Zijn er nog schrijvers zonder prijzen?

Er kan een nieuw woord worden toegevoegd aan de Nederlandse taal: ‘nominabel’. Nadat twee keer achter elkaar anderen hem, met de finish in zicht, een neuslengte voor waren gebleven en hij als de Joop Zoetemelk van de literatuur was bestempeld, sprak Nicolaas Matsier afgelopen week in NRC Handelsblad de hoop uit voor het leven genomineerd te blijven. Analoog aan het mooie woord ‘professorabel’, dat stamt uit lang vervlogen, tijden toen het hoogleraarschap nog eerbiedwaardig en begerenswaardig was, muntte Matsier het begrip ‘nominabel’.

Jawel, het woord rijmt ook op ‘abominabel’, maar Matsier bedoelt het heus heel optimistisch: hij zou voortaan graag nominabel willen zijn, schrijft hij blijmoedig. Want als nominabel auteur tors je niet de last van een echte literaire prijs op je schouders, maar draag je een vederlichte belofte met je mee, een tot niets verplichtend brevet van geschiktheid, een beker zonder gewicht. Een virtuele beker kortom. Dat Matsier inmiddels met het winnen van de Mekkaprijs een zware bokaal in de wacht heeft gesleept, spijt hem vast.
Tegelijkertijd doet het er niet zoveel toe. In feite leven we in een literair klimaat waarin elke schrijver nominabel is. Elke schrijver komt ook vroeg of laat aan de beurt om de virtuele beker of cheque voor een echte in te ruilen. Vroeg of laat is er wel een lauwering die hem of haar op het lijf is geschreven. Naast de honorabele prijzen van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en de staat zijn er de Geertjan Lubberhuizen-, Anton Wachter-, Van der Hoogt- en Debutantenprijs voor de beginnelingen; de Anna Bijns- en Annie Romeinprijs voor de veronachtzaamde vrouwen; de Henriette Roland Holstprijs voor de sociaal bewogenen; de Johnny van Doornprijs voor de performing poets; de Otto von der Gablentzprijs voor de auteurs die bijdragen aan een betere verstandhouding tussen Nederland en Duitsland; de Anne Frankprijs voor boeken over de oorlog; de Anna Blamanprijs voor hen die wonen of werken in het Rijnmondgebied; et cetera, et cetera. Er is de keuze tussen de Gouden Uil, de Gouden Ganzeveer, het Gouden Ezelsoor of de Gouden Strop. Er zijn de lauwerkransen die verwijzen naar grote dode auteurs: de Kellendonk-, Multatuli-, Busken Huet-, Bordewijk-, Constantijn Huygens- of Du Perronprijs. En er zijn de door giganten - Ako, Libris, ECI, VSB, Audax - gesponsorde bekroningen. Er zijn - ach, je wordt bij deze onvolledige opsomming al duizelig.
Voor een artikel in Ons Erfdeel telde Sarah Verroen zes officiele staatsprijzen, zestien gemeentelijke literaire prijzen en veertig particuliere prijzen. In 1881 zag, na lange discussies over de noodzaak ervan, de eerste literaire prijs het licht, in 1947 werd de P. C. Hooftprijs ingesteld, sindsdien moeten we de weg zien te vinden in een woud van literaire bekroningen. Wie is de weg nog niet kwijt? De laatste twee jaar zijn er zeker meer dan vijf nieuwe prijzen bij gekomen. Er is, op een enkele gezaghebbende prijs na, sprake van een totale nivellering, de meeste lauweringen zijn volkomen nietszeggend geworden. (Nu ja, die cheque is natuurlijk wel mooi meegenomen.) Het kostte Verroen veel speurwerk om te traceren wie nog nooit een literaire prijs heeft gewonnen. Zoveel is duidelijk: met blijvende literaire waarde hebben de bekroningen lang niet altijd van doen. Kent u de auteurs Gery Helderenberg, Rene Verbeeck, Jos de Haes en Walter Haesaert? Gezamenlijk schreven ze maar liefst 33 literaire prijzen op hun naam.
In een tijd dat het uitreiken van literaire prijzen nog een plechtige aangelegenheid was, schreef Menno ter Braak: 'Alle bekroning van literatoren heeft noodzakelijkerwijze, zou ik haast zeggen, iets belachelijks. Het is alsof men de schrijver een brevet van bekwaamheid wil uitreiken, dat hij nooit heeft verlangd; door de toekennning van de prijs trekt men hem als het ware in het objectieve, dat hem vreemd behoort te zijn.’ Natuurlijk heeft Ter Braak gelijk: boeken zijn niet objectief vergelijkbaar, schrijvers dragen geen rugnummers, er is geen finishdraad die onomstotelijk vaststelt wie de beste is. Ter Braak heeft niet kunnen bevroeden dat het bekronen van literatoren altijd belachelijker kan.
Het 'in het objectieve trekken’ dat Ter Braak constateert, heeft met het invoeren van publieksjury’s, schaduwjury’s, scoreborden en openbare puntentellingen groteske proporties aangenomen. Over het 'literaire ongelukje’ dat de uitreiking van de Ako-prijs door Sonja Barend was, zijn inmiddels veel woorden vuil gemaakt. De gewraakte televisie-uitzending is vergeleken met een veemarkt, fruitmachine, Songfestival, kunstrijdwedstrijd, missverkiezing en literair volksgericht. De vergelijkingen logen er niet om, maar het pijnlijke is nu juist dat het ongelukje meer is dan een incident. De Ako-uitreiking maakte een aantal algemene tendensen zichtbaar: een literaire bekroning moet een smakelijke cocktail van spanning, sensatie en amusement bieden; het gebeuren moet de gemiddelde Nederlandse lezer aanspreken; de geheimzinnigheid van de unanieme jurybeslissing moet vermeden worden. Want of je nu in de kranten over de Audax- columnistenprijs leest, over de Debutantenprijs of over de Gouden Uil, die tendensen zijn overal terug te vinden. Hoe beschaafd en ingetogen het geheel ook uitpakt.
De Nederlandse schrijvers bevinden zich intussen in een lastig parket. Op het spectaculaire prijzenfront valt steeds meer geld te verdienen - het cliche is niet waar: schrijvers zijn niet graag arm - en tegelijk is het literaire belang van de prijzen hevig aan inflatie onderhevig. Daarbij wordt de wijze van jureren steeds vernederender en sadistischer. Elke zichzelf respecterende prijs werkt inmiddels met nominaties, sluit dus een expliciet wedstrijdelement in. Nog afgezien van het unieke klapbordjessysteem dat bij Sonja Barend werd gehanteerd: welke genomineerde auteur woont graag een openbaar jurydebat bij, al is het door een schaduwjury? Welke schrijver vindt het prettig de camera’s op hem gericht te krijgen als de prijs net aan hem voorbij gaat?
Er zijn auteurs die niet meer wensen mee te doen aan de dans der nominees. Ze zenden simpelweg hun boek niet meer in. Toen H. J. A. Hofland werd genomineerd voor de Audax-columnistenprijs ging hij niet naar de uitreiking, zoals ook Frida Vogels en Springer niet voor de Ako kwamen opdraven. 'Ik zet mijn schoen’, schreef Hofland hoopvol onder zijn column. Springer stuurde een kartonnen pop naar Sonja. Misschien is dat de beste strategie: stuur een pop, zet je schoen. De literaire- prijzenregen heeft toch al veel weg van een loterij. Iedereen is nominabel. Iedereen komt aan de beurt.