Geschiedenis: De Gouden Koets

‘Zinledige traditie van uiterlijken praal’

De koets die koningin Wilhelmina van de bevolking van Amsterdam cadeau kreeg, was inzet van een politieke strijd in de Jordaan.

Ontwerptekening voor de beschildering van de Gouden Koets door Nicolaas van der Waay, 1898 © Archief van de Rijtuigfabriek Gebroeders Spijker / Amsterdams Stadsarchief

De Gouden Koets is over het dak van het Amsterdam Museum getakeld. Misschien moet het ding daar maar blijven: het is het schoolvoorbeeld van een ‘bedachte traditie’, een voorwerp dat in zichzelf absurd is maar tegelijk de drager van een belangrijke boodschap. Het lijkt erop dat de houdbaarheid daarvan is verstreken.

Toen koningin Wilhelmina achttien jaar werd kreeg ze van haar moeder, koningin-regentes Emma, een koets cadeau: een lichte, elegante open calèche, uitgevoerd in zacht crème, spaarzaam versierd met vergulde ‘gratiën’, een koningskroon, een lauwerkrans en een zegenpalm. Voor zijn tijd was dit een smaakvol voertuig, passend bij een jonge ongehuwde vrouw aan het begin van een leven als vorstin.

De stad Amsterdam had kort daarvoor ook het plan opgevat de nieuwe koningin een galarijtuig te geven. De secretaris van de Vereeniging van het Amsterdamsche Volk, Nicolaas Renz, schreef in september 1896 aan koningin Emma dat ‘een groot aantal personen uit de Amsterdamse volksklasse, vertegenwoordigende duizenden en duizenden Oranjemannen’ het geschenk wilden aanbieden. Het zou worden betaald uit ‘kleine volksbijdragen’ en ‘geheel door Amsterdams werkvolk worden vervaardigd’. De koninginnen sloegen het aanbod beleefd af, met het excuus dat Wilhelmina bij haar inhuldiging liever geen cadeaus wilde.

De legende – ik noem het een legende – wil dat het initiatief afkomstig was van een Oranjevereniging in de Willemsstraat, in het meest verpauperde deel van de Jordaan, georganiseerd rond de zonen van Jacobus Mens, bijgenaamd ‘de Bokkebek’. Die zonen, Leendert en Jacobus jr., waren de drijvende kracht achter straatversieringen, erepoorten en optochten bij feestelijkheden als de herdenking van de inname van Den Briel in 1872, het zilveren regeringsjubileum van Willem III in 1874 of zijn zeventigste verjaardag in 1887. De Kring van Oranjevrienden rond de Bokkebekken was echter ook een semi-maffioze knokploeg die buurtbewoners, politie en stadsbestuur fysiek intimideerde en zich graag liet gelden bij antisocialistisch oproer. Het regeringsjubileum in 1874 was voorafgegaan door een ‘Oranjefurie’, drie dagen van rellen, waarbij ‘rode’ winkels en cafés kort en klein geslagen werden. Die rellen vormden een serieuze bedreiging voor het breekbaar evenwicht in de overbevolkte en verarmde stad, maar de overheid liet blijken waar haar sympathie lag: Leendert Mens werd in 1874 door de koning in audiëntie ontvangen in het Paleis op de Dam. In april 1887 reden koningin Emma en prinses Wilhelmina in een open koets door de Willemsstraat.

Een zwager van de Bokkebekken werkte bij Rijtuigfabriek Spijker (later Spyker). Het ligt voor de hand dat het werkelijke initiatief daar vandaan kwam. De gebroeders Spijker hadden voor ze aan hun inhuldigingsproject begonnen in hun werkplaats in Amsterdam twee gouden koetsen gemaakt, voor de vorsten van Solo en Djokjakarta. De voorzitter van het ‘erecomité’ voor de inzameling was Jan Herman van Eeghen, die toevallig commissaris bij Spijker was (zij zouden later een ‘zilveren arreslee’ voor hem bouwen). Het benodigde geld, 120.000 gulden, kwam bij elkaar, maar de inzameling in de volksbuurten zou maar weinig hebben opgeleverd: ‘Men zegt dat het leeuwendeel met rijksdaalders en tientjes en niet met kwartjes is bijeengebracht’, aldus Het Volksdagblad.

