De vertellingen van duizend-en-één-nacht

Zinloos vertaalgeweld

‹Duizend-en-één-nacht› is door de eeuwen heen verminkt. Richard van Leeuwen doet daar, met zijn eerste Nederlandse vertaling direct uit het Arabisch, volop aan mee.
Diverse auteurs, De vertellingen van duizend-en-één-nacht Vertaald in drie delen door Richard van Leeuwen Uitgeverij Prometheus, 3318 blz., ƒ 89,50

De titel van Duizend-en-één-nacht bekoort velen. Ik heb echter bezwaar tegen de betoverende uitwerking die de titel heeft op onwetenden. De werkelijke betovering is, zoals we zullen zien, van literaire aard. Borges noemt het de ongetwijfeld mooiste titel van de wereld. Alf laylah wa laylah, duizend nachten en een nacht. Hij ziet of hoort er een belofte in van onmetelijkheid, oneindigheid, want, zoals hij zegt, als tijd oneindig is dan bevinden wij ons op elk willekeurig tijdstip in die oneindigheid. Waar het in dit geval echter om gaat is niet de oneindigheid maar de willekeur. Het maakt niet uit waar we ons in de tijd bevinden – en nog minder wie we zijn. Het boek leert ons, voor zover het ons iets te leren heeft, dat de mens vervangbaar is. De karakters in het boek, van visser tot vorst, zijn slechts instrumenten in de handen van het overwerkte schicksal.

Wat Borges mist is de doem die het

woord ‘nacht’ (layl) in het Arabisch heeft. Het meervoud layali is in het Arabisch metonymisch voor lotswisselingen, lotslagen. Zo zingt de dichter Antara:

Bestrijd mij, o lotslagen van de nacht
En een ander:
De nacht vergaart de kinderen van haar

liefde om mij heen



En banaatoe ’l-layl, de dochters van de nacht, zijn de beslommeringen die de mens nachtelijks plagen. Voor Sheherazade zelf is de nacht een dreiging met de dood – en ziet! daar gloort de dageraad als de snede van een zwaard boven de lieftallige hals van de vertelster. Het zijn geen nachten van verlossing, maar van verstikking. Het optimisme dat in Europa aan de titel kleeft, is misplaatst.

Dat de nacht de speelplaats is van het lot, was de Germanen ook bekend. De drie Nornen zijn de schikgodinnen die ’s nachts de levensdraden van stervelingen zoals u – niet ik – spinnen. Opmerkelijk is de uitspraak van een Norn in de opera van Wagner: 'De nacht wijkt; niets ontwaar ik meer.’ Waar de mens ’s nachts rust en overdag arbeidt, arbeiden de hogere machten ’s nachts. Demonen, vuurwezens, sluipen dan naar de sferen van engelen om hun vergaderingen af te luisteren, maar worden gestenigd door die lichtwezens met sterren. Geselsterren, stenigingssterren, in Nederland beter bekend als vallende sterren. Dit aantrekkelijk koranisch concept zal de lezer van Duizend en een nacht niet onbekend voorkomen. Als alles zich in de nacht af-speelt, moet ons leven niet een flitslicht zijn tussen twee eeuwigheden duisternis, maar een duisternis tussen twee eeuwigheden verblindende dageraad. Dit mag troostend klinken, maar is het niet. Denk maar aan de rijmende formule die elke nacht afsluit: wa adraka shahrazaad as-sabaah fa askatat ’ani

’l-kalaam al-mubaah. Het is niet alleen een lastige zin om te vertalen, maar ook de belangrijkste. Sir Richard Francis Burton, de onovertroffen vertaler (en wat Richard van Leeuwen over deze ronkende reus te piepen heeft is niet alleen een herkauwing van warrige, academische, ongegronde kritiek, maar berust ook op onwetendheid), vertaalt dit als volgt: And Shahrazad perceived the dawn of day and ceased saying her permitted say.

Richard van Leeuwen verloochent deze zin. Nu is het waar dat in het oudste manuscript van Duizend en een nacht, gepubliceerd door Brill Leiden, in de voortreffelijke editie van Moehsin Mahdi (hij zwoegde er tien jaar aan) deze coda niet voorkomt; wel in de Bulaaq-versie die hij ook gebruikt. Deze slordigheid is onvergeeflijk, want het is de spil waar het boek om draait. Burton behoudt de rijm, maar zwakt de dramatiek van het origineel af. Een letterlijke vertaling zou luiden: 'En de ochtend overviel Sheherezade en zij hield op haar geoorloofde woorden te spreken.’

