Drie Shakespeare-biografieën

Zijn leven wás theater

Shakespeare is er gelukkig altijd. Maar de biograaf die iets wil toevoegen aan de kasten vol boeken over hem, moet echt iets te beweren hebben. Een enkele keer lukt het.

Altijd als de vraag wordt opgeworpen waarom de eerste 126 sonnetten van Shakespeare (een ruime meerderheid van de totale 154) zijn opgedragen aan een jongen duikt de naam op van de derde graaf van Southampton, ze ven jaar jonger dan de dichter en in het begin van diens loopbaan mecenas én vriend, naar verluidt een betoverend mooie jongen. Talrijk zijn de speculaties over intieme vriendschap, of zelfs een homoseksuele relatie. Die was overigens ondenkbaar: consumeren van de mannenliefde betekende de doodstraf. Pikant moet de vriendschap in elk geval zijn geweest. Toen de sonnetten, in een niet door de dichter geautoriseerde versie, in druk verschenen, getroostte de graaf zich net zo veel moeite om de uitgave te verhinderen als de dichter zelf. En: Southampton zat in het complot tegen koningin Elisabeth I in 1601, waarvoor hij twee jaar in de Tower-gevangenis belandde.

Maar ís deze derde graaf van Southampton werkelijk de enige jongen die Shakespeare in gedachten had bij die reeks sonnetten? Dat wordt betwijfeld in de documentaireserie In Search of Shakespeare, die de BBC in juli uitzond en die deze weken wordt herhaald (BBC1). Het blijkt dat als Shakespeare aan zijn sonnetten begint (het Londense theaterleven ligt dan stil vanwege een pestepidemie) in zijn persoonlijk leven een zware crisis doormaakt. Zijn zoon Hamnet sterft op elfjarige leeftijd. Shakespeare is met zijn toneelspelers op tournee in Kent. Hij zit dus niet aan het sterfbed, is zelfs niet bij de begrafenis, en hoort waarschijnlijk pas veel later over de dood van zijn eerste zoon. Zou het niet kunnen, vragen de makers van de serie zich af, dat de verdrietige en schuldbewuste vader een poëtische vorm zoekt om lieve raadgevingen te formuleren aan de puber die Hamnet nooit kon worden? Het is speculatie. Maar íedere Shakespeare-biografie is een wandeling op drijfzand.

De Poolse Shakespeare-kenner Jan Kott beweerde dat je levensmoe moet zijn om een nieuwe biografie toe te voegen aan de immen se berg die er al is. Stanley Wells lijkt allerminst levensmoe. De emeritus hoog leraar voltooide onlangs een gloednieuwe vuistdikke biografie, Shakespeare For All Time. Wells weet dat een goed college opent met een tekst die de luisteraars bij de les houdt. Hij begint dit boek aldus: «Shakespeares naam werd op 26 april 1564, in het Latijn, bij geschreven in het doopregister van Stratford-upon-Avon. De man die dat deed was waar schijnlijk John Bretchgirdle, vanaf 1561 de predikant. Hij was een vrijgezel die zijn geld uitgaf aan wetenschappelijke boeken. Toen hij het jaar daarop stierf, liet hij zijn Latijns-En gelse woordenboek na aan de leerlingen van de grammar school in Stratford. Aldus leverde hij zijn bijdrage aan de latere opvoeding van de baby die aan de doopvont in de Holy Trinity Church, die er trouwens nog altijd staat, in zijn armen had geschreeuwd en gekwijld.»

In de eerste helft van zijn biografie toont Wells zich de schoolmeester bij wie je graag in de klas had willen zitten. Hij is een meeslepend verteller en een erudiet pedagoog, die citeert zonder het dédain van de afstandelijke wetenschapper. Hij wil dat zijn lezers van Shakespeare gaan houden. Maar niet op de romantische wijze van popu listische scribenten, die Shakespeare neerzet ten als een hit writer die zich neukend, dichtend, oneliners en topdialogen verzinnend een weg baande door de nieuwe theaterscene van het zestiende-eeuwse Londen. En vrouw en kinderen twintig jaar aan hun lot overliet in Stratford.

