democratische legitimiteit ondergraven en hoe ze maatschappelijke verontwaardiging voeden, maar ook hoe ze de gerechtigheid waartoe die verontwaardiging in het beste geval kan leiden frustreren. Hoe ze onze natuurlijke aanleg voor reflectie en zelfbeheersing ondermijnen en hoe ze, in de woorden van Harry Frankfurt, het ons onmogelijk maken nog langer te ‘willen wat we willen willen’.

Dat iedereen weet wat aandacht is, zoals William James in 1899 beweerde in zijn The Principles of Psychology, wil er bij James Williams niet in. Hij denkt eerder dat niemand het echt weet. Maar, zegt hij, meestal hebben we het in de eerste plaats over onze aandacht als een soort zoeklicht. Het ronddolen van ons alledaagse bewustzijn dat zich van object naar idee naar gevoel naar object lijkt te verplaatsen. Het is op dit niveau dat we onze aandacht aan het ene schenken (of in het Engels ervoor ‘betalen’) maar niet aan het andere. ‘Je betaalt voor die extra aflevering Game of Thrones met het openhartige gesprek dat je met je angstige kind had kunnen hebben. Je betaalt voor dat extra uur op sociale media met de slaap die je ervoor inlevert en met het frisse gevoel dat je de volgende ochtend niet is gegund. Voor het lezen van die woede uitlokkende clickbait over die politicus die je haat betaal je met het geduld en de empathie die het je ontnam, en met de ergernis over het feit dat je in dat stuk aas hapte. We betalen onze aandacht met de levens die we hadden kunnen leiden.’

Maar Williams wil laten zien hoe de aandachtseconomie meer doet: hoe ze onze vrije wil corrumpeert en daarmee ook de fundamenten onder onze democratie aantast. Het gaat erom aandacht te zien als iets wat niet per se alleen momentaan bestaat. Aandacht is ook iets wat we door de tijd heen besteden. Behalve als zoeklicht kun je volgens Williams dan ook over aandacht spreken in termen van sterrenschijnsel en daglicht. Het schijnsel van de sterren draait om onze ‘broader capacities for navigating life by the stars of our higher goals and values’. Op dit niveau stelt aandacht ons in staat te zijn wie we willen zijn. Met onze aandacht op het niveau van het daglicht doelt Williams op onze ‘fundamental capacities – such as reflection, metacognition, reason and intelligence – that enable us to define our goals and values to begin with’. Het is op dit niveau dat aandacht ons in staat stelt te willen wat we willen willen.

In Williams kritiek op de wereld die hij in Silicon Valley achterliet, klinken dikwijls echo’s door uit Frankfurt – de Schule, niet de eerder genoemde filosoof Harry. In De revolutie van de hoop (1968) schreef Erich Fromm over ‘het beklemmende besef dat wij ons op een beslissende tweesprong bevinden: één weg voert ons naar de volslagen gemechaniseerde maatschappij waarin de mens een hulpeloos radertje in een gigantische machine zal zijn (…); de andere weg leidt tot een herleving van het humanisme van de hoop, dat wil zeggen tot een samenleving die de technologie geheel in het belang van het menselijk welzijn stelt’.

Staan we nog altijd op diezelfde tweesprong? Of zijn we al lang geleden een van beide wegen ingeslagen?

***

Wat Kuno zijn moeder in hoogsteigen persoon wilde vertellen was dit: hij had een weg naar buiten gevonden. Hij was zonder toestemming te hebben gevraagd op het onbewoonbaar verklaarde aardoppervlak geweest.

Hij was op een dag heen en weer gaan lopen op het spoortraject dat de verschillende kamercomplexen met elkaar verbond, in de hoop zijn gevoel voor ruimtelijkheid te hervinden. Hij wilde woorden als ‘ver’ en ‘nabij’, die in de kamer hun betekenis hadden verloren, weer terugwinnen. Maar de les die de ervaring hem bood was een grotere: ‘Man is the measure.’

Als hij tijdens zijn zwerftocht een zwakke plek in een van de muren van de tunnels ontdekt, graaft hij zich een weg naar buiten. De stilte is overdonderend: ‘The Machine hums! Did you know that? Its hum penetrates our blood, and may even guide our thoughts’, zegt hij tegen Vashti.

Hij wil haar uitleggen dat hij het bestaan van de mensheid voelde, dat hij zich bewust was geworden van de naakte mensheid. Al die buizen en knoppen en de hele machinerie, ze hebben niets van doen met de geboorte of het sterven van de mens. Ze doen er, denkt hij, niet eens werkelijk toe tijdens het korte leven dat de mens is gegund.

