Wie stopt omnipresident Nicolas Sarkozy

Zijne Alomtegenwoordigheid

In een paar maanden tijd herstelde Nicolas Sarkozy het vertrouwen in de Franse politiek, maar nu zijn zijn wittebroodsweken voorbij. Als ‘minister van Alles’ wekte hij de verwachting dat alleen hij de crisis die Frankrijk doormaakt kan bezweren. Waarom Sarkozy niet mag falen.

PARIJS – Kwaadwillenden zagen er de ultieme afleidingsmanoeuvre in. Op de dag van de eerste grote staking officialiseerde het Elysée de scheiding tussen de Franse president en zijn vrouw Cécilia. Maar zo’n troef kun je maar één keer uitspelen. Bovendien vertrok Sarkozy direct daarop richting Marokko voor een staatsbezoek waar het protocol de aanwezigheid van de première dame voorschrijft. Nee, het lijkt er eerder op dat Sarkozy zojuist de eerste serieuze tegenslag van zijn presidentschap heeft geïncasseerd. Cécilia was namelijk niet alleen zijn belangrijkste adviseur, ze was ook de haak waaraan hij hing. ‘Zij geeft mij de energie die ik nodig heb om mijn werk te kunnen doen’, zei hij een paar jaar geleden in een interview op de Franse televisie. Alles stelde hij in het werk om haar terug te veroveren toen ze in 2005 de benen nam met reclameman Richard Attias – in alles zijn tegenpool. ‘Ik hoop dat hij rust en sereniteit vindt’, stelde Cécilia afgelopen zaterdag in een speciale editie van haar lijfblad Elle – een stoot onder de gordel voor de man die wordt geplaagd door zenuwtics en berucht is om zijn woede-uitbarstingen. ‘De verantwoordelijkheid zal het winnen van de neerslachtigheid’, zei een presidentiële adviseur tegen Le Monde, ‘de macht is nu zijn ruggengraat.’ Mogelijk, maar feit blijft dat het juist zijn tomeloze energie is waarvan Sarkozy het als president moet hebben.

Veel is al gezegd over de hyperactiviteit van Nicolas Sarkozy. Hij hield huis in eigen land, maar ontpopte zich gelijktijdig als een serieuze speler op het wereldtoneel. Zo vloog hij Europa door om zijn minigrondwet aan de man te brengen, belegde een conferentie over Darfur, viel uit naar de sterke euro, hield een veelbesproken Afrika-rede in de Senegalese hoofdstad Dakar en stuurde zijn minister van Buitenlandse Zaken naar Irak om te bemiddelen. Hij figureerde zelfs al in een speech van Osama bin Laden. De enkeling die dacht dat Sarkozy het na de zomer wat rustiger aan zou doen weet inmiddels beter. Hij schakelde zelfs een paar tandjes door. De voortekenen dienden zich al aan tijdens zijn verblijf in het Amerikaanse Wolfeboro. Toen hij op de vrijdag voorafgaand aan zijn bezoek aan zijn Amerikaanse collega even op en neer vloog naar Parijs om daar de begrafenis van kardinaal Lustiger bij te wonen, peilde hij bij een adviseur de stemming onder de afgevaardigden. De adviseur: ‘Het is augustus, Nicolas, die zijn allemaal op vakantie!’ Sarkozy: ‘Op vakantie? Ah, de hufters!’ Sindsdien gaat er geen uur voorbij zonder een declaratie, een ontvangst of een bezoek in het land.

‘Je moet hem in de gaten houden als een pannetje melk op het vuur’, zo zegt Philippe Ridet, de journalist die Sarkozy nu twee jaar voor Le Monde volgt. ‘Hij weet van een schijnbaar oninteressant bezoek aan een fabriek een politiek evenement te maken.’ Een illustratief voorbeeld was het bezoek dat Sarkozy onlangs bracht aan Boedapest. In het vliegtuig terug haalde hij onverwacht uit naar de wijze waarop de Europese Centrale Bank de recente financiële crisis had trachten te bezweren. De timing was perfect. Juist op dat moment vergaderden de ministers van de Eurogroep in de Portugese havenstad Porto. Gevolg: een woedende reactie van ecb-president Jean-Claude Trichet. Een dag later susten medewerkers van het Elysée de boel. Maar het punt was gemaakt. Vanaf nu was het beleid van de ecb onderwerp van politiek debat – zoals Sarkozy alles politiek maakt. De Franse televisiejournaals trokken inmiddels hun conclusies en stationeerden extra verslaggevers bij het Elysée. En zo gebeurt het tegenwoordig dat nieuwsuitzendingen openen én eindigen met Sarkozy. Zo alomtegenwoordig is hij zelfs dat een organisatie (Le Rassemblement pour la Démocratie à la Télévision) een campagne is begonnen voor een Sarkozy-vrije dag in de media, op 30 november. ‘Geen beeld, geen geluid, geen regel over Nicolas Sarkozy op die dag alstublieft!’ zo smeekt de club. Maar de kans dat iemand gehoor zal geven aan die oproep is gering. ‘Sarkozy is als hostie’, verklaarde Jean-Claude Dassier, de baas van nieuwszender lci, onlangs: ‘Hij weet onderwerpen interessant te maken; hij zou een uitmuntende hoofdredacteur zijn.’

