Friedrich Schiller, Zijn leven

Zijn leven

Marie Haller-Nevermann

Friedrich Schiller: Ich kann nicht Fürstendienr sein. Eine Biographie

Aufbau-Verlag, 304 blz., € 24,90

Claudia Pilling, Diana Schilling,

Mirjam Springer

Friedrich Schiller

Rowolt Taschenbuch Verlag,

159 blz., € 8,50

Jörg Aufenanger

Friedrich Schiller: Biographie

Artemis & Winkler Verlag,

327 blz., € 24,90

Johannes Lehmann

Unser armer Schiller: Eine respektlose Annäherung

Silberburg-Verlag, 335 blz., € 21,90

Eva Gesine Baur

Mein Geschöpf musst du sein: Das Leben der Charlotte Schiller

Hoffmann und Campe,

432 blz., € 24,95

Friedrich Schiller

De opstand der Nederlanden

Vertaald door Wilfred Oranje; nawoord en annotatie Eric Moesker

Boom, 497 blz., € 35,-

Friedrich Schiller was geen goed arts, maar als patiënt is hij ook voor hedendaagse medici nog een groot raadsel. Als regimentsarts schreef hij riskante medicijnen in veel te hoge doseringen voor, zoals Marie Haller-Nevermann in haar fraai geïllustreerde biografie schrijft. In deze psychologisch interessante studie staat een afbeelding van het enige handgeschreven recept dat van Schiller bewaard is gebleven. Op het recept staat braakwater, met de instructie om onmiddellijk de helft ervan in te nemen. Zonder dat Schiller het in de gaten had verlaagde zijn chef, dokter Johann Friedrich Elwert, regelmatig de door Schiller voorgeschreven doseringen. In elk geval was Schiller met zijn behandelingen consequent. Niet alleen zijn patiënten kregen excessieve doses medicijnen, hijzelf nam die ook. Toen Schiller in september 1783 een ernstige aanval van malaria kreeg, probeerde hij die te couperen met een streng dieet en een overdosis chinarinde. Met als gevolg een irreversibele beschadiging van de maag en een chronische maagontsteking.

Schiller was ongetwijfeld een betere dichter en toneelschrijver dan dokter. Een man die nooit te koop liep met zijn zielenleven. In zijn brieven schreef Schiller zelden iets over zichzelf en dan voornamelijk alleen aan zijn beste vriend Christian Körner. Sinds zijn jeugd tobde Schiller met een zwakke gezondheid, die hij de baas probeerde te blijven met zijn sterke wil. Niet vreemd dus dat hij chronisch overwerkt was. Haller-Nevermann ziet Schillers stemmingswisselingen als gevolg van zijn lichamelijke conditie. Ging het met zijn gezondheid beter, dan was hij eufoor en kon hij zijn geluk niet op. Maar al gauw zette een nieuwe inbreuk op zijn gezondheid een domper op zijn enthousiasme, waarna hij somber en neerslachtig werd.

Zijn latere vriend, de acht jaar jongere Wilhelm von Humboldt, beschouwde Schillers genie van dichter als aangeboren. Het was al in zijn eerste werken te zien. Maar Schiller zelf twijfelde in het begin. Volgens Von Humboldt, die hem mateloos bewonderde, was Schillers dichtersgenie verbonden met al zijn diepten en hoogten. Een romantische opvatting wil dat vooral dichters behept zijn met een manisch-depressieve inslag. Niettemin ontbreekt Schiller volledig in Touched with Fire: Manic-Depressive Illness and the Artistic Temperament (1993) van de Amerikaanse psychiater Kay Redfield Jamison, die zelf manisch-depressief was.

In Genie, Irrsinn und Ruhm (1967), waarin W. Lange-Eichbaum en W. Kurth de ene na de andere kunstenaar zowel lichamelijk als psychiatrisch ontleden, vind je bij Schiller: «Roodblond haar en blonde wenkbrauwen, ongeveer 1.79 meter lang en mager. Kleine hersenen minder ontwikkeld, de vorm van het hoofd meer rond dan lang, passend bij het genie.» Behalve nietszeggende psychoanalytische opmer kingen over neurose en oedipuscomplex vermelden de schrijvers dat Schiller vanaf zijn 22ste jaar ziek was, met griep, malaria en tuberculose en dat zijn kwalen almaar toenamen. Tot de zesde dag van zijn fatale ziekte in 1805 had Schiller zelf niet in de gaten dat hij ernstig ziek was. Vanaf 6 mei 1805 voelde hij zich doodziek. Als doodsoorzaak wordt longontsteking of acute vergiftiging genoemd. Bij obductie was sprake van pleuraempyeem, buikabces, ontsteking van longen, luchtwegen, hartspier, buikvlies, nieren, milt, neusbijholtes en kaakholtes. De obducent verbaasde zich erover dat Schillers lichaam het nog zo lang had uitgehouden.