De Machine heeft onze lichamen en onze geest verlamd. En wat doen wij? Wij aanbidden haar

Het ontwaken van Kuno is een specifiek soort ontwaken. Het is geen confrontatie met een nieuwe werkelijkheid. Het is een besef nieuwe woorden te moeten vinden voor een werkelijkheid die er al lang en breed is.

Kunnen jullie niet zien, zegt hij tegen Vashti, dat het hier beneden de Machine is die als enige werkelijk leeft? We hebben haar misschien ooit gemaakt om uitdrukking te geven aan onze wil, maar dat is allang niet meer wat zij doet. Zij heeft ons beroofd van ons besef van ruimte, van ons tastgevoel, zij heeft elke menselijke relatie doen vervluchtigen en van de liefde een puur fysieke daad gemaakt. Zij heeft onze lichamen en onze geest verlamd. En wat doen wij? Wij aanbidden haar. ‘The Machine develops – but not on our lines. The Machine proceeds – but not to our goal.’

Kuno’s korte verblijf buiten eindigt als de Machine hem weer naar binnen werkt (iets met een grote worm) en hij het bewustzijn verliest. Wanneer hij bijkomt, is hij terug in zijn kamer. Zijn vrienden spreken honderduit tegen hem. Ze willen weten of hij de laatste tijd nog nieuwe ideeën heeft gehad.

***

‘Naar een humanisering van de technologische samenleving’ luidde de ondertitel die Erich Fromm zijn De revolutie van de hoop ruim een halve eeuw geleden meegaf. Je kunt erdoorheen bladeren en op vrijwel elke pagina iets aantreffen wat even bevreemdend herkenbaar is als het leven van Kuno en Vashti. In het hoofdstuk ‘Waar bevinden wij ons en waar gaan we heen’ valt het oog op een fragment over het ziekmakende ‘verdwijnen van het privéleven en van het persoonlijke menselijke contact’. In het volgende hoofdstuk, dat de nog mooiere titel ‘Mens zijn, wat betekent dat’ draagt, blijf ik hangen bij een korte overpeinzing over de devaluatie van het woord ‘interesse’, dat volgens Fromm, waar het ooit juist een diepe aandachtigheid aanduidde, iets oppervlakkigs is gaan betekenen. Hij illustreert zijn argument door het idee te contrasteren met dat van ‘nieuwsgierigheid’: een houding van passieve, niet te stillen honger naar oppervlakkige informatie die door de kwantiteit waarin ze voorradig is als substituut kan dienen voor de kwaliteit van echte, diepgaande kennis.

Het is een tegenstelling die verwant lijkt aan iets wat de Amerikaanse kunstenares Jenny Odell aanhaalt in haar onlangs in vertaling verschenen De macht van niets doen: Een radicaal verzet tegen de aandachtseconomie (Ten Have, 2020). In haar veelvormige zoektocht naar een antwoord op de vraag hoe te leven in de aandachtseconomie schrijft ze onder meer over Martin Bubers onderscheid tussen ‘Ik-Het’- en ‘Ik-Jij’-benaderingen van de ander (of het andere). Onze aandacht, schrijft Odell, stelt ons in staat onze instrumentele benadering van mensen en dingen te ontstijgen en, in plaats daarvan, ‘vrede [te] hebben met het ondoorgrondelijke feit van hun bestaan, dat zich voor ons opent, maar nooit volledig begrepen of bekend kan zijn’. In tegenstelling tot Ik-Het vertrekt Bubers Ik-Jij vanuit de ‘onherleidbaarheid en de absolute gelijkheid van de ander’. Net als Buber kan Odell voor een boom staan en overvallen worden door de onbevattelijke uniciteit van het ding. Of zoals Annie Dillard ooit schreef: ‘I never saw a tree that was no tree in particular.’

Odell noemt haar boek een gids voor het nietsdoen, als politieke daad van verzet tegen de aandachtseconomie. Het is een eigenzinnig en soms grillig boek, maar het biedt hoop op een moment dat niet anders dan als hopeloos valt te omschrijven. Odell schrijft vanuit de gedachte dat dat wat het leven het leven waard maakt niet valt te optimaliseren. Dat we in een verpieterd landschap van neoliberaal determinisme moeten zoeken naar verborgen bronnen. Dat we verlossing kunnen vinden in dat wat inefficiënt of ambigu is. Ze wil laten zien dat het mogelijk is onze aandacht los te weken van de aandachtseconomie. Dat we ons bewustzijn kunnen herplanten in een fysiek en publiek domein. De lans die ze breekt voor het bioregionalisme, de gedachte dat wij alleen inwoners zijn van een zeer locatiespecifieke, natuurlijke omgeving, en dat het cultiveren van een gelaagde verhouding tot die omgeving een bron van waarde en waardigheid kan zijn, is verfrissend.

