Boekenweek 2018

‘Zijt gij papa dan zomaar vergeten?’

De eerste Boekenweekgeschenken na de oorlog waren prijsvragen. Dubbele prijsvragen zelfs. Auteurs stuurden een novellemanuscript in, een jury koos een winnaar die vervolgens anoniem uitkwam. Zo verschenen boekjes als De ontmoeting (1946), Oeroeg (1947) en Twee negerpopjes (1948), waarvan het publiek, via een briefkaart, moest raden wie de schrijver was.

Small geziendefeiten

Wat een geweldig leuke formule! Waarom voert het cpnb die niet onmiddellijk weer in? Ja, ik weet het wel. Omdat we in de tijd van de Grote Namen leven. Bekende gezichten moeten ons weer aan het lezen krijgen. Ze moeten ons toelachen op bordkartonnen winkeldisplays en ernstig de rol van schrijver acteren in tournees. Met zo’n anonieme novelle zou het Boekenweekgeschenk ineens op kwaliteit geselecteerd worden. Ook door het raadspelletje – herken de stijl – zou de aandacht ineens meer naar de werken uitgaan dan naar de personen.

Stel je voor dat je deze Boekenweek een anoniem boekje in de winkel cadeau kreeg. Omslag met een kringetje bejaarden op een strand. En alleen een titel: Gezien de feiten. Zou je dan kunnen raden dat het van Griet Op de Beeck is? Interessant gedachte-experiment, maar ik vrees dat we eerst moeten constateren dat deze novelle nooit door de juryselectie heen zou zijn gekomen.

Je kunt er niet omheen dat we na een reeks grote wijnjaren – Lanoye, Van Kooten, Wieringa, Verhulst, Gerritsen en Koch schreven verrassend sterke novellen – ditmaal bepaald geen grand cru krijgen geschonken.

Het verhaalgegeven is op zichzelf niet onaardig. Een oudere vrouw, Olivia, bloeit op na de dood van haar man. In plaats van zich in gepaste rouw onder te dompelen, zet ze de bloemetjes buiten. Ze gaat op reis naar een Afrikaans land waar ze zich prompt in een hevig gepassioneerde relatie stort met Daniel, een van de lokale vrijwilligers. Dochter Roos vindt het allemaal maar niks (‘Zijt gij papa dan zomaar vergeten?’). Toch zet Olivia door.

En dat was het dan. Echt waar. Je denkt: oké, dit is het vertrekpunt, de stukken staan op het bord, laat het nu maar beginnen. En dan valt het doek al en is het verhaaltje uit.

Je denkt: oké, dit is het vertrekpunt, laat het nu maar beginnen. En dan valt het doek al en is het verhaaltje uit

Wat het Boekenweekgeschenk in de huidige formule zo tweeslachtig maakt is dat het zowel een bekroning als een vuurdoop is. Een bekroning omdat je als auteur tot commercieel uithangbord promoveert, een vuurdoop omdat je je – soms voor het eerst – aan een van de lastigste genres moet wagen die er bestaan. De novelle moet de volheid van de romanwereld vangen in amper dertigduizend woordjes. Dan komt het aan op vakmanschap, op het construeren van het drama, de spanningsboog, het slim selecteren en arrangeren van je materiaal.

Gezien de feiten is alleen een eerste akte. De personages zijn geïntroduceerd, het conflict begint zich af te tekenen – een heel klassiek dilemma, tussen Olivia’s vrijheidsdrang en de verwachtingen van familie en vrienden – maar er komt nooit een echte confrontatie en daarom is er ook geen omslag. Op pagina 94 zijn de karakters nog precies hetzelfde verdeeld als op pagina 7.

Griet Op de Beeck zal de komende week in allerlei zaaltjes gaan vertellen dat ze een taboe heeft aangesneden, dat van de bejaarde weduwe die een tweede jeugd krijgt wanneer haar man eindelijk uit de weg is. Dat van de bejaarde weduwe die gepassioneerde seks heeft met nota bene een donkere man, want zo is het ook nog eens. En haar dochter en schoonzoon reageren daarop met het typische onderhuidse racisme, van je mag het eigenlijk niet zeggen, maar ‘die Afrikanen zijn toch…’ Dochter Roos wordt zo een pathetische karikatuur, van wie we de achterlijkheid flink ingewreven krijgen, bijvoorbeeld als ze Engels probeert te praten met Daniel: ‘“Shut up about my dad.” “I didn’t mean to…” “But I mean it well!” riep ze, zij liet zich niet hinderen door grammatica. Haar lip begon te beven. (…) “You seem a very nice man”, zei Sander die duidelijk ook geen avondklassen Engels had gevolgd, “but it’s so soon, you know?”’

Waarom toch zo dodelijk over-expliciet? De personages staren bedrukt, tranen stromen plots over wangen, onderlippen bibberen, als er niet op gebeten wordt. Er wordt veel geslikt, bedenkelijk het hoofd geschud, harten slaan een tel over, de adem stokt.

Daaraan zou je de stijl van Griet Op de Beeck kunnen herkennen, in zo’n anonieme prijsvraag, ware het niet dat dit een dertien-in-een-dozijn-stijl is. Nee, het publiek zou het nog lastig krijgen, bij deze vlakke, kleurloze vertelstem, waarin alleen het ‘gij’ in de dialogen naar Vlaanderen wijst.

Eventueel zou je de schrijfster kunnen detecteren aan de modieuze thema’s. Het racisme, zoals gezegd, maar ook de onvruchtbaarheid van Roos, al haar ivf-behandelingen ten spijt. Het krijgt geen gevolg en is er alleen aan toegevoegd om het wat emotioneel te kruiden. Maar ook dat zijn beginnerstrekjes.

Een jury zou het verveeld terzijde schuiven, maar omdat het cpnb kiest voor commercieel succesvolle namen kan iemand als Op de Beeck te vroeg worden gevraagd voor een meesterproef die zij niet aankan. En het publiek dat weinig boeken koopt krijgt een teleurstellend beeld van de Nederlandse literatuur. Hoe anders zou dit uitpakken als het cpnb iets spannends zou aandurven? Volgend jaar een novellewedstrijd!