In zijn essay Le coup d’état permanent (1964) betichtte François Mitterrand president De Gaulle van een ongezonde personalisering van de macht. De huidige oppositieleider François Hollande (Parti Socialiste) houdt het liever bij een coup d’éclat permanent – daarmee onbedoeld onderstrepend hoezeer Sarkozy een exponent is van de huidige mediacratie. Een fraai voorbeeld van zo’n coup d’éclat was de affaire-Evrard die het land korte tijd volledig in zijn ban hield. Francis Evrard was een pedofiel die na achttien jaar gevangenisstraf (hij was tot 27 jaar veroordeeld) op vrije voeten werd gesteld. Het eerste wat hij deed was zich vergrijpen aan een vijfjarig jongetje. Verontwaardiging alom, maar vooral bij de president zelf, die zo emotioneel reageerde dat het leek alsof het zijn eigen zoon betrof. Hij ontving onmiddellijk de vader van het jongetje, uitte kritiek op de vervroegde vrijlating, stuurde zijn minister van Justitie naar Nederland voor een bezoek aan een tbs-kliniek, kondigde maatregelen aan en… stortte zich op het volgende fait divers. En de media met hem. Het debat over de zin van nog zwaardere straffen of over de eventualiteit van een parlementaire enquête naar het falen van de bestaande verdween onmiddellijk naar de marge van het nieuws. Er was immers al weer een nieuwe polemiek. En zo gaat het door, met Sarkozy als maniakale tempobeul. ‘Als we blijven stilzitten worden we als patrijzen afgeknald’, liet hij zich onlangs nog ontvallen: ‘Ik wil nog sneller gaan.’ Hoe lang kan dat nog goed gaan? beginnen commentatoren zich inmiddels af te vragen. Hoe lang nog voordat de hyperactiviteit doorgaat voor een manie? De compassie voor een compulsie?

Ondertussen is Sarkozy nog altijd mateloos populair. Vijf maanden na zijn aantreden haalt hij scores die wedijveren met die van De Gaulle toen die in 1958 aan de macht kwam. De peilingen (tussen de zestig en de zeventig procent) steken wel héél schril af bij de één procent (geen grap) die vorig jaar nog wenste dat Chirac zich herkiesbaar stelde voor een derde termijn. De maar voortdurende état de grace vormt de basis onder het hervormingsprogramma waarvan Sarkozy in juli het eerste gedeelte door het parlement liet jagen. Er werden belastingverlagingen doorgevoerd, immigratiewetgeving werd aangescherpt, de universiteit ging op de schop, de 35-urige werkweek werd versoepeld en het ambtenarenleger werd fors ingekrompen. Dat Sarkozy in alle gevallen aanzienlijke concessies aan de vakbonden deed, zoals sommige critici hem verweten, is alleszins begrijpelijk. Sarkozy weet maar al te goed dat het Frankijk van het Tout sauf Sarko (Alles behalve Sarkozy), het Frankrijk dat hem hartgrondig haat, niet zomaar is verdwenen op de dag dat hij werd gekozen. Het likt zijn wonden, hergroepeert zich, maar aarzelt geen seconde om oude posities rond Place de la Bastille in te nemen als de vakbonden daar het signaal toe geven – zoals afgelopen week nog maar eens bleek.

Terecht plaatsen economen vraagtekens bij de eigentijdse variant van de supply-side economics waarmee Sarkozy een ‘vertrouwensschok’ hoopt op te wekken. Maar om je een maand na het in gang zetten ervan al af te vragen wat het sociale nut is van een rechtse president als hij de economie er niet bovenop helpt – zoals Jacques Julliard onlangs deed in het weekblad Le Nouvel Observateur – lijkt wat voorbarig. Zeker, met voluntarisme alleen kom je er niet en de echte test, de herstructurering van de verzorgingsstaat, zoals Sarkozy die eind september aankondigde, moet nog komen. Het neemt allemaal niet weg dat hij de afgelopen vijf maanden al een formidabel resultaat geboekt heeft: hij herstelde het vertrouwen in de politiek. Sterker nog, hij deed de hoop herleven dat de politiek een oplossing kan bieden voor de crisis die Frankrijk doormaakt.