Haar nietsdoen is een vorm van deprogrammeren, schrijft ze. Het is een handvat voor wie zich te zeer ontmanteld voelt om nog betekenisvol te kunnen handelen: besef hoe ook niet-handelen betekenisvol kan zijn. Maar het is geen zelfzuchtige of egoïstische daad. Odell beseft dat zorgen voor het eigen geestelijke welzijn een voorwaarde voor succesvolle politieke betrokkenheid is.

Het is niet moeilijk in Odells pleidooi een eeuwenoud ideaal te ontwaren: het verkiezen van nutteloosheid als het enige existentiële antwoord op de alomtegenwoordige, futiele bedrijvigheid van de mens. Haar lofzang is er een die door de hele menselijke geschiedenis heeft geklonken. Ze graaft de wortels uit tot ze bij Zhuang Zhi uitkomt, de vermaarde Chinese filosoof die rond het einde van de vierde eeuw voor Christus leefde. Het verhaal van ‘de nutteloze boom’ dat hij vertelt, valt bijna volledig samen met het verhaal van Old Survivor, een vijfhonderd jaar oude Redwood in de heuvels nabij Odells thuisstad Oakland. Het is de enige oorspronkelijke sequoia in het gebied. Zijn locatie en relatief geringe omvang hebben de boom waarschijnlijk door de eeuwen heen voor de kap behoed. De boom uit het verhaal van Zhuang Zhi verschijnt in een droom aan een houthakker die hem liet staan en zegt: ‘Vergelijk je mij met die nuttige bomen? (…) Als ik van nut zou zijn geweest, zou ik dan ooit zo groot zijn geworden?’ De boom verzet zich tegen het onderscheid tussen nut en waarde dat de houthakker maakt. ‘Wat is het punt hiervan – dingen die dingen veroordelen? U bent een waardeloze man die op het punt staat te sterven – hoe kunt u weten dat ik een waardeloze boom ben?’ >

Maar wat is één boom? Is dat een succesverhaal? Of het levende bewijs van een immens en onomkeerbaar verlies?

***

Niemand geeft toe dat de Machine zich aan elke vorm van controle heeft ontworsteld. ‘Het was gemakkelijk zo’n situatie te tooien met de naam vooruitgang. Ieder jaar werd zij gevoed met toegenomen efficiëntie en afgenomen intelligentie. Hoe helderder ieder individu zijn eigen rol zag, hoe minder hij begreep van die van zijn buurman, en over de hele wereld was niemand te vinden die het monster nog in zijn geheel kon bevatten.’

De mensheid had zich in zijn zucht naar comfort te ver uitgestrekt. Stilletjes en zelfgenoegzaam zakte men weg in decadentie. ‘Progress had come to mean the progress of the Machine.’

Op een dag belt Kuno zijn moeder op. Hij weigert haar zijn gezicht te tonen via de blauwe plaat in haar handen. Vanuit de duisternis zegt hij op ernstige toon: ‘The Machine stops.’

Vashti gelooft hem niet, maar algauw wordt duidelijk dat hij gelijk heeft. Als het eenmaal zover is, en alles uit elkaar begint te vallen, is de stilte overdonderend, zo overdonderend dat ze er bijna aan onderdoor gaat. Vele anderen overleven deze eerste stilte niet. Vanaf hun geboorte waren ze omgeven door het gelijkmatige gebrom van de Machine. Het was voor de oren wat de kunstmatige lucht was voor de longen.

Het woord ‘vooruitgang’ heeft elke andere betekenis dan die van vermeerdering verloren
***

Het probleem is niet per se ingewikkeld. Het is hardnekkig en het is alomvattend maar we weten wat het is. En toch: als alles maar één keer gezegd kon worden, veranderde er nooit iets. En het is beter iets belangrijks te herhalen dan uit ijdele motieven origineel te willen zijn. Het probleem is het alles verzengende idee dat wat te gelde gemaakt kan worden, te gelde gemaakt moet worden. Ook als het onze private gedachten zijn, onze zielenroerselen en onze innerlijke beweegredenen. Het is het geloof dat waarde alleen in munteenheden uit te drukken valt en dat het woord ‘vooruitgang’ elke andere betekenis dan die van vermeerdering heeft verloren. De Machine die wij hebben gebouwd rooft onze data, zeggen we, maar zelfs dat is nog een eufemisme. De data worden geroofd omdat ze een middel vormen in de jacht op onze aandacht. Het is onze aandacht die in de Machine verdwijnt, die de basis vormt voor nieuwe voorspellingen over toekomstig gedrag, voorspellingen die kunnen worden verhandeld. Met als resultaat een almaar verfijnder systeem van extractie en manipulatie. ‘These are our new empires of the mind, and our present relation with them is one of attentional serfdom’, schrijft James Williams.

