Zijn Macron en Le Pen echt lood om oud ijzer?

In de slotfase van de presidentsverkiezingen roept Yanis Varoufakis zijn Franse geestverwanten tot de orde.

Zondag is het J-0, zoals dat in Frankrijk heet. Jour zéro. Het einde van de aftelling. Verkiezingsdag. De ruim 47 miljoen Fransen die zich als kiezer registreerden hebben vier opties: stemmen op Emmanuel Macron, Marine Le Pen of blanco. Een vierde mogelijkheid is thuisblijven. Alles wijst op een overwinning voor de pro-Europese en links-liberale Macron, al bestaat er in theorie de kans dat de thuisblijvers Le Pen alsnog het Elysée binnen helpen. Wat doen de kiezers van de antikapitalist Jean-Luc Mélenchon? Temeer omdat hun anders zo uitgesproken voorman zich lang in stilzwijgen bleef hullen.

Dat hij niet voor Le Pen zou stemmen wist hij uiteindelijk nog wel uit te spreken. Maar de naam van Macron kreeg hij niet over zijn lippen. In de tweede ronde zou hij ‘noch voor de fascistische dictatuur noch voor de financiële dictatuur’ stemmen. Met dat laatste verwees Mélenchon naar Macron, die een bankiersverleden heeft en op de steun kan rekenen van een aantal prominente figuren uit het Franse bedrijfsleven.

Daarmee maakte Mélenchon gevoelens los variërend van onbegrip tot walging. Goed, Marine Le Pen was niet haar antisemitische en autoritaire vader, maar of de Franse rechtstaat bij haar nu in goede handen was? En was het niet ronduit cynisch om het identitaire nationalisme van Le Pen op één lijn te stellen met het links-liberalisme van Macron, als ware het lood om oud ijzer? Mélenchon was niet de enige. Ook de demograaf Emmanuel Todd (in Nederland bekend van zijn boekje Wie is Charlie?) en de filosoof Michel Onfray gaven aan dat ze dit jaar thuisblijven. Todd zelfs ‘avec joie’ (met plezier). In hun kielzog ontstond een heuse beweging van mensen die bereid zijn het risico te nemen dat Le Pen wordt gekozen. Ze zijn verenigd onder de hashtag #SansMoiLe7Mai en vertikken het zondag te gaan stemmen.

Voor de goede orde: volgens peilingen stemt circa de helft van de Mélenchonstemmers gewoon op Macron. Met dichtgeknepen neus, dat wel, maar wie zal hen dat kwalijk nemen? Daartegenover staan een kleine twintig procent die op Le Pen zegt te gaan stemmen. Dit zijn de mensen die tegen iedere prijs de tafel willen omgooien, zoals dat hier heet. Renverser la table. Of je dat nu linksom of rechtsom doet maakt nu ook weer niet zo heel veel uit. Zo’n dertig procent zegt blanco te stemmen of helemaal niet.

Vanwaar die afkeer tegen een kandidaat (Macron) qua liberalisme misschien nog het best te vergelijken is met de vrijzinnige Femke Halsema, de voormalig fractievoorzitter van GroenLinks? Voor het antwoord moeten we zeventig jaar terug in de Franse politieke geschiedenis. Maar misschien is het goed om eerst een paar misverstanden uit de wereld te helpen. Zo zijn er buiten Frankrijk nogal wat mensen die Mélenchon voor een ‘linkse sociaaldemocraat’ houden, de Parti Socialiste voor een ‘sociaaldemocratische partij’ en Macron voor een ‘neoliberaal’.

In 2013 hield president François Hollande een speech waarin hij zich officieel tot de sociaaldemocratie bekeerde. De wijze waarop daar in linkse Franse media verslag van werd gedaan was veelzeggend. Dagblad Libération gebruikte het werkwoord ‘durven’ en ‘coming out’ ; weekblad L’Obs sprak van ‘toegeven’. Kortom: Hollande riskeerde hier iets, hij deed iets dappers. En dat was ook zo, want anders dan andere socialistische partijen in Europa, bekende de Parti Socialiste zich nooit tot de sociaaldemocratie. Daarmee neemt ze een uitzonderingspositie in. Denk maar aan de Duitse SPD. Al in 1959, tijdens de beroemde Bad Godesberg conferentie, nam de partij afscheid van het marxisme en omarmde ze de markteconomie.

