Kunst

Zijn tijd vooruit

Beeldende kunst: fotograaf Frits Weeda

Het moet een verbijsterende ervaring zijn: plotseling erkend worden als vooruitziend en kritisch kunstenaar, veertig jaar nadat je er als jongeling de brui aan gegeven hebt. Het overkomt fotograaf Frits Weeda (1937), wiens foto’s van Amsterdam en omstreken zijn gebundeld in In de schaduw van de welvaart en worden geëxposeerd in het Gemeentearchief aan de Amstel. De Amsterdammer Weeda keek de kunst af van een oude meester toen hij met vijftien jaar in dienst trad van de destijds bekende fotograaf De Herder. Hij experimenteerde in de jaren daarop met fotografie maar staakte een kunstopleiding, nam verschillende baantjes aan om het eind jaren vijftig uiteindelijk te proberen als zelfstandig fotograaf. Hoewel hij werk sleet aan bladen als Het Vrije Volk, De Tijd, Het Parool en het Algemeen Handelsblad verdiende hij karig: zijn werk was voor zijn opdrachtgevers vaak te somber. Toch bleef Weeda Amsterdam en omstreken vastleggen op zijn eigen wijze in lange tochten door de stad en de dorpen eromheen, op het manische af. In 1965 moest hij worden opgenomen in een psychiatrische kliniek, werd jarenlang verpleegd in Duitsland, had daarna verschillende baantjes en ontwikkelde een drankprobleem. Pas in de jaren tachtig kreeg hij weer greep op zijn leven. De camera nam hij niet meer op.

Dat is spijtig, want door het verstrijken van de tijd is pas duidelijk geworden hoe begaafd Weeda als fotograaf was. Wat tijdens de wederopbouw vooral pessimisme leek, blijkt nu een vroeg oog voor een veelheid aan thema’s die des tijds niet aansloegen maar nu veel emoties losmaken: opzettelijke verkrotting en kaalslag in de binnenstad van Amsterdam, milieu vervuiling, sociale misère, voedselonveiligheid, de zielloosheid van industriegebieden en de verstedelijking van het platteland. Waar andere fotografen die Nederland tijdens de wederopbouw vastlegden vooral oog hadden voor de onstuitbare vooruitgang die zich van het land meester maakte, legde Weeda vast wat achterbleef: vervuilde polders, gedumpte autowrakken, verkrotte huizen en daarbij liefst de mensen die ertussen leefden. Een lachend gezin tussen de puinhopen, blije jongens die spelen op een in de gracht gedumpt autowrak, een boerenjongen voor de gitzwarte rookwolk van brandende opslagvaten.

Wat Weeda’s productie uit de jaren 1958-1965 zo goed maakt, is dat hij dat brede aantal thema’s koppelt aan een brede vaardigheid. Zo leggen sommige portretfoto’s in het boek even scherp Weeda’s visie op zijn tijd vast als zijn stadsfoto’s of vergezichten. En een enkele maal weet hij de twee te combineren, zoals bij de foto van een blonde jongen in de Jordaan die recht in de camera kijkt, terwijl hij met zijn stoel midden op straat zit. In de verte achter hem zie je al de auto’s die de kinderen op de foto voorgoed van de straten zullen verdrijven.

Voor de erkenning van Weeda’s werk was wel een zetje nodig – zoals het huidige fotoboek met een naam die weinig te raden overlaat, en bijbehorende teksten op de bladzijden en in de expositiezaal. Foto’s van Weeda werden al eerder vertoond in het Stadhuis, maar toen vooral onder het mom van «oude kiekjes van de stad». De diepte van het werk werd toen niet opgepikt. In die zin illustreert de huidige waardering voor Weeda’s foto’s niet alleen hun kwaliteit maar ook hoezeer kunst een constructie is in het hoofd van de onberekenbare toeschouwer.

Frits Weeda, In de schaduw van de welvaart, Gemeentearchief Amsterdam, tot 20 maart