Ten slotte wordt gezegd dat er een mysterieus waas over Schillers dood hangt (moord om politieke redenen?). Het gaat om een man met een lichamelijk asthene en sterk neurotische persoonlijkheid, maar over manisch-depressiviteit lezen we geen woord.

Marie Haller-Nevermann ziet bij Schiller in de verte het onbewuste van Freud opdoemen. Jörg Aufenangers verhaal is spannend geschreven, met van meet af aan de sombere ondertoon van ziekte en melancholie. De biograaf herleidt Schillers onvermogen om domweg gelukkig te zijn tot diens streng christelijke (piëtistische) opvoeding. Toch breekt regelmatig enig licht door, waarbij de schrijver Schiller in de tegenwoordige tijd met vrienden laat praten. Aufen anger is bovendien erg precies in zijn beschrijvingen van Schillers jeugd. Hij laat zich licht ironisch uit over de relatie tussen Goethe en Schiller. Voor Goethe was een dode Schiller de beste.

Een enfant terrible is Johannes Lehmann, die dit heikele punt tot absurde proporties uitvergroot. Zijn biografie is meer een afrekening met Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), die hij in de hoek plaatst van geslepen politicus, door wie Schiller abject is behandeld. Hoe innig kun je die vriendschap nu helemaal noemen als Goethe wegblijft bij Schillers begrafenis en de herdenkingsdienst, vraagt hij zich af.

Ter verdediging van Goethe wordt vaak gezegd dat Goethe niet tegen ziekte kon en nog minder tegen de dood. Het is waar dat Goethe er financieel warmpjes bijzat en dik bevriend was met Carl August, de hertog van Weimar. Die twee tutoyeerden elkaar tenminste wél. De relatie tussen Schiller en Goethe is altijd formeel, schrijft Lehmann. Hoewel Schiller en Goethe in elf jaar tijd meer dan duizend brieven aan elkaar schreven, bleef het Sie en werd het nooit Du. Schiller was volgens Lehmann goed genoeg om de muze of aanjager van Goethe te zijn, toen de bron van diens literaire productie al lang en breed was opgedroogd. Het is waar dat Goethe en Schiller in de tuin bij Schillers huis in Jena urenlang met elkaar spraken over kunst en wetenschap. En voor de schouwburg in Weimar staat een standbeeld met Goethe en Schiller gebroederlijk bijeen op één sokkel. En zeker, ze liggen naast elkaar begraven in het hertogelijk graf in Weimar. Maar het beeld van de innige vriendschap klopt niet, schrijft Lehmann.

Met Schillers dood en begrafenis is iets duisters aan de hand. Schiller werd in de nacht van 11 op 12 mei 1805 in een massagraf gelegd, kort na middernacht. Sommigen beweren dat hij werd vermoord en dat Goethe hier de hand in heeft gehad. Dat laatste kan Lehmann niet hard maken, maar het blijft vreemd dat Goethe bij Schillers begrafenis en herdenkingsdienst verstek liet gaan.

Toch is Lehmanns biografie niet alleen maar amusant of prikkelend, maar ook van nut doordat hij Schillers Nachleben uit de doeken doet. In de twintigste eeuw maakten zowel de nazi’s als het Politburo van de DDR Schiller tot hun held. Goebbels zei in 1934: «Denn er war unser.» Hetzelfde had Goethe enige tijd na Schillers dood ook geroepen. Welbegrepen eigenbelang. Volgens Schiller-kenners moeten we Lehmanns verhaal met een flinke schep zout nemen, maar zijn boek leest als een trein.

Al even apart is de biografie van Eva Gesine Baur, die het op haar beurt opneemt voor Schillers vrouw. Haar uitgangspunt komt bijna neer op een soort rehabilitatie van Charlotte Schiller, die de geschiedenis is ingegaan als een brave, nietszeggende vrouw met een zus op wie haar man eigenlijk meer was gesteld. Baur ontzenuwt de mythe van het gelukkige gezin met vier kinderen met die leuke vader waar niks bijzonders gebeurde. Nee, Schiller was helemaal niet zo’n aardige jongen. Ze had haar boek beter Onze arme Lotte kunnen noemen.

En er is het uitstekende essay van Eric Moesker, opgenomen als nawoord bij De opstand der Nederlanden, dat met de boekenweek verschijnt. Het boek bevat tevens twee latere werken van Schiller: Het beleg van Antwerpen en Terechtstelling van Egmond en Hoorne. Schitterende literatuur.