Het moge duidelijk zijn dat de ‘socialen’ niets met het project te maken wilden hebben. Zij zagen het koningshuis als symbool van maatschappelijke ongelijkheid; de Oranjes werden door de heersende klasse gebruikt als dekmantel om de klassenverhoudingen te bestendigen. Het is best mogelijk dat Emma en Wilhelmina het geschenk in eerste instantie afsloegen omdat ze aanvoelden dat het de verdeeldheid in stad en land zou vergroten, niet verkleinen. Later kwamen ze erop terug en verklaarden zich bereid de koets toch te aanvaarden, zij het niet op het moment van de inhuldiging.

De publicist Pieter Lodewijk Tak maakte het terechte punt dat zo’n Gouden Koets helemaal niet bij het moderne koningschap paste: ‘Maar wel zie ik dat het vestigen van zulke zinledige tradities van uiterlijken praal, het gebruiken van koetsen als waarin nooit een Vorst hier te lande reed, tegen de beweging van deze tijden en tegen de belangen van het koningschap lijnrecht ingaat.’ Hier legde Tak de vinger op wat Eric Hobsbawm later muntte als ‘invented tradition’. Hobsbawm zag dat in de tweede helft van de negentiende eeuw sociale patronen in het Verenigd Koninkrijk verzwakten als gevolg van snelle veranderingen door de Industriële Revolutie. De elite legde zich daarom toe op het uitvinden van tradities, nieuwe rituelen, nieuwe symbolen, elementen uit het verleden die gedeeltelijk verzonnen waren, gedeeltelijk vervalst, maar die op een overtuigende manier authenticiteit, ouderdom en dus bestendigheid suggereerden. Dat proces vond ook in de jonge Nederlandse monarchie plaats. Nederland was sinds de grondwetswijzigingen in feite een republiek. Net als in het Verenigd Koninkrijk was het koningshuis staatsrechtelijk overbodig geworden, goeddeels onbemind, maar bovenal: onzichtbaar.

De belangrijkste bood­schap is er een van nieuw elan en ‘volksverjonging’

Na de dood van de onhandelbare Willem III in 1890 redde koningin Emma de monarchie en de rol van het Oranjehuis daarbinnen. Zij gedroeg zich politiek voorbeeldig, waardoor ze de Haagse elite voor zich innam, en zij ging met haar dochter het land in. Journalist en mede-oprichter van de sdap Frank van der Goes sprak van ‘een vriendelijk vrouwtje met lieve woordjes en een meisje met korte rokjes’. De cultuur van de Nederlandse monarchie was nooit bijzonder grandioos geweest, had al nooit in grote staatsiekoetsen rondgereden, maar ze werd nu steeds burgerlijker, toegankelijker en zichtbaarder en kwam zo steeds dichter bij de onderdanen, een proces dat uitliep op de fiets van Juliana en de kus van Beatrix, ook in de Jordaan.

De inhuldiging van Wilhelmina in 1898 was een cruciaal moment in wat historicus Niek van Sas het ‘Nederlands neo-nationalisme’ noemde, een besef dat nog ‘elastisch en kameleontisch’ was en nu vorm en lading kreeg. Dat had een conservatief en een progressief gezicht. Conservatief was het nationaal geschenk: een enorm glas-in-loodraam in de Nieuwe Kerk, waarin Wilhelmina werd afgebeeld, hand op de bijbel, als telg van een groots geslacht met Willem de Zwijger als oorsprong. De geestelijk vader van dat programma was de oude historicus Robert Fruin. Voor hem belichaamde Oranje de historische eenheid van de natie en was de republiek eigenlijk een historische vergissing. Het verbaast niet dat het katholieke volksdeel zich niet bij dat geschenk aansloot. Het organiserend comité had geheel uit protestanten bestaan en Willem de Zwijger was in katholieke kringen allesbehalve een heilige.

