Toneelgroep de Appel speelt Odyssee

‘Zing van de man van de duizend listen’

Uit de 24 boeken van Homeros’ Odyssee heeft Toneelgroep De Appel een toneelmarathon gemaakt die van half twee in de middag tot na tienen in de avond duurt. Van die duur merk je niets. Elf toneelspelers maken een vertelling die staat als een huis.

‘Zing van de man van de duizend listen, Muze, die zoveel/ rondzwierf, nadat hij de heilige stad van Troje verwoest had/ die van veel mensen zag hoe ze woonden en wist hoe ze dachten/ die veel ellende kreeg te verduren op zee terwijl hij/ vocht voor zijn leven en voor de thuiskomst van zijn vrienden (…) Zing de verhalen/ ook voor ons, Muze, dochter van Zeus en begin maar ergens.’ Zo start de herdichting van Homeros’ Odysseia door Imme Dros. Begin maar ergens. Aus Greidanus (tevens de regisseur) deed de eindredactie van de zes toneelteksten, dramaturg Alain Pringels hield de verhaallijnen in de gaten, Jules Terlingen deed het monnikenwerk, hij schreef basisteksten waarbij hij in veel bronnen (naast Homeros ook de tragedieschrijvers Sophokles en Euripides) schoffelde. Het resultaat is een constructie van zes vertellingen.

Zes vertellingen

In het eerste deel, Sparta, komt Odysseus niet voor. Dit deel draait om zijn zoon Telemachos, die de thuisbasis Ithaca heimelijk heeft verlaten om de op drift geraakte vader te gaan zoeken. Hij weet niet dat zijn vader wordt achtervolgd door de wraakzucht van de god der zeeën, Poseidon, die hem de thuisreis onmogelijk maakt. Telemachos ervaart in Sparta aan den lijve hoe het is om in de ban van Helena te raken, de vrouw om wie de Trojaanse oorlog begon, nog altijd erg mooi en met een magnetische aantrekkingskracht. In de vertelling heeft dit deel de functie van een soort feitenrelaas over het eind van de oorlog om Troje. Eenduidig is dit relaas niet. Over zijn vader krijgt Telemachos tegenstrijdige berichten te horen.

Dan doen we een stap terug in de tijd. Deel twee heet Aia en speelt zich af op het gelijknamige eiland voor de Noord-Italiaanse kust, waar Odysseus wordt ‘gegijzeld’ door de tovenares Circe, bij wie hij een kind verwekt. Zijn manschappen, voor zover nog in leven, ontbreekt het aan niets, eten in overvloed, veel drank – enkelen houden er een verslaving aan over – en vrouwen bij de vleet. Hier krijgen we de achterkant van een voorbije oorlog te zien: getraumatiseerde mannen die naar hun familie in Ithaca willen. De tovenares Circe laat Odysseus en zijn mannen gaan, maar de krijgsheer moet eerst naar de Hades.

Zo heet het derde, het meest sobere deel van de cyclus, Hades, het dodenrijk waaruit geen sterveling ooit weerkeert. Odysseus wel. Hier ontmoet hij enkele doden uit de Trojaanse oorlog, maar ook zijn strijdmakker Elpenor, die hem smeekt te doen wat hij in de haast om Aia te verlaten niet kon: hem begraven, nadat hij straalbezopen van een hoog dak was gevallen. Dit verstilde deel is een keerpunt in de vertelling. Odysseus staat oog in oog met zijn sterfelijkheid. Zijn legendarische listen en praatjes helpen hem niet meer. Hij mag als een van de zeer weinigen de Hades weer verlaten. En doet dat als een totaal ander mens.