Moesker opent zijn essay met de vlucht uit Stuttgart van Schiller, die het leven als regimentsarts zat was en onder het juk van de hertog uit wilde. Je kunt ook zeggen dat Schillers dichtersbloed kriebelde. Op 22 september 1782 vluchtte hij de stad uit. Zijn vriend Andreas Streicher kwam hem om acht uur ’s morgens ophalen. Bij het inpakken van zijn spullen stuitte Schiller op de gedichten van Klopstock. Hij raakte erdoor gegrepen en las ze als een bezetene. Laat me nog een gedicht terugschrijven, zei Schiller. Pas laat in de avond konden ze weg. Je stelt je bij een vlucht iets meer tempo voor. Schiller bleef nog lang bevreesd voor de hertog. Pas vele jaren later durfde hij opnieuw Stuttgart te bezoeken.

Friedrich Schiller groeide als tweede kind met vijf zussen op in Marbach aan de Neckar. Als baby was hij al teer en ziekelijk, wat zich later voortzette op school. Zijn moeder, Elisabeth Dorothea Kodweiss, was een angstige vrouw en zijn vader was streng. Hij was chirurgijn en diende als officier onder de hertog van Württemberg Carl Eugen (1737-1793). Schiller raakte als kind onder de indruk van de retoriek en de inhoud van de preken van de verlichte dominee Moser. Zelf speelde Schiller graag voor dominee, op een stoel, tot groot vermaak van zijn ouders. Op school was hij een vlijtige leerling.

In zijn jeugd was Schiller schuw en teruggetrokken met een weinig ontwikkeld lichaamsgevoel. Zijn houding was stijf, zijn motoriek houterig en onhandig. Hij deed nooit mee met dansen. Hij gebruikte koffie, snuiftabak en slechte wijn als hij aan het werk was. Bij bezoek concentreerde hij zich op het gesprek met de ander en bleek hij een bescheiden persoon met een behoorlijke hoeveelheid zelfkritiek. Toen hij later een gevierd toneelschrijver werd, vermeed hij de confrontatie met het bewonderende pu bliek.

De hertog was een despoot die op Schillers school met harde hand regeerde. Hij bepaalde dat Schiller, die eerst theologie in Tübingen studeerde, beter rechten kon doen. Uiteindelijk wijzigde de hertog dit plan op instigatie van Schillers leraar Abel. Schiller moest arts worden. Zelf had hij niets in te brengen. En zo werd hij met 21 jaar regimentsarts van 420 grenadiers in Stuttgart.

Maar het dichterschap en de vrijheid lokten hem en hij vluchtte. Veel biografen zien Schillers vrijheidsdrang als gevolg van een diepe afkeer van de tirannieke hertog. Toen deze in 1793 stierf, schreef Schiller aan zijn vriend Körner dat de «oude Herodes» dood was, de moordenaar van zijn vrijheid.

Schiller was voor de vrijheid, maar niet tot elke prijs. Al vóór de Franse Revolutie propageerde hij vrijheid, gelijkheid en broederschap, maar hij deinsde terug voor de uiterste consequenties. Het ligt voor de hand dat Schillers opvoeding, die in het teken stond van onderdanig gedrag jegens het gezag, daar debet aan was. In 1784 noteerde hij de gedenkwaardige regels: «Ik schrijf als wereldburger, die geen vorst dient. Vroeg verloor ik mijn vaderland, om het te verwisselen met de grote wereld. Die Räuber kostten mij familie en vaderland.»

Gohlis, nu een wijk van Leipzig, was in 1785 een dorp met boerenhuizen. In die zomer nam Schiller er zijn intrek in het huis van vrienden. Als dank voor de gastvrijheid schreef hij het beroemde An die Freude, en werkte er aan Don Karlos, over de opstandige zoon van de Spaanse koning Philips II. Afgelopen zomer bezocht ik dat huis. Op de eerste verdieping loop je de kamer binnen waar de dichter aan zijn beroemde hymne heeft gewerkt. De tekst van het lied ligt er te kijk: «Freude, schöner Götterfunken,/ Tochter aus Elysium,/ Wir betreten feuertrunken/ Himmlische, dein Heiligtum./ Deine Zauber binden wieder,/ Was der Mode Schwert geteilt;/ Bettler werden Fürstenbrüder,/ Wo dein sanfter Flügel weilt.» Bij Beethoven is Bettler werden Fürstenbrüder gewijzigd in Alle Menschen werden Brüder. En zo kent bijna iedereen het. In de totaal zestien strofen zijn alle kenmerken van Schiller samengebald: idealistisch, pathetisch, impulsief en revolutionair, met een hartstochtelijk verlangen naar liefde, geborgenheid en lichtheid. Vrijheid en opstand tegen de tiran zijn in vrijwel al Schillers toneelstukken terug te vinden.

