Joseph Conrad

Zilverkoorts

Joseph Conrads roman ‹Nostromo› is, net als zijn meesterwerk ‹Heart of Darkness›, een nog immer krachtige aanklacht tegen kolonialisme. In beide boeken wordt het vernis laagje dat over de beschaving ligt weggeschuurd, waarna haat en heksenjacht van atavistische fanatiekelingen zegevieren.

Er was eens, bijna vijfhonderd jaar geleden, ergens hoog in het kille Boliviaanse Andes gebergte een stadje dat Potosí heette. Vlak bij Potosí lag een heuvel, Sumaj Orcko, een volmaakte kegel in vele varianten rood. Al vóór de komst van de Spanjaarden wisten de Inca’s dat de ingewanden van die heuvel kostbare metalen bevatten. Maar de inheemse mijnwerkers hadden hun vuurstenen nauwelijks in de rijke zilveraders van de Sumaj Orcko geslagen of ze schrokken zich wild van een onderaardse stem die zei: «Dit is niet voor u; God reserveert deze rijkdommen speciaal voor hen die van ginds komen.» De heuvel kreeg een andere naam, Potojsí, dat wil zeggen «hij dondert, hij barst open, hij explodeert». En die van ginds waren de Spanjaarden.

Potosí werd de schatkamer van de wereld. In 1573 telde de Boliviaanse zilverstad 120.000 inwoners, meer dan Madrid, Londen, Parijs of Rome. Bijna een eeuw later waren dat er 160.000, waarmee Potosí een van de grootste wereldsteden was, rijk en ordeloos, want het edelmetaal leverde bloei en decadentie op, hoererij en verloedering. Potosí, schrijft Eduardo Galeano in zijn studie over vijf eeuwen uitbuiting van Latijns-Amerika De aderlating van een continent (1973), werd «de halsslagader van het onderkoninkrijk, de zilverstroom van Zuid-Amerika». Nu is het weer een arm en anoniem stadje, toen vormde Potosí de bron van de zilverrush. Zuid-Amerika voedde Europa met grondstoffen, de Oude Wereld kreeg dankzij de goud- en zilverstromen economisch een stevige duw in de rug.

Wie omstreeks 1970 — toen de Zuid-Amerikaanse roman in de mode kwam, de Frankfurter Schule nog druk bezocht werd en dialectisch denken geen rare uitdrukking was — écht Het kapitaal van Karl Marx heeft gelezen, herinnert zich misschien deze zinnen nog: «De ontdekking van de goud- en zilverlagen in Zuid-Amerika, de kruistocht waardoor de oorspronkelijke bevolking uitgeroeid, tot slaaf gemaakt en in de mijnen begraven werd, het begin van de verovering en de plundering van Oost-Indië, de verandering van het Afrikaanse continent in een jachtgebied waar je op negerslaven kon jagen: dat zijn allemaal feiten die duiden op het aanbreken van het tijdperk van de kapitalistische produktiewijze. Deze idyllische processen zijn de fundamentele factoren in de beweging van de oorspronkelijke accumulatie.»

Misschien is de allereerste Zuid-Amerikaanse roman die over Potosí en over Marx’ «idyllische processen» gaat wel geschreven door iemand uit Polen toen dat land nog onder de Russisch-tsaristische knoet zat. Die Pool verhuisde naar Frankrijk, leerde Flaubert lezen en werd later een zeeman die over de wereldzeeën zwalkte tot hij er genoeg van had en ging schrijven in een geleende taal, het Engels. Laten we hem Teodor Józef Konrad Nalecz Korzeniowski (1857-1924) noemen. Van december 1902 tot augustus 1904 schreef hij, geplaagd door schulden en jichtaanvallen, aan een verhaal over een kustplaats in het verzonnen Zuid-Amerikaanse land Costaguana, een mengsel van Venezuela en Chili met een vleugje Mexico en Panama. Die kustplaats heette Sulaco, net als Potosí «de schatkamer van de wereld» omdat er uit de heuvel bij de stad zilver stroomde, gedolven door indiaanse mijnwerkers en linea recta naar de Verenigde Staten gesluisd.