Deel vier, Olympos/Ogygia, begint met een hilarische vergadering van de goden – in Homeros’ oorspronkelijke verhaal eerder gesitueerd – waarin godin Athene, Odysseus’ beschermvrouw, bij de goden afdwingt dat hij eindelijk naar huis mag. Hij verblijft op dat moment al zeven jaar op het eiland Ogygia, waar de onsterfelijke godin Calypso heerst. Die wil Odysseus bij zich houden en biedt hem onsterfelijkheid aan. Odysseus weigert. Hij heeft in de Hades zijn sterfelijkheid aanvaard. Hij vertrekt op een zelf gebouwd vlot. Van zijn troepen is ondertussen niemand meer in leven. Hij is een dolende vreemdeling geworden. Zo spoelt hij aan op het eiland Scheria, een paar honderd kilometer ten noorden van zijn thuisbasis Ithaca.

Zo heet ook het voorlaatste deel van de cyclus, Scheria. Odysseus wordt hier vorstelijk ontvangen. Niet iedereen is blij met zijn komst. Wanneer een blinde verteller tijdens een copieus diner het slot bezingt van de oorlog in Troje, onthult Odysseus zijn identiteit. Roeiers van het volk van Scheria, de Faiaken, brengen Odysseus naar huis, naar Ithaca, de titel van het slotdeel. Hij weet wat hij daar gaat aantreffen. ‘Vrijers’, vorstenzonen uit omringende eilanden, dingen naar de hand van Odysseus’ vrouw Penelope, die al twintig jaar wacht op de terugkeer van haar man. De vorst van Ithaca en zijn zoon Telemachos richten onder die vrijers en hun aanhang een bloedbad aan. Als dit deel begint, is dat bloedbad al voorbij. De getraumatiseerde oorlogsveteraan Odysseus kan nauwelijks stoppen met moorden en zijn zoon Telemachos al helemaal niet. Penelope kijkt ontzet toe. Het slotwoord is aan de stokoude voedster van zowel Odysseus als Telemachos. ‘Even geen verhalen meer!’

Zes omgevingen in één open ruimte:

vormgeving

Ontwerper Guus van Geffen heeft in het Appeltheater een grote open ruimte laten bouwen van Elisabethaans-Shakespeareaanse allure, a bare stage, een grote vlakte. De speelvloer is betegeld, er zijn drie balkons – en diverse gelijkvloerse mogelijkheden voor opkomsten en afgangen. Per deel wordt de ruimte heringericht. In Sparta, het openingsdeel dat de bedrieglijke luxe uitwasemt van de rust na een gewonnen oorlog, is het licht (ontwerp: Guus van Geffen en Henry van Niel) kalmerend, van een soort saunakleur. In de vloer zijn twee verzonken badkuipen voor Telemachos en zijn vriend Peisistratos. Er is wijn in overvloed. En er hangt dreiging in de lucht. Die dreiging wordt zichtbaar in de vormgeving van Aia, deel twee. De open ruimte is onherkenbaar ‘verminkt’: een vlakte vol primitieve bedden, de legersteden van getraumatiseerde soldaten die zich te pletter vervelen. In deel drie, Hades, gaat alles op zwart, gedempt licht, een vloer vol vuilnis, een afwerkplek – volgens de homerische mythen werd de Hades gesitueerd in de directe omgeving van de actieve vulkaan Vesuvius en zo desolaat ziet dit deel er ook uit. In deel vier, Olympos/Ogygia, is de open vlakte klinisch hel belicht. De ruimte wordt beheerst door een enorme vergadertafel voor de godenbijeenkomst op de Olympos. Odysseus’ direct aansluitende afscheid van de godin Calypso is een prachtig uitgelichte, zeer verstilde scène aan de rand van het podium, links voor. Voor Scheria, het eiland van het vreemdelingvriendelijke volk der Faiaken, is een ruime zitkamer ontworpen met veel oranjekleurige banken. Hier is het licht weer rustgevend vriendelijk. In het slotdeel Ithaca keert de bare stage terug, een vloer vol bloedresten van de slachting die reeds heeft plaatsgehad. De epiloog is opnieuw een sober uitgelichte scène. Twee toekijkers, slaven eigenlijk, op een bankje, rechts voor.