«Shakespeares stukken», schrijft Wells, «zijn het product van een intense activiteit van verbeeldingskracht en intellect. Om die stukken te schrijven had hij ruimte en rust nodig. En boeken. Hij had een prachtig huis in Stratford waar dat allemaal voorhanden was. Het is niet voor te stellen dat hij niet iedere kans aangreep om daar te zijn.» Shakespeare, concludeert Wells, «was, I suspect, our first great literary commuter», onze eerste lite raire forens. Wells roemt het «fundamental brainwork» dat nodig moet zijn geweest voor de toneelpoëzie, de architectuur van de plots en het krachtige handelingsverloop. Daar was de dichter volgens Wells in het rumoerige Londen nooit aan toegekomen.

Zo fascinerend als de eerste helft van Shakespeare For All Time (de titel verwijst naar de versregels van tijdgenoot en vriend Ben Jonson: «He was not of an age, but for all time»), zo irritant wordt het verderop. Wells wil het complete verhaal van Shakespeares literaire en dramaturgische erfenis tot diep in de twintigste eeuw vertellen, en verzandt zodoende in een moeras van feiten, namen en weetjes.

Katherine Duncan-Jones gaf haar recente biografie de titel Ungentle Shakespeare: Scenes from his Life. «Ungentle» heeft meer dan één betekenis: «ruw, niet zacht», en «onopgevoed». Drie vliegen in één klap: de auteur als de ruwe diamant onder de Engelse Renaissanceschrijvers, de man die nogal zakelijk omging met zijn dierbaren, en de kunstenaar die voortdurend streed tegen het vooroordeel dat een schrijver pas iets voorstelde als hij een universitaire opleiding had genoten.

Om met dat laatste te beginnen: dat minderwaardigheidscomplex moet een drijfveer voor Shakespeare zijn geweest. Al zijn companen (vaak vrienden, maar ook concurrenten op de markt van brood en spelen) hadden gestudeerd: van de jong gestorven Marlowe tot kroegmaat Jonson, van de polemist Green tot zijn latere schrijfmaat Fletcher — ze hadden hun eruditie opgedaan aan een van de colleges. Shakespeare moest het doen met zijn grammar school, zijn talent, en het woordenboek van zijn predikant.

Shakespeares omgang met zijn directe omgeving, vooral zijn familie, loopt als een rode draad door Duncan-Jones’ boek. Met bijzondere aandacht voor de financiën van de «firma Shakespeare». Noemde Wells Shake speare nog de eerste literaire forens, Duncan-Jones beschrijft met verve de loopbaan van de eerste dichtende multimiljonair uit de moderne geschiedenis van de (toneel)literatuur. Ze kon daarbij onder meer terugvallen op de zorgvuldig bijgehouden financiële admini stratie van de public theatres die Londen tussen 1570 en 1620 kende — bij twee van die theaters, The Theatre en The Globe was Shakespeare aandeelhouder.

En theater was booming business. Ruwe schattingen spreken over een toeloop van 2500 tot 3000 toeschouwers per voorstelling. Inkomsten: ruim zestig pond per voorstelling, waarvan na aftrek van de dagkosten ongeveer de helft als schone winst kon worden bijgeschreven. Dat waren enorme bedragen in die tijd (het weekloon van een timmerman was een kwart pond). In het hoogseizoen (en buiten de perioden van pestepidemieën (als de theaters door het stadsbestuur werden gesloten) waren de public theatres in Londen zes tot zeven dagen per week in bedrijf.

Rond de eeuwwisseling, toen de beste jaren van de dichter nog moesten komen (Hamlet, King Lear, Othello en Macbeth zijn allemaal ná 1600 geschreven) was Shakespeare al steenrijk, in zijn geboorteplaats grootgrondbezitter en handelaar in onroerend goed. Volgens de juridische archieven was hij betrokken in talloze financiële geschillen en overnames van grote ondernemingen. Katherine Duncan-Jones compenseert het ontbreken van brieven en dagboeken ruimschoots door het financiële spoor van Shakespeare in de lucratieve vermaaksindustrie van Zuid-Londen (én in zijn investeringen in de Midlands) te volgen, uitgebreid te documenteren en te stofferen met sappige details.

Duncan-Jones schrijft goddank niet alleen over Shakespeare als blockbuster en geldwolf, maar ook over Shakespeare als theaterbeest en als ensembledier, over de relatie tot zijn steracteurs («Without Richard Burbage we might have no Hamlet») én over zijn patriarchale verhouding tot de familie in Stratford, met als stille kracht zijn acht jaar oudere vrouw Anne (geboren Hathaway) en als luidruchtig epicentrum zijn dochter Judith.