De voornaamste reden dat dit in Frankrijk nooit gebeurde is dat het socialisme in Frankrijk altijd zwak is geweest. Het werd tot in de late jaren zeventig gedomineerd door de communisten. Zelfs toen de Parti Communiste Français (PCF) als zodanig ophield een machtsfactor te zijn bleven de meeste sociaaldemocraten in de kast. Je had Michel Rocard en Pierre Rosanvallon en dat was het wel. De term ‘sociaaldemocraat’ was binnen links Frankrijk zoveel als een scheldwoord merkte de historicus Gérard Grunberg eens op. Van een Derde Weg, zoals Blair die in Engeland volgde en Schröder in Duitsland, was in Frankrijk al helemaal geen sprake. Pas onder Hollande veranderde dat enigszins. Samen met zijn premier, Manuel Valls, zette hij zich aan een missie om de Parti Socialiste definitief in het kamp van de sociaaldemocratie te trekken. Dat was riskant, zeker omdat Hollande zelf op dat moment alweer een stap verder was. Met zijn minister van Economie, Emmanuel Macron, had hij zich op het spoor van het sociaalliberalisme begeven.

Het moment van waarheid kwam in 2016, tijdens de invoering van een nieuwe arbeidswet. Deze deed een aantal voorzichtige stapjes in de richting van de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Werkgevers klagen al jaren dat ze vanwege de 35-urige werkweek, hoge lasten en de verregaande ontslagbescherming niet kunnen inspelen op veranderingen in de economie. De wet leidde niet alleen tot zeer heftige straatprotesten, maar ook tot een opstand binnen de socialistische meerderheid in de Assemblee, geleid door de afgevaardigde Benoît Hamon.

Hierop namen Valls en Hollande hun toevlucht tot een manier om het parlement buitenspel te zetten: het beruchte artikel 49.3. Dat bleek suïcidaal. Op rechts werd Hollande ingehaald Macron en zijn beweging En Marche!, op links door Hamon en zijn frondeurs (opstandigen). De rest is geschiedenis: Hollande was inmiddels dusdanig impopulair dat hij besloot af te zien van een kandidatuur; Valls legde het tijdens een voorverkiezing af tegen de zeer linkse Hamon. Op zijn beurt raakte Hamon bekneld tussen Macron en Mélenchon en eindigde met een schamele zeven procent van de stemmen.

Terug nu naar wat de afkeer tegen sociaaldemocraten en sociaalliberalen in Frankrijk verklaart. Niet lang nadat ik in Parijs was komen wonen, gingen er geruchten dat de PCF van plan was een aantal schilderijen die ze in haar bezit had te verkopen. Het zou gaan om een Duchamp, een Picasso en een Leger – kunstenaars die allemaal ooit lid van de partij waren geweest en werk hadden geschonken. De verkoop leek niet onwaarschijnlijk: tijdens de presidentsverkiezingen van 2007 was de PCF onder de grens van de vijf procent gezakt en leek het erop of ze een lening van de Franse overheid zou moeten terugbetalen. Ik meldde me op het hoofdkantoor, een door de Braziliaanse architect Oscar Niemeyer ontworpen betonnen kolos in het Parijse 19e arrondissement. De geruchten bleken niet te kloppen, maar mijn interesse voor de partij was gewekt.

De PCF werd in 1920 opgericht tijdens het roemruchte congres van Tours. Tijdens de eerste verkiezingen na de Tweede Wereldoorlog, op 10 november 1946, kwam ze als grootste partij van Frankrijk uit de bus. Dat was voor een belangrijk deel te danken aan haar heldhaftige rol in het verzet tegen de Duitse bezetter. ‘Tussen de communisten en ons zit niets’, zei de schrijver André Malraux en cultuurminister van De Gaulle. Meer nog dan elders in Europa bleef het ideologisch ijkpunt de Sovjet-Unie van Stalin. Zo bleek wel in 1956 toen partijleider Maurice Thorez naar Moskou afreisde om daar de kameraden uit te leggen dat Chroesjtsjov een grote fout had gemaakt met de openbaarmaking van het rapport waarin Stalins misdaden werden veroordeeld.