Ondertussen moeten we proberen een beeld te vormen van Schiller: een foeilelijke man, al zagen zijn bewonderaarsters dat uiteraard anders. Een lange slungel met x-benen en rood peenhaar, een haakneus, voortdurend knipperende ogen en een afgrijselijke piepstem, geaccentueerd door zijn boerse Zwabische tongval. Hij kon moeilijk stilzitten. De beeldhouwer Dannecker kon hem pas goed vereeuwigen toen Schiller in slaap was gevallen. Een ander verhaal zegt dat hij een druk figuur was, die in vervoering nog wel eens een wijnglas kapot kneep. Het slot van het verhaal is raadselachtig. Om te beginnen de ziekte waaraan Schiller zou hebben geleden. Als kind was hij vaak ziek, waardoor hij soms wekenlang niet naar school ging. Op volwassen leeftijd kreeg hij malaria, waarvan hij nooit meer helemaal zou zijn hersteld. Hoe je dat medisch moet zien is onduidelijk. Getuigen zeggen dat hij vaak hoge koorts, darmkrampen en een moeilijke stoelgang had. Zelf noemt Schiller een keer hypochondrie (in vroeger tijden synoniem voor melancholie of depressie), waarna een rijtje symptomen volgt dat herkenbaar is als depressie. Dus toch een sombere stemming?

Ondanks zijn zwakke gezondheid kon Schiller enorm veel werk verzetten. In 1804 voltooide hij in zes weken tijd Wilhelm Tell, een stuk dat de nazi’s in 1941 verboden omdat het openlijk oproept om de tiran te vermoorden. Op de kalender schreef de dichter een productieplan tot zijn vijftigste, in 1809. Hij had nog grootse plannen, zoals past bij een gedreven, wellicht manisch mens. Maar op donderdag 9 mei 1805 hield zijn leven op. Op grond van de symptomen is geen zekere doodsoorzaak vast te stellen. Men houdt het op darm tuberculose, ge volgd door longontsteking. Zeker is dat de artsen met aderlaten, bloedzuigers en purgeermiddelen zijn toch al zwakke gezondheid verder ondermijnden. En hoewel manisch-depressieve ziekte (of bipolaire stoornis) vaak bij dichters voorkomt, kun je die conclusie bij Schiller niet echt hard maken.

Er wordt wel beweerd dat Schiller niet een natuurlijke dood gestorven is en dat hij niet stierf ten gevolge van tuberculose, maar van vergiftiging door de vrijmetselaars – die boos waren omdat Schiller geen lid wilde worden van hun club. De wildste speculatie is dat Goethe hier achter zat.

Het ligt eerder voor de hand dat Schillers lichaam werd gesloopt door een zwakke gezondheid en een tomeloze energie. Hilarisch is dat in het graf naast Goethe twee skeletten van Schiller liggen en dat een van de schedels die aan Schiller worden toegeschreven volgens experts die van een vrouw is.

Generaties na Schiller wilden hem als hun held eren. In 1934 werd de universiteit van Jena omgedoopt tot Friedrich Schiller Universiteit. In dat 175ste geboortejaar bracht Adolf Hitler een bezoek aan Schillers huis in Weimar, in burgerkleding en met in zijn hand een hoed. In 1955 riep het Politburo van de communistische partij in de DDR Schiller uit tot een echte volkstribuun. In het andere Duitsland hield Thomas Mann in 1955 en 1959 ook al toespraken ter ere van Schiller.

Vast staat dat Schiller een bijzonder mens was, een genie. Hij liep vooruit op de Franse Revolutie, die hij toejuichte. Maar toen hij hoorde dat ze koning Lodewijk XVI onder de guillotine wilden leggen, protesteerde hij fel. Schiller was geen historicus die plezier had in bronnenonderzoek; hij componeerde liever een spannend verhaal. «Het genie van iemand kun je niet uit zijn leven verklaren», schrijft Lehmann terecht. Genie is je gegeven of niet, je kunt het niet leren of door inzicht verkrijgen. Maar de motieven, successen en mislukkingen kun je wél uit iemands leven verklaren. Als je Schillers leven hebt bestudeerd, weet je niet waar zijn taalvirtuositeit vandaan kwam, maar als je denkt aan Carl Eugen, van wie Schiller geen enkele speelruimte kreeg, begrijp je wel waarom vrijheid en tirannenhaat de thema’s van zijn leven waren. In zijn hart is hij misschien toch altijd bang gebleven. Schiller was idealist, maar geen chaoot, ruziemaker of moordenaar. Er mocht geen bloed vloeien. Tenslotte moeten we allemaal wereldburgers zijn.