Bovenal probeert Duncan-Jones Shakespeares leven te «lezen» aan de hand van zijn teksten en door een aantal parallel geschakelde gebeurtenissen uit zijn leven en zijn omgeving naast die teksten te leggen. Deze kruising tussen close reading van (met name) de toneelstukken, en de Sherlock Holmes-methode van combineren & dedu ceren, levert fraaie staaltjes van literaire fact finding op. Zo verbindt de biografe het personage Malvolio (uit de komedie Twelfth Night), een puritein van het type «likken naar boven en trappen naar beneden», met Shakespeares pogingen om eerst zijn vader en daarna zichzelf in de adelstand te laten verheffen: geen zelfspot was hem vreemd.

Nog een voorbeeld: de stof voor wat waarschijnlijk zijn grootste tragedietekst is, King Lear, ontleende Shakespeare aan een reeds bestaand stuk, dat wisten we. Duncan-Jones toont overtuigend aan dat Shakespeare zijn inspiratie voor dit stuk in elk geval óók haalde uit het tragische geval van een oud gediende aan het hof, die werd getroffen door een ziekte die we nu Alzheimer noemen. En ze maakt aannemelijk dat Shakespeare de rol van de boosaardige Gloucester-bastaard uit dit stuk, Edmund, heeft geschreven op het lijf van zijn jongere broer Edmund, 23 jaar oud tijdens de wereldpremière van King Lear (1603), en vier jaar later tijdens een pest epidemie gestorven. Katherine Duncan-Jones’ Ungentle Shakespeare is een goed geschreven, mooi gedocumenteerde gooi naar een antihagiografie van William Shakespeare. Voor een heiligenleven is ze eenvoudigweg te nuchter.

Het Engeland van Elisabeth I was een politiestaat: iedere misstap tegen het bewind werd uitgebreid gedocumenteerd en al die documenten zijn er nog. Michael Wood, samensteller van de televisieserie In Search of Shakespeare (dezer dagen door de BBC uitgebracht op DVD, met een begeleidend boekwerk) heeft met zijn team een substantieel deel van die archieven bezocht en toont ons de documenten.

Bijvoorbeeld over de spannende dagen in februari 1601, toen Robert Devereux, de tweede graaf van Essex (en één van de vele minnaars van Elisabeth I), Shakespeares gezelschap vroeg om een besloten opvoering van zijn koningsdrama Richard II, inclusief het op last van Elisabeth verboden vierde bedrijf, waarin een regerend monarch onder dwang de scepter neerlegt. Shakespeare en zijn ensemble voldeden aan het verzoek, onder meer omdat de edellieden het dubbele van de normale recette betaalden. De besloten voorstelling bleek de opmaat voor een heuse staatsgreep, de «Essex-coup», de volgende dag, een greep naar de macht die overigens hopeloos mislukte. Essex kreeg de doodstraf. En de leden van Shakespeares ensemble werden door de staatsveiligheidsdienst uitgebreid aan de tand gevoeld over die besloten toneelvoorstelling — de teksten van die verhoren liggen nog altijd opgeslagen. Ze leverden overigens niets op: Shakespeares gezelschap ging vrijuit.

De dag voor de onthoofding van Essex bestelde Elisabeth I bij Shakespeares gezelschap een besloten toneeluitvoering. Van Richard II, inclusief het door haarzelf verboden vierde bedrijf, met de abdicatie. Ze wilde laten zien wie er de baas was. Tijdens of vlak na de uitvoering fluisterde Elisabeth een van haar vertrouwelingen in het oor: «Í am Richard the Second, know ye not that?»

Michael Wood verslaat deze voor Shakespeare ongetwijfeld als een serie nachtmerries voorbijgetrokken dagen op de plezierige, conspiratieve toon van de journa list die een mooi verhaal ruikt. En hij maakt in zijn vier uur durende, zeer spannende documentaire aannemelijk waarom William Shakespeare helemaal geen tijd had om de dagboeken of de brieven te schrijven, waar zijn biografen al eeuwenlang zo naar hunkeren. Shakespeares leven van alledag was theater, de toneelstukken vormen er de weerslag van.

Stanley Wells

Shakespeare For All Time

Uitg. Macmillan, 442 blz., € 55,20

Katherine Duncan-Jones

Ungentle Shakespeare: Scenes from his Life

Uitg. Arden Shakespeare, 322 blz., € 43,70

Michael Wood

In Search of Shakespeare

Book & DVD-pack, BBC, £ 39,99