De Gouden Koets was als voertuig vreemd ouderwets. De Spijkers grepen terug op de galakoets die de Staten Generaal – niet het Oranjehuis – vanaf het eind van de zeventiende eeuw zouden hebben gebruikt. In de decoratie presenteert de koets een merkwaardig amalgaam van conservatieve en progressieve ideeën. Het is niet bekend wie de geestelijk vader van dat programma was. In het Koninklijk Huisarchief is er geen correspondentie over bewaard; er is ook geen briefwisseling bekend tussen de Spijkers, de makers van het beeldhouwwerk, de vervaardiger van de schilderingen en een eventuele historicus. De beeldhouwers waren Emil Van den Bossche en Guillaume Crevels. Zij maakten overal in het land dit soort symbolisch werk, bijvoorbeeld het grote fries in de Koninklijke Wachtkamer van station Hollands Spoor, ‘Huldiging van het Koningschap’. Ze moeten nauw hebben samenwerkt met de schilder, Nicolaas van der Waay, die ze in het Amsterdamse al langer moeten hebben gekend. Hij was hoogleraar aan de Kunstacademie, maar een praktische kerel – hij decoreerde in Amsterdam ook een groot visrestaurant.

Op het dak van de koets liggen de regalia, ook al zo’n ‘invented tradition’ – aan de inhuldiging komt nooit een rijksappel of een rijkszwaard te pas, die dingen waren niettemin een keertje vervaardigd. Ze worden gedragen door personificaties van arbeid, handel, scheepvaart en landbouw. De twaalf spaken van de wielen zijn zonnestralen. Op de velgen zijn de tekens van de dierenriem aangebracht, rondom de daklijst zijn de wapens van de provincies aangebracht plus het wapen van Amsterdam, ietsje groter dan de rest.

De belangrijkste boodschap is er echter toch een van nieuw elan en ‘volksverjonging’. De schilderingen tonen het moment van de inhuldiging als de opmaat naar een ‘modern’ Nederland, met de eerste tekenen van sociale rechtvaardigheid, met inbegrip van Nederlands opdracht als koloniale wereldmacht. Op de achterkant schrijft de muze van de geschiedenis de inhuldiging van Wilhelmina bij in het Boek der Geschiedenis; het voorpaneel (onder de bok) stelt ‘de toekomst’ voor, met de onderwijswet en sociale voorzieningen voor ziekte, ongevallen en ouderdom.

Op de zijkanten schilderde Van der Waay twee sfeervolle art nouveau-achtige friezen, vol met allegorische vrouwenfiguren in lange losse gewaden, met opgestoken haar en opvallend lange nekken. Hij hield de kleuren zacht, met veel roze, lichtgroen en lichtblauw, heel anders dan de gouden beelden op het dak. Het ene paneel toont een ‘Hulde aan Nederland’, met in het midden een vrouw die tegelijk Nederland en Oranje vertegenwoordigt, omringd door Vrede, Onderwijs, Geloof, Landbouw, Muziek, Dichtkunst, Wetenschap, Recht, enzovoort. Het andere paneel toont de ‘Hulde der Koloniën’. Aan de voeten van de Nederlandse Maagd worden producten uit West- en Oost-Indië eerbiedig aangeboden door een Indische vorst en een knielende zwarte Antilliaan of Surinamer. Links geeft een man in toga een boek aan een zwart jongetje, als teken van ‘onderwijs’; rechts beschermt een vrouw drie Indische jongens beladen met handelswaar tegen ongure types, die de andere machten in de Oost voorstellen, de onbetrouwbare Britten en de Arabieren.

Dit zijn onmiskenbaar pijnlijke scènes, dat hoeft natuurlijk geen betoog. Toch is het interessant dat hier geen koning of koningin te zien is, geen soldaten of matrozen, geen historische figuren als Coen, Daendels of De Kock. Hier wordt vooral een ethisch ideaal uitgedragen, met verheffing en bescherming als kernwaarden. De tronende Nederlandse Maagd is níet de koningin, maar bijna een spiritueel wezen, een baken van verlichting, geloof en toekomst. De toeschouwer in de Willemsstraat, die zijn kwartje aan het geschenk had bijgedragen, kon die figuur natuurlijk onmiddellijk gelijkstellen met de jonge Wilhelmina die, op het moment dat zij plaats nam in de koets, het gedroomde nieuwe Nederland vervolmaakte.

Daags na de inhuldiging kwam Wilhelmina de koets bekijken in het Paleis voor Volksvlijt, officieel ‘onaangekondigd’. Pas in 1901 reed ze er voor het eerst in. Sinds 1903 wordt de Gouden Koets gebruikt op Prinsjesdag. Dat is traditie, zegt men.


De Gouden Koets, Amsterdam Museum, t/m 27 februari, amsterdammuseum.nl