Het is niet overdreven de schitterende roman Nostromo (1904) van Joseph Conrad een literaire voorloper en wegwijzer te noemen van Miguel Ángel Asturias (El Señor Presidente), Augusto Roa Bastos (Yo el Supremo) of Julio Cortázar (Het kwijlen van de duivel). Ook in hun samenzweerderige vertellingen lopen tirannen rond met menselijke trekjes. Of zoals Galeano het in De aderlating van een continent zegt: «Dictators, beulen, inquisiteurs: de terreur heeft zijn functionarissen, net als de posterijen en de banken, en de terreur wordt toegepast omdat hij nodig blijkt te zijn. Het gaat niet om een samenzwering van perverselingen. Generaal Pinochet kan een personage uit de zwarte periode van Goya lijken, of een feestmaal voor psychoanalytici, of de erfgenaam van een gruwelijke traditie uit de bananenrepublieken. Maar de ziekelijke of folkloristische trekken van deze of gene dictator die de geschiedenis kruiden, zijn niet de geschiedenis zelf.»

Nostromo gaat niet alleen over eigenbelang en onbaatzuchtigheid, egoïsme versus altruïsme, maar ook over de illusie van vooruitgang, over het ontbreken van hoop op een betere toekomst, over «de bandeloosheid van een bevolking met al zijn kleuren en rassen, wreedheid en ongeneeslijke hang naar dictatuur», zoals de Parijse dandy en partijdige journalist Martin Decoud het formuleert. In De aderlating van een continent citeert Galeano de negentiende-eeuwse vrijheidsstrijder Simón Bolívar, die voorspelde dat Amerika dan wel «ons vaderland» was, maar dat verraad en nationale verbrokkeling in het verschiet lagen. «We zullen nooit gelukkig zijn, nooit!» In Nostromo memoreert Decoud, die later geïsoleerd raakt van liefde en een bewogen bestaan en zich toekomstloos met vier zilverstaven naar de zeebodem schiet, een ander somber inzicht van Bolívar, de soldaat die de Spanjaarden uit bijna geheel Zuid-Amerika wist te verjagen maar machteloos bleek tegenover de economische uitbuiting: «Amerika valt niet te regeren. De ijveraars voor onafhankelijkheid hebben de zee geploegd.»

Nostromo is een psychologisch-politieke avonturenroman rond de San Tomé-zilvermijn bij Sulaco, beheerd door de Brits-Costaguanese «Don Carlos» Gould.

Aan het begin van het verhaal, met een prachtig meanderend vertelpers pectief dat systematisch de stem van het «gepeupel» negeert, wordt Costaguana geteisterd door revolutie en contra revolutie, militaire opstanden en volksopstootjes, dictatuur en terreur. Dictator Vincente Ribiera vlucht op een zieke ezel (niet de enige verwijzing naar Don Quichot/Sancho Panza) over de bergen naar de havenstad Sulaco. Daar wordt hij door Nostromo — een betrouwbare en ogenschijnlijk onbaatzuchtige Ita liaanse bootsman en «man van het volk» die zich laat gebruiken met een sigaar à la Che of Castro als beloning — het land uit en de zee op gesmokkeld.

Niet alleen een bergketen splijt het land in tweeën, ook de zeer winstgevende San Tomé-zilvermijn drijft een wig tussen oost- en west-Costaguana. Maar de mijn, die bestaat bij de gratie van smeergeld, ondermijnt ook menselijke verhoudingen, liefdesrelaties en huwelijken. Mijneigenaar Gould lijkt een idealist, maar zijn verlangen naar wet en orde, rust en harmonie is ijdel omdat hij alleen maar winst kan maken in een sfeer van wetteloosheid en wanorde. Zijn mijn is een «spleet in de duisternis» die zijn vage altruïstische ambities én zijn liefde voor mrs. Gould fnuikt. Hij is slachtoffer van zijn zilvermijnfixatie, en afhankelijk van tycoon Holroyd in San Francisco, die de zilverstaven ontvangt in ruil voor kre dieten. Hij weet dat hij afhankelijk is van de militaire zwaarden die nooit tot ploegscharen zullen worden omgesmeed. «Er lag een dicht net werk van misdaad en corruptie over dit hele land.»