‘Alle verandering wordt opgevat als een bedreiging voor de veiligheid en de stabiliteit van het land’, stelde de dit voorjaar overleden historicus René Rémond in het september/oktobernummer (2006) van het toonaangevende intellectuele tijdschrift Le Débat. En daar liet hij het niet bij: ‘Ik vraag me af of het land sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog een moment van zulke diepe morele depressie heeft gekend.’ En Rémond behoorde nog niet eens tot de déclinologues, de intellectuele onheilsprofeten die al veel langer het verval van Frankrijk bezongen. De voornaamste schuld, en daarover was nagenoeg iedereen het eens, lag bij het politieke establishment dat als verlamd toekeek hoe de werkloosheid al decennia rond de tien procent schommelde, de verzorgingsstaat onbetaalbaar werd, het bedrijfsleven en de universiteiten hun concurrentiepositie met het buitenland verloren, de staatsschuld opliep, de buitenwijken in brand stonden… Laisser le temps au temps heette dat nog fraai bij Mitterrand. Chirac probeerde het aanvankelijk nog wel, maar deze politieke brekebeen schrok zo van de weerstand die zijn pensioenhervorming in 1995 opriep dat ook hij besloot het er voortaan maar bij te laten zitten. Wat restte was onbehagen en bewegingloosheid. Bij de politici, die vreesden voor ‘de straat’ en zich vanaf nu verscholen achter ‘Europa’ en de ‘globalisering’, en bij de Fransen zelf, die ten prooi vielen aan zelftwijfel, vreesden voor de toekomst en zich daarom krampachtig vasthielden aan een sociaal systeem waarvan zij zelf ook wel wisten dat het niet langer meer voldeed.

Zoals gezegd maakte Sarkozy in enkele maanden tijd korte metten met de geest van immobilisme. Met zijn energie en onvoorwaardelijke engagement rekende hij af met het cynisme en de inertie van zijn voorgangers, zorgde hij ervoor dat politiek weer telt en wekte de verwachting dat zij de samenleving moet én kan veranderen. De eerste effecten waren al zichtbaar tijdens de verkiezingscampagne, waarbij hij kiezers wist aan te spreken die zich al lang geleden van de politiek hadden afgewend en contrecoeur Le Pen stemden (als ze al stemden). Zelfs de déclinologues legde hij het zwijgen op. Hun leider, de gezaghebbende econoom en publicist Nicolas Baverez, trad nog één keer uit zijn schaduw om te verklaren dat de verkiezing van Sarkozy het beste is wat Frankrijk in decennia is overkomen. Toch is het de vraag of dat werkelijk zo is.

In en buiten Frankrijk werd Sarkozy de afgelopen tijd nogal eens neergezet als een moderne versie van Napoleon Bonaparte (vorige week nog door Philippe Val, hoofdredacteur van Charlie Hebdo in een interview met De Groene Amsterdammer). En waarom ook niet? Een ambitieuze buitenstaander, klein van stuk, in de ban van een vrouw die hem geruststelde, maar hem ook tot waanzin drijven kon. Géén product van de elitescholen van Ancien régime of Republiek, maar een autoritaire bendeleider die zich behendig manoeuvrerend een weg naar boven vocht. Voorafgaand aan Sarkozy’s verkiezingsoverwinning liet zijn entourage zelfs doorschemeren dat hij in geval van winst een paar dagen in retraite zou gaan op Corsica om zich daar voor te bereiden op de ‘immense verantwoordelijkheden’ van het presidentschap. Maar het feestje dat Cécilia Sarkozy op de verkiezingsavond organiseerde in bistro Fouquet’s aan de Champs Elysées was al een veeg teken. Naast het handjevol aides de camp dat zijn weg naar binnen vocht, waren het fossiele rockzangers en nouveaux riches die de toon zetten. De ‘retraite’ bleek een luxevakantie voor de Maltese kust op het privé-jacht van een bevriende miljardair. Tot leedvermaak van velen moest de filosoof Alain Finkielkraut vaststellen dat de man op wie hij had gestemd in werkelijkheid een met zijn Rolex zwaaiende proleet was: ‘Drie dagen lang heeft hij ons beschaamd.’ Sindsdien houden de Fransen zelf het liever op Napoleon III – het kleine neefje dat sneefde bij Sédan. Wél een bonaparte, maar dan zonder grandeur. ‘Zoals Napoleon III de banken en de renteniers tegemoet kwam, daar stelde Sarkozy de rijken gerust met een belastingplafond en aanpassing van de successiewetgeving’, schreef Jean-Claude Casanova, directeur van het gezaghebbende tijdschrift Commentaire.

