Zijwegen van de filmgeschiedenis

Ik kreeg van een vriend uit Engeland een merkwaardig boek van een Australische schrijfster. Ene Lesley Stern. Het boek heet The Scorsese Connection en gaat over van alles en nog wat. Ook wel een beetje over Martin Scorsese. Laten we zeggen over en paar films van Scorsese die als aanleiding worden gebruikt (of misbruikt zou je kunnen zeggen, maar eigenlijk wil ik niet negatief zijn over het boek) om uitvoerig enkele om- en zijwegen binnen de filmgeschiedenis te bewandelen. Stern gaat bewust bepaalde zijwegen zover op dat de hoofdweg, zo die er al is in dit boek, niet alleen uit het zicht, maar zelfs vergeten raakt.

Neem haar derde hoofdstuk. Hierin maakt ze een vergelijking tussen The Searchers van John Ford en Scorseses Taxi Driver. Het is een vergelijking die niet bepaald voor de hand ligt, misschien zelfs lichtelijk ongerijmd is. Daarbij gaat Stern zover in op de thematiek en problematiek van The Searchers - ze rakelt zelfs allerlei trivia over deze film op - dat je sterk het gevoel krijgt dat de schrijfster het spoor bijster is geraakt. Maar aan de andere kant: haar exposé over John Wayne als bedenkelijke held in de klassieker van Ford is zeer onderhoudend. De intens beleden cinefilie van Scorsese maakt dat hij met vrijwel de gehele filmgeschiedenis verbonden kan worden, dus waarom niet met een fraaie western van een echte oude meester? Haar uiteenzetting is niet helemaal vrij van academisch jargon, maar blijft toch goed leesbaar en zit vol met aardige details. Haar obsessionele strooptocht langs zijpaden kan gaan irriteren - ik heb een moment serieus overwogen om het boek toch maar niet uit te lezen - maar heeft zeker ook een charmante kant.
Zo bevat haar vijfde hoofdstuk een minutieuze verhandeling over beeldformaten en kleurenprocédés. Het is een soort ode aan het megalomane CinemaScope en het barokke Technicolor. Samengevoegd hebben deze twee technieken gezorgd voor de letterlijk meest opgeblazen en opzichtige films uit de filmge- schiedenis. Niet allemaal hoogtepunten, laat staan meesterwerken, maar wel groots en kleurrijk. Van Scorsese is bekend dat hij zo zijn zwak heeft voor Technicolor, wat onder andere tot uiting komt in zijn voorliefde voor de films van Michael Powell & Emeric Pressburger, maar Stern heeft aan de openingsminuut van Scorseses eigen Alice Doesn ’t Live Here Anymore genoeg voor een heel hoofdstuk over de geschiedenis van kaders en kleuren.
In zekere zin is Sterns werkwijze provocerend. Ze laat de gangbare regels omtrent betooglijnen links liggen en draaft hardnekkig voort op haar stokpaarden. En of dat niet genoeg is, heeft ze nog wat schrijftechnieken achter de hand om de lezer tegen de haren in te strijken. Zo is haar boek doorspekt met citaten die in keurige kadertjes tussen de hoofdtekst zijn geschoven. Als je kwaad wilt, zou je kunnen zeggen dat ze een pocketeditie met Nietzsche-teksten en een boekje van Maya Deren met de schaar heeft bewerkt en de snippers in haar manuscript heeft geplakt. Maar ik wil geen kwaad, al vind ik deze citatencollage niet het meest overtuigende element van het boek. Andere elementen zijn ook niet steeds overtuigend, maar wel prikke- lend.
Het minste wat je kunt zeggen is dat het een met passie geschreven boek is. Die passie geldt misschien in de eerste plaats het redeneren en schrijven en in de tweede plaats voor films, van Scorsese of van iemand anders. Ik denk dat Stern even goed een prikkelend boek had geschreven als het over een andere cineast was gegaan - of over een choreograaf, een bokser of een seriemoordenaar. En dat bedoel ik niet eens als kritiek. Het is in de volledige zin van het woord een veelzijdig boek. Een boek dat zich niet laat samenvatten en dat zou je ook als een compliment kunnen beschouwen. Een waaier van erudiete associaties die zich niet laat reduceren tot een handzaam overzicht. Een boek dat zoveel wetenswaardigheden bevat dat er zich niet één meer laat terugvinden. Het avontuur van voren af aan opnieuw beginnen lijkt de enige uitweg.