De vertelster ziet de dageraad niet, hij overvalt haar en wat zij vertelt is haar toegestaan (mubaah) om te vertellen. Toegestaan door haar echtgenoot, koning Shahriyaar, die haar gracieuze hals in zijn macht heeft. Er is geen sprake van oneindigheid, alleen de dreiging van een zekere eindigheid. Vandaar de toevoeging 'en een nacht’ in de titel.



Zulke fijnzinnigheden worden te vaak over het hoofd gezien door de lodderige ogen van lezers en door jubelende critici die niet weten waarover ze spreken. De juichzang van laatstgenoemden is geheel misplaatst, daar zij de talrijke blunders in de vertaling van Richard van Leeuwen niet zien en niet kunnen zien. De eenvoud van Alf laylah wa laylah is misleidend, net als de eenvoud van Tsjechov, Bernard Malamud, Elsschot en Nescio.

Daarbij is er weinig eerbied voor het oorspronkelijke woord en zullen critici een vertaling prijzen om haar 'leesbaarheid’ (mijn meest gehate woord). Ik voel me niet alleen bedonderd, maar oprecht gekwetst als ik zie dat bijvoorbeeld Jan Kal het woord 'irrumare’ (in een gedicht van Catullus) vertaalt met 'rammen’.

En wat te denken (of liever niet) van Jacques Janssen die de kraanvogels van Dante laat trompetteren, waar de dichter zelf ze een lied laat zingen, en Piet Schrijvers die de blinde golven van Vergilius zwart maakt? Dit zijn nog maar de minste gruwelen, al wil ik ze niet als 'vrijheden’ bestempelen. Erger wordt het als de vertaler de taal waaruit hij vertaalt niet blijkt te kennen. Zo vertaalt Richard van Leeuwen 'oogkas’ met 'schoot’, een 'buidel met kleren’ met 'kussen’, 'voortanden met een spleet tussen de boventanden’ met 'sierlijke mond’, 'billen’ met 'heupen’ en – nee! Genoeg kwelling. En dan heb ik het nog niet eens over de woorden die hij niet kent en waarvan hij niet de moeite neemt ze op te zoeken. En het Arabisch kan hij blijkbaar ook al niet uitspreken als hij 'Oedhrah’ schrijft als 'Adzra’.

Dit is geen vertaling, dit is horror. Maar wie maakt zich daar druk om? Dit alles is natuurlijk modern, dit is leesbaar, dit is vlot, dit is gestamp op weerloze schrijvers, zinloos geweld.



In een van de vertellingen wordt de hals van een vrouw vergeleken met 'een hashishaankah opgediend aan de sultan’. Van Leeuwen vertaalt: 'als een lekkernij die een sultan wordt aangeboden’. En hij zwijgt over welke lekkernij bedoeld wordt in zijn schaarse noten. De betekenis van dat woord, ik geef het toe, is moeilijk te achterhalen, maar de goede vertaler zal ijverig zoeken en wanneer hij niet vindt, zal hij de lezer dit moeten mededelen. Dat is zijn plicht, want vertalen heeft een ethische kant en de liefde van de vertaler gaat door bibliotheken. Mijn zoektocht heeft mij dit opgeleverd: het is van oorsprong een Perzisch woord, een pastei van tarwemeel gebakken met sesamolie en gevuld met suiker en amandelen (of pistache) en rozenwater. Buiten dat de precisie van de vergelijking verloren gaat, is er hier iets anders aan de hand wat mij altijd heeft gefascineerd.

De bewuste vertelling begint met een vrouw die boodschappen doet, hetgeen prachtige rabelaisiaanse opsommingen oplevert, en de vrouw met de appetijtelijke hals is haar zus. In deze passage wordt het nut van die opsommingen duidelijk: de boodschappen waren bestemd voor de verteller zelf om er deze simile mee te bakken. Want van de boodschappen krijgt alleen de wijn aandacht in het bacchanaal dat volgt. Ah, wat een verteller!

En dan de volgende passages, beide – en neem mij dit niet kwalijk – zijn erotisch. Dit is wat Van Leeuwen ervan maakt: 'We vlijden ons samen op de grond en zij maakte haar broek los, die op haar enkels zakte… We maakten de omloop rond het Heilige Huis met zijn pilaren…’

In het origineel zakt de broek af tot op haar enkelringen, een mooi detail, die we bij Van Leeuwen moeten missen en dat Heilige Huis met pilaren is onzin: arkaan, meervoud van rukn, zijn geen pilaren, maar hoeken. Hij laat dus geen hoek onbetast en de vergelijking met het Heilige Huis, dat is de Ka’abah in Mekka (bedoeld wordt de venusheuvel die Arabieren graag geprononceerd zagen: een ka’thab heet zo’n ideaal vrouwdom), impliceert iets anders dat alleen ingewijden kunnen weten, namelijk de zwarte