Zin

Hij is acht. Hij heeft de stoel naar het raam geschoven. Moeizaam klimt hij in de crapaud waaroverheen een somber kleed ligt, gaat zitten en kijkt naar buiten. Daar voetballen de jongens.

‘Waarom doe je niet mee?’ vraagt zijn moeder.
‘Wil niet’, zegt de jongen.
‘Word je gepest?’

Hij schudt zijn hoofd. Hij vindt kijken leuk.

Zestig jaar later kijkt hij nog steeds uit het raam. In de nieuwbouw tegenover hem trekken jonge bewoners in. Ze spreken een merkwaardig soort Engels. Expats. Hun kleren lijken duur. De man draagt een kostbare computertas, de vrouw zwarte pumps met zeer hoge hakken. Kontje iets naar achteren.

‘Wat valt er te zien?’ vraagt zijn vrouw.
‘Niks’, zegt hij.
‘Waarom ga je niet weer een boek schrijven?’

De vraag ergert hem meer dan hij kan zeggen. Een boek! Wel ja! ‘Wil niet’, zegt hij.

Ze doet er het zwijgen toe. Als hij zo’n humeur heeft, staan zijn stekels uit. Hij voelt dat ze met het antwoord geen genoegen wil nemen en probeert een formulering te vinden zonder te ontploffen.

‘Waarom toch niet?’ vraagt ze.

Op de een of andere manier zit het verzachtende in het woordje ‘toch’. Het is het toch van: wat is er toch met je? Hij wil niet bot reageren en besluit met ‘toch’ terug te kaatsen. ‘Het heeft toch geen zin.’

Hij draait zich om. Ze heeft haar jas aan. Gaat ze ­boodschappen doen?

Ze is blij dat hij antwoordt. Maar wat betekent deze zin? Moet ze hem troosten? Is het een vlakke constatering? Is het een uitnodiging om door te vragen? Doorvragen houdt vaak een risico in, weet ze; hij is een grootmeester in het zichzelf in de put praten. Omdat het lijkt of hij in een iets mildere bui raakt, besluit ze het erop te wagen. ‘Wat heeft toch geen zin?’

Hij besluit een deel van zijn hart te luchten en hoopt daarmee niet al te kinderachtig te klinken. ‘Dat alles zinloos is, zeg je als je dertig bent, maar besef je als je de zestig bent gepasseerd. Waarom zou je, als Sisyphus, de rots nog eens naar boven duwen en weer van boven naar beneden laten rollen. Sisyphus had geen keus. Ik wel.’

‘Als je niet schrijft, ben je geen schrijver’, zegt zijn vrouw.
‘Dan ben ik maar niets!’

Ze hoort duidelijk het uitroepteken achter de zin. Het irriteert haar. Zijn uitspraak vindt ze een vorm van egocentrisme. ‘Als jij niets bent, zoals je stoer zegt, wat ben ik dan?’

‘Hoe bedoel je… wat ben ik dan?’
‘Zoals ik het zeg: jij bent niks, zeg je, maar wat ben ik dan? Ook niks? Ben ik dan ook al die tijd niks geweest?’

Hij draait zich om. Ze heeft haar jas aan. Gaat ze boodschappen doen? ‘Besef jij dan niet dat het allemaal zinloos is? Als ik een boek schrijf, dan…’

‘Ik heb het even niet over jou. Ik heb het over mij! Wat is mijn steen die ik naar boven moet duwen? Hoe maak ik mijn leven zinvol?’
‘Hoe maak jij je leven zinvol?’ herhaalt hij dommig.

‘Fijn dat je dat na dertig jaar vraagt. Maar een deel daarvan bestaat… bestond… bestaat uit een vorm van trots dat ik naast iemand mocht bestaan die ik een mooie geest vond hebben, die om mij heen kon dwarrelen als een veelzeggende alinea en die mij kon behandelen als een prachtig gedicht. Iemand dus die aan mijn leven zin gaf door wat hij deed, door zijn schrijven! Dus als jij veronderstelt dat het allemaal zinloos was en daarmee suggereert dat jouw leven zinloos was, dan geef je daarmee ook een oordeel over mijn leven.’

Hij wil haar zinnen corrigeren. Maar hij draait zich om. Hij wil niet dat zij zijn schaamte ziet. Hij kijkt naar buiten. De nieuwe jonge buurman groet hem.