Wie zich eenmaal heeft gehecht aan een schat ontkomt er nooit meer aan. Zelfs Nostromo, alias Gian Battista alias kapitein Fidanza, ontkomt niet aan het lot en pleegt verraad aan zichzelf en aan degene van wie hij houdt, Giselle, de dochter van hotelier Girgio Viola en Garibaldi-volgeling: het zilverstavenvervoer in de baai van Sulaco loopt uit op een calamiteit waardoor Nostromo zijn dienstbare houding afschudt. Hij wil geen hond meer zijn die moet jagen en vechten voor de rijken; hij bevrijdt zich ogenschijnlijk, maar loopt vast in de fuik van eigenbelang.

De romantisch geëngageerde journalist Decoud verkondigt tegenover mrs. Gould enige hopeloze waarheden. De rijkdommen van Zuid-Amerika zijn van belang voor het progressieve Europa, die schaamteloze zeerover. «Op onszelf rust een vloek van vruchteloosheid: Don Quichot en Sancho Panza, ridderlijkheid en materialisme, hoogdravende sentimenten en een lakse moraal, hevige inspanningen voor een idee en een gemelijke berusting in elke vorm van corruptie.»

Daar gaat Nostromo over, en ieder personage wordt bezoedeld door de zilvermijn, van het medisch hoofd van de mijn dr. Monygham tot de zich doodlopende boodschappenjongen Nostromo. En de rijken blijven honger en dorst lijden omdat het zilver hun leven verpest.

Nostromo is niet alleen een nog immer krachtige aanklacht tegen kolonialisme, zoals Heart of Darkness (1902). In beide boeken wordt het vernislaagje dat over de beschaving ligt weggeschuurd, waarna haat en heksenjacht van atavistische fanatiekelingen zegevieren. De gewelddadige geest van Costaguana is niet typisch Zuid-Amerikaans, zoals de Kongolese «wilden» in Heart of Darkness niet gekker zijn dan de Europese kolonialen en Kurtz, die in de afgrond van zijn eigen morele duisternis staart («Afgrijselijk, zo afgrijselijk!»), hopeloze hebzucht ziet en massale moord en doodslag uitoefent. «De geest van de mens is tot alles in staat — omdat hij alles bevat, het hele verleden zowel als de hele toekomst.» (Heart of Darkness)

In El País schreef Mario Vargas Llosa naar aanleiding van de huidige anti terrorismeoorlog in Afghanistan en de vrijheid van Afghaanse vrouwen anno 1964 een meeslepend essay over Heart of Darkness, en indirect over Nostromo: De grafkelders van het menselijk bestaan. De geschiedenis omschreef hij als een eeuwigdurend conflict tussen twee botsende krachten: de vooruitgang leidend tot rationaliteit en vrijheid versus de achteruitgang waarbij onredelijkheid, instincten, monolithisch denken en religieus fundamentalisme overheersen. Volgens Karl Popper «de Open Maatschappij en haar vijand, ‹de roep om de stam›».

Joseph Conrad schreef met Heart of Darkness en Nostromo profetische romans die de politiek geen warm hart toedragen en de hoop op vooruitgang op elke bladzijde tarten. Wie wil weten waar de Taliban vandaan komen, kan te rade gaan bij Conrads romans van een eeuw geleden. Nostromo stelt dwingende, indringende vragen over wat beschaving en vooruitgang is, hoe materialisme menselijke waarden bezoedelt en wat kolonialisme met traditionele tribale gemeenschappen kan uitspoken. Dat het christendom zich beter verdraagt met beschaving dan de islam, aldus Llosa, omdat het dankzij de Verlichting een duidelijker seculier karakter heeft gekregen dan de meer naar de Middeleeuwen neigende islam, is een bewering die de pessimist Joseph Conrad honderd jaar geleden een satanisch glimlachje zou hebben ontlokt.

Joseph Conrad, Nostromo: Een verhaal over een kustplaats

Vertaling, nawoord en noten Jan Pieter van der Sterre , uitg. IJzer, 596 blz., ƒ99,50