Toch ontnemen dergelijke parallellen en bon mots het zicht op de werkelijkheid enigszins. ‘Als het zo is dat Sarkozy een bonapartisch ego heeft, dan heeft hij tegelijk een democratisch superego’, concludeerde de filosoof Marcel Gauchet, en inderdaad lijkt de kans dat Sarkozy binnen vijf jaar voor de poorten van Moskou zal staan niet bijzonder groot. Sterker nog, hij was twee weken geleden binnen de poorten en sprak er over… democratie en mensenrechten. Sarkozy, daarover geen twijfel, is geen despoot in de dop, wat weer niet wegneemt dat hij de afgelopen maanden wél nadrukkelijk de grenzen van het Franse presidentiële stelsel (waarbinnen de president toch al een buitenproportionele macht heeft) heeft opgezocht. ‘Als president wil ik alle ruimte innemen, want zo hoort het’, zei hij tijdens de presidentscampagne. Niemand voorzag toen dat Sarkozy dat letterlijk bedoelde. Want niet alleen de espace médiatique (mediaruimte, een woord dat voor hem lijkt uitgevonden) vult hij op, ook de institutionele en de politieke ruimte werden bezet. Zo werden daags na de parlementsverkiezingen de afgevaardigden van de vers gekozen meerderheid op het Elysée ontboden. Hier kregen zij nog eens te verstaan dat ze in de eerste plaats gekozen waren om de presidentiële hervormingsagenda uit te voeren. Premier François Fillon zag zijn status teruggebracht tot die van ‘medewerker’.

Intensief bemoeit Sarkozy zich ook met het beleid van de ministers, en hij grijpt zonodig zelf in, zoals toen hij de onderhandelingen met de vakbonden overnam van onderwijsminister Valéry Pecresse. Christine Lagarde, de Franse minister van Financiën, zou een goede minister zijn, ‘als ze maar luisterde naar mijn adviezen’. ‘Wie zijn de ministers eigenlijk?’ grapte François Hollande voordat hij werd verzwolgen door de interne vetes van zijn partij. ‘We weten het niet. Nicolas Sarkozy is minister van Alles; een omnipresident die overal is, alles doet en over alles meebeslist.’ Maar ook los van het geruzie is de oppositie maar moeilijk in staat tot tegenspel. Al was het alleen maar omdat Sarkozy bijna alle linkse kopstukken onschadelijk wist te maken. Door ze op te nemen in de regering (Jean-Pierre Jouyet, Bernard Kouchner), ze prestigieuze staatscommissies te laten voorzitten (Jack Lang, Michel Rocard, Jacques Attali) of ze voor te dragen voor het voorzitterschap van een internationale organisatie – ver weg van de Parijse microkosmos (Dominique Straus-Kahn). Waar is de contre-pouvoir? Wie kan Sarkozy nog tegenwicht bieden?

‘Europa en haar regels wellicht?’ Dat suggereerde Henri Guaino. De speechwriter van de president heeft zijn kleine werkkamer op het ministerie van Binnenlandse Zaken inmiddels ingeruild voor een salon pal naast die van zijn baas in het Elysée. Als ‘speciale adviseur’ voorziet hij het presidentiële beleid van ideologische ammunitie. Het was ook Guaino die de presidentiële alomtegenwoordigheid rechtvaardigde met een beroep op de noodzaak van een ‘zichtbare en verantwoordelijke macht’. Begrijpelijk, want een democratie is meer dan een stelsel van regels en wetten zonder gezicht. En als de politiek in een democratie onzichtbaar is, als zij niet wordt geïncarneerd, dan wreekt zich dat, zoals wel blijkt uit de onvrede over de manier waarop Europa vanuit Brussel wordt gerund. Maar of dan uitgerekend daar het tegengewicht vandaan moet komen? De vraag lijkt eerder: hoe ver kun je gaan met de personalisatie van macht zonder dat dat monarchistische trekken gaat vertonen?

Zoals gezegd heeft Sarkozy de hoop doen opleven dat de politiek een antwoord kan bieden op de crisis die de natie doormaakt. En bijna alle Fransen hopen dat hij dat antwoord levert. Illustratief voor dat sentiment was de reactie van ene René B. op de site van Libération (allerminst een Sarkozy-gezinde krant): ‘Wie wil niet dat er weer beweging in de zaak komt na al die jaren van immobilisme? Ook ik wil vooruitgang, zelfs als ik anti-sarkozyste ben.’ Maar door alle ruimte in te nemen, door alles alleen te willen doen, speelt Sarkozy tegelijkertijd in op het aloude Franse verlangen naar een door de Voorzienigheid gezonden leider, een homme providentiel die alle problemen op zal lossen. En zo runt hij met stilzwijgende toestemming het land als een onderneming waarin hij bestuursvoorzitter, directeur, afdelingshoofd, personeelschef en woordvoerder tegelijk is. Daarmee speelt Sarkozy hoog spel, want geen mens kan dat allemaal alleen. En de Fransen spelen dat spel met hem. Wat immers als de duivel inderdaad Prada blijkt te dragen? Wat als hij faalt?