De kostuums (en de pruiken) zijn van Annelies de Ridder. Die had een titanenklus te klaren. Er is maar één toneelspeler die één rol speelt (Odysseus), de overige tien toneelspelers nemen een grote reeks andere rollen voor hun rekening. Op de tekentafel van De Ridder en in het atelier van Toneelgroep De Appel zijn ware wonderen verricht. Vol citaten uit ons collectieve beeldgeheugen. Van de filmversie van Who’s Afraid of Virginia Woolf tot en met Lord of the Rings. Van Guantánamo Bay tot en met Geert Wilders. Meer verklappen is zonde. Nou goed, één voorbeeld dan. In het slotdeel Ithaca draagt Odysseus’ vrouw Penelope een donkerblauw-zwarte robe met een enorme sleep. En die sleep slurpt in de loop van dit deel het bloed van de vloer op. Dat beeld is van een overrompelende schoonheid. Tot slot: tot de vormgeving hoort ook het klankdecor, in het programmaboek ‘muziek en geluid’ geheten, ontworpen, bedacht en gecomponeerd door Carl Beukman en Jorg Schellekens. Dat moeten twee geluidsgenieën zijn. Iedere regelmatige toneelbezoeker weet hoe hinderlijk de opdringerigheid van omgevallen cd-kasten in een voorstelling kan wezen. Het klankdecor van dit duo is vooral dienstbaar aan de handeling, af en toe jubelend aanwezig, vaak ergens mompelend op de achtergrond. Het mooie van briljante klankdecors is wanneer je dat pas merkt als het op de speelvloer stil is.

Verbeelding van het menselijk tekort: toneelspelen en regisseren

Ik laat me in een toneelzaal graag verrassen en verbazen. En beduvelen ook. Toen de elf toneelspelers zo rond kwart over tien, na ruim zes uur hard werken het applaus ‘namen’, was het eerste wat ik dacht: zo’n kleine groep acteurs die zó’n gigantische onderneming zijn aangegaan – het is een wonder, het zijn er maar elf! De magie van het toneel, die hypnotiserende manier van beduvelen. Wat ik ook meende te zien op die elf vermoeide maar stralende gezichten: dit is puur ensemblewerk. En wat ik ook dacht, was: hier is toneel onder meer voor uitgevonden. Grote vertellingen maken over het menselijk (en in dit geval ook: het goddelijk) tekort, en dan wel enorm samen.

Hugo Maerten speelt Odysseus en hij doet dat voorbeeldloos mooi. In het tweede deel, als hij zijn eerste opkomst heeft, zie je nog een schim van de krachtige krijgsheer met charismatisch gezag over zijn mannen. Daarna krijgen we vooral de achterkant te zien van de listige generaal, die de truc met het Trojaanse Paard bedacht. We zien een twijfelaar, een wanhopige zoeker, een dolende die zichzelf schil na schil afpelt, tot er in het slotdeel eerst alleen nog maar een woedende moordmachine overblijft en daarna een echtgenoot die het hart van zijn vrouw Penelope opnieuw wil winnen.

De overige tien toneelspelers vormen een groep die bestaat uit een mix van jonge acteurs en oudgedienden. Marguerite de Brauw toont de rijke kanten van haar veelzijdige talent in de godin Aphrodite (een kakelende _RTL Boulevard-_muts) en de koningsdochter der Faiaken, Nausikaä, die hopeloos verliefd wordt op de aangespoelde Odysseus. Isabelle Chapel is als de godin Athene ook en vooral actief als vertelster die de delen met elkaar verbindt. David Geysen laat veel en in ieder geval twee kanten van zijn toneelspelerstalent zien: Telemachos, Odysseus’ zoon, uitbundig, type ruwe bolster blanke pit in het eerste deel en een griezelige, niet meer te temmen moordmachine in het laatste. Daarnaast: Elpenor, een kapot getraumatiseerde soldaat uit Odysseus’ leger, in korte tijd van heel jong zeer oud geworden, verstild, een binnenwereld waarover je alleen maar angstige vermoedens kunt hebben. Ik heb ademloos naar hem gekeken.

Judith Linssen neemt een reeks vrouwen voor haar rekening, waarvan ik Circe (in het tweede deel Aia) het meest imposant vond: een klassehoer die een groot verhaal aan haar kont heeft hangen, waarvan we maar een deel te zien en te horen krijgen, maar dat is dan ook meteen imposant. Jules Terlingen en Bob Schwarze nemen samen zeven partijen voor hun rekening. Ze zijn meesters in de finesse, het fijnzinnige detail. Ze blinken uit – waarmee overigens niets is miszegd over hun andere rollen – in respectievelijk Perimedes en Eurylochos, twee maten uit Odysseus’ leger, die vanuit Aia meereizen naar de Hades en daar moeten achterblijven. In Aia zijn het felle opstandigen, in Hades berustende vertellers. Hubert Fermin transformeert maar liefst in zes personages, waarvan Menelaos (in Sparta) en Agamemnon (in Hades) grote indruk maken. Hij vertegenwoordigt daar de posttraumatische depressie onder de Griekse generaals in en na de strijd om Troje. Fermin heeft een mooie zing-zeggerige tekstbehandeling die perfect bij deze melancholie past.

En dan Geert de Jong en Sacha Bulthuis. Die twee spelen je hart kapot. Geert de Jong eerst als de ouder geworden maar bloedmooi gebleven Helena, die haar relaas vertelt over de slotfase van de Trojaanse oorlog. Later als Penelope, die tijdens de slachting op Ithaca in een halfslaap wordt gehouden en pas daarna ziet dat – na twintig jaar wachten op haar man – de oorlog onder haar ogen gewoon doorgaat. Uit haar ogen vlamt een woedende wanhoop als blijkt dat haar man en haar zoon óók slachtoffers hebben gemaakt die ze helemaal niet hadden mógen maken. Geert de Jong geeft aan het slotdeel een dimensie die ik nog niet kende of me niet herinneren kon: ogenschijnlijk gerechtvaardigde wraak treft in haar blindheid ook de verkeerden. Sacha Bulthuis speelt – naast een hilarisch grappige godin Hestia en een verstilde godin Circe – voornamelijk slavinnen. Daarin is ze commentator van de handeling. En laat dat rustig aan Sacha Bulthuis over. Met één simpele handbeweging, gemompel in een sloffende loop en een tekstbehandeling met een licht ironische ondertoon om je vingers bij op te vreten, creëert ze in de kleinste rollen parels van toneelspelersvernuft.

Regisseur Aus Greidanus speelt mee en ik moet zeggen: dat geeft het ensemblewerk van deze troep een meerwaarde die ik niet had willen missen. Hij doet dat met overtuigend speelplezier. Als regisseur moet je op een bepaald moment afscheid van een voorstelling nemen. Dan is-ie van de acteurs. Speel je zelf mee, dan zet je je werk voort met andere middelen. Hij speelt zes rollen, waarvan die van Achilles in Hades het meest verstild is en die van Zeus op de Olympos het meest hilarisch – die opkomst ga ik dus niet verklappen; Greidanus was zo geraffineerd verbouwd dat ik hem bij eerste oogopslag helemaal niet herkende. Greidanus’ regie is het cement van dit imposante gebouw. Je merkt aan de mise-en-scène, aan de vrijheid die hij zijn acteurs heeft gegeven, aan de perfecte speel-‘kleur’ die hij voor ieder deel heeft gevonden, dat hij ook de eindredacteur van de uiteindelijke tekst is.

Het resultaat staat er nu, als een groot en massief toneelhuis. Hulde!

Odysseus speelt nog tot en met 1 juni in het Appeltheater in Den Haag. Inlichtingen en speellijst: www.toneelgroepdeappel.nl, kassa: 070-3502200