Vanaf de jaren zeventig raakte de partij geleidelijk in het slop om tenslotte zo goed als te verdwijnen. Na 2007 leverde ze geen eigen presidentskandidaat meer. Deze verkiezingen was ze onderdeel van La France insoumise, de beweging van Mélenchon. Maar volgens Marc Lazar is met dat geleidelijke verval niet alles gezegd. Ik sprak de historicus, verbonden aan het Institut d’études politiques in Parijs, destijds voor een boek dat ik schreef over het Franse publieke debat en het Parijse intellectuele leven.

Lazar, een elegant geklede vijftiger die ooit was gepromoveerd op het Italiaanse communisme, hield me voor dat zelfs als de PCF geen politieke factor meer is, zij dan toch een blijvend stempel op de politieke cultuur van links Frankrijk heeft gedrukt. ‘Hervormers worden in Frankrijk gewantrouwd’, zei hij. ‘dat zijn de potentiële verraders van de revolutionaire idee. Compromissen gelden als uiting van zwakte.’ De voedingsbodem voor communisme was er in Frankrijk altijd geweest. Lazar noemde de glorificatie van de staat, een uit de Verlichting stammend geloof in Rede en wetenschap en een breed gedeeld wantrouwen tegen de markt en geld verdienen. ‘De PCF heeft deze voedingsbodem geïrrigeerd, gecultiveerd, en gestructureerd.’

Volgens Lazar had de partij Frankrijk gebrandmerkt, want de oude schema’s werken nog steeds door, ook al was de partij die ze heeft gesmeed bezig te verdwijnen. ‘Nu zeggen we “antiglobalisering” in plaats van “anti-imperialisme”. We hebben het niet langer over “sociaalfascisten” als de te verachten soort, zoals in de jaren dertig, nu heten die “links-liberalen”.’

De afgelopen weken besefte ik dat Lazars woorden weinig aan betekenis hadden ingeboet. Ik dacht terug aan de stakingen van de voorbije jaren, de demonstraties, de bossnappings, de brandende autobanden en natuurlijk de irrationeel aandoende afkeer van Macron bij de aanhangers van La France insoumise. Niet alleen was hij de gehate ‘bankier’, hij was ook een hervormer, degene die compromissen wilde sluiten, met werkgevers praten, water bij de wijn doen. Hij beloofde het bestaande systeem te redden net nu er zich een kans aandiende er voor eens en voor altijd mee af te rekenen. Onwillekeurig dacht ik aan de radicale Sloveense filosoof Slavoj Zizek, die, precies met dat doel voor ogen, bij de Amerikaanse verkiezingen had opgeroepen om op Trump te stemmen.

Uiteindelijk moest de voormalige Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis eraan te pas komen om zijn Franse geestverwanten tot de orde te roepen. Afgelopen week was hij in Parijs waar hij een dramatische oproep aan La France insoumise deed om toch vooral Macron te stemmen. Op radiozender France Inter zei de zich ‘libertair marxist’ noemende Varoufakis de opstelling van Mélenchon ‘onbegrijpelijk’ te vinden. Steeds als er in het verleden het gevaar was geweest dat ‘xenofoob’ of ‘racistisch’ rechts aan de macht zou komen had links immers zonder aarzelen gemene zaak met zijn politieke tegenstanders gemaakt aldus Varoufakis. ‘Le Pen en Macron over één kam scheren is onvergeeflijk.’

Varoufakis bleek Macron nog te kennen uit de tijd dat hij aan de zijde van de Griekse premier Tsipras vocht om de Griekse schuldencrisis te bezweren. Tegen Berlijn en de Eurogroep in de eerste plaats, die zich opstelden als kille en onverbiddelijke rekenmeesters. ‘Ik wil niet dat mijn generatie verantwoordelijk is voor de Griekse uittreding uit Europa’, zo zou Macron tijdens een ontmoeting hebben gezegd. ‘Macron was de enige binnen het systeem die besefte dat het akkoord van de Troika een moderne variant was van het Verdrag van Versailles’, schreef Varoufakis afgelopen week in Le Monde. Van Macrons ‘neoliberalisme’ moest hij niets hebben. Maar van dát feit wilde hij zijn ‘progressieve vrienden’ in Frankrijk toch even op de hoogte brengen.