Zinkend schip

Als er een ceremonie bestond waarin jaarlijks de Oscars voor hypocrisie, bedrog en dubbele moraal konden worden uitgereikt, zou ik al mijn geld op Frankrijk zetten. Een beetje chauvinisme mag af en toe wel, dunkt me. De prijzen in de categorie beste acteurs en beste regie zouden vanzelfsprekend aan het Franse politieke bedrijf worden toegekend. En dit, natuurlijk, jaar in jaar uit.

Gisteravond zag ik ineens mijn favoriete schijnheilige, de voor het leven genomineerde Jacques Chirac, op de televisie. Hij speelde een modieuze rol: de kapitein van de Titanic. Staande voor de camera, alsof hij zich aan een denkbeeldige reling vastklampte, sprak hij vanaf zijn zinkende schip het volk der drenkelingen toe.
Een merkwaardige toespraak. De Franse president deed alsof hij zich tot de natie richtte, liet de Marseillaise voor en na zijn boodschap weerklinken, maar in feite was zijn message voor een zeer kleine elite bestemd: zijn eigen politieke vrienden die hem in de steek dreigen te laten. Daarom waarschuwde Chirac alle rechtse gekozenen, neogaullisten van de RPR en neoliberalen van de UDF, dat ze onmiddellijk moesten ophouden met hun openlijke vrijage richting het Front National van Jean-Marie Le Pen.
Maar hoe krijg je de ratten weer aan boord van een zinkend schip? Chirac moet hierover diep hebben nagedacht en nam een kernbesluit: hij hekelde voor de eerste keer in zijn loopbaan en in een offici‰le toespraak het ‘racistische’ en 'xenofobische’ karakter van het Front National. Stevige taal die door de Franse pers de volgende dag unaniem geprezen werd.
Dat deze ranzige mosterd na de maaltijd komt, kunnen de drie miljoen met vreemdelingenhaat volgevreten Franse kiezers beamen die bijna twee weken geleden tijdens regionale verkiezingen op het Front National hebben gestemd. Zo een heilzame waarschuwing doe je meestal v¢¢r een verkiezing en niet tien dagen erna. Dat Chirac zich nu plotseling lijkt te bekommeren om de racistische trekjes die een aanzienlijk deel van zijn landgenoten vertoont en over het kwakkelende beeld dat Frankrijk van zichzelf in het buitenland geeft, is natuurlijk zeer betrekkelijk. Over dat laatste zal ik kort zijn: van een slecht Frans imago in den vreemde had de president totaal geen last toen hij in 1995 zijn nucleaire campagne op Mururoa begon.
Wat betreft het racisme van la douce France zou Chirac er goed aan doen in zijn eigen verleden te spitten. Toen duidelijk werd, vanaf de Europese verkiezingen van 1984, dat het Front National met zijn vreemdelingenhaat op minstens tien procent van de stemmen kon rekenen, deed Chirac zijn uiterste best om met soortgelijke argumenten als de partij van Le Pen wat van diens electoraat af te snoepen. Le Pen reageerde lacherig door zijn historische grapje te lanceren: 'De kiezers prefereren het origineel boven de kopie.’ Gaullist Charles Pasqua, destijds rechterhand van Chirac en minister van Binnenlandse Zaken, constateerde koeltjes en niet zonder de goedkeuring van zijn baas dat 'wij en het Front National in feite dezelfde waarden delen’. Maar dit was nog niet genoeg, want nieuwe kiezers bleven naar het Front National stromen.
Inmiddels was het 1988 en lonkte Chirac naar het presidentschap van de Franse republiek. Tijdens de campagne viste hij zorgvuldig zijn thema’s uit het moddervijvertje van het Front. Zo verklaarde hij dat hij het racisme niet kon aanvaarden, maar wel begrip kon opbrengen voor de mensen die met dat gevoel rondliepen. Hij liet ook niet na zijn potenti‰le kiezers te doen geloven dat Mitterrand van plan was het kiesrecht voor buitenlanders - in Frankrijk een verschrikkelijk taboe - te introduceren. Het schrikbeeld van immigranten met bevoegdheden in de structuur van de staat werd door hem te pas en te onpas naar voren geschoven. Zo verklaarde hij op de Franse radio: 'Als je hun het stemrecht geeft, geef je zo ook het recht te worden gekozen… Kunt u zich dan meneer Khomeiny voorstellen als lid van de gemeenteraad van Neauphle-le-Chteau?’ Chirac doet wat dubieuze humor betreft niet echt onder voor die andere grapjas van het Front. Enkele jaren later liet hij voor de televisie weten dat hij zich goed kon indenken dat Fransen geen trek hadden in een buitenlander als buur. 'En dan heb ik het nog niet over de geur’, voegde hij er, druk gebarend en grijzend, aan toe.
Maar nu dreigt de ramp en de eenzame kapitein komt op het dek om het racisme aan de kaak te stellen. Te laat: tal van zijn partijgenoten hebben al die jaren goed naar kopie-Chirac geluisterd en zien daarom niet waarom ze niet met het origineel-Le Pen zouden kunnen samenwerken. De ijszee, meneer de president, is wijd en koud.