De binnenkant van ons hoofd geldt als laatste potentiële wingewest. Er wordt roofbouw gepleegd op onze verbeelding van de toekomst, op het denken over de wegen die voor ons open liggen.

Onze aandachtspatronen bepalen hoe de werkelijkheid in ons hoofd vorm krijgt, schrijft Odell, en ze houden daarmee rechtstreeks verband met wat we mogelijk achten.

De grenzen van onze aandacht vormen de grenzen van onze wereld. En datzelfde geldt voor de taal. Pas met het zoeken naar woorden vinden we onze weg naar buiten.

Zolang als het herwaarderen van de nutteloosheid als antwoord wordt gezien, zolang al schiet het hopeloos tekort. Een collectief probleem is nog nooit individueel opgelost. Macht buigt alleen voor tegenmacht. Er is nog nooit een bruut monopolie geweest dat niet door een wet bedwongen kon worden. Man is the measure. Elk verzet is gegrond in de gedachte dat niets vanzelfsprekend is. Dat ook de Machine op een dag de geest kan geven. Hoop is de wetenschap dat dat wat vandaag niet weg te denken lijkt, morgen kan wankelen en overmorgen onwerkelijk en vreemd kan toeschijnen. Was dat wie wij waren? Was dat wat wij deden?

***

Mijn moeder had gemopperd tegen haar schoondochter. Dat ik op mijn verjaardag, toen we elkaar voor het eerst in heel veel weken langer dan een paar minuten zagen, zoveel met mijn telefoon in de weer was geweest.

Ze had gelijk, natuurlijk. Wat kan ik zeggen, behalve sorry? Dat als mijn falen voor een ontwikkelaar in Silicon Valley succes betekent, ik niet zeker weet wie van ons er moet worden aangesproken op zijn prioriteiten?

Laat er geen misverstand over bestaan: ik voel de Machine, iedere minuut van iedere dag. Ik hoor het zachte gebrom vanaf het moment dat ik ’s ochtends ontwaak tot het moment waarop ik ’s avonds mijn ogen sluit. Maar ik baad in het comfort. Hoezeer ik me in het diepst van mijn gedachten Kuno mag wanen, ik ben Vashti tot in mijn diepste vezels. Ik ben verknocht aan alles waarvan ik weet dat het waardeloos is. Aan alles waarvan ik weet dat ik er geen groter genot aan beleef dan het kleinst mogelijke genot.

De Amerikaanse dichter Mary Oliver noemde de wereld onze aandacht schenken ooit ‘our endless and proper work’. En in het gedicht ‘The Summer Day’ schreef ze:

I don’t know exactly what a prayer is.
I do know how to pay attention, how to fall down
into the grass, how to kneel down in the grass,
how to be idle and blessed, how to stroll through the fields,
which is what I have been doing all day.
Tell me, what else should I have done?
Doesn’t everything die at last, and too soon?
Tell me, what is it you plan to do
with your one wild and precious life?

***

Dat de baby van tien weken alleen slaapt in een draagdoek was minder verontrustend geweest als het kind van twee inmiddels wel had geleerd zichzelf moeiteloos over te geven. Maar ook zij weigert nog regelmatig. Vlak voor het uur u trekt alles, zo lijkt het, haar aandacht. Als de zilveren bal in een flipperkast schieten haar gedachten heen en weer. Van een naderende verjaardag via de tandarts die ze weldra voor het eerst zal bezoeken naar dat wat allemaal weer mag als de regels eindelijk voorbij zijn. Het zoeklicht van haar aandacht schijnt in alle windrichtingen op zoek naar de toekomst.

Ik wacht geduldig aan de rand van haar bed totdat het geraas wegebt en ze tot bedaren komt. Het is elke avond gekmakend, maar gemakkelijk te dragen in de wetenschap dat wat nu voorbij gaat nooit terugkomt.

Ook ik voel mijn eigen aandacht zoeken naar een uitweg. Ik voel mijn telefoon branden in mijn zak.

Kun je een grotere afgrond in jezelf tegenkomen dan naar je kind kijken en naar een scherm verlangen? Ik weiger mezelf schuldig te voelen: dat verlangen is daar geplant en die daad is onvergeeflijk. Je kunt, denk ik, heel veel menselijkheid verliezen voordat je op een dag niet langer als mens herkenbaar bent.

Vlak voordat het zo ver is, zie ik hoe ze in een dier verandert. Hoe haar bed een nest wordt wanneer ze zich erin wentelt. Hoe ze zich, als de strijd is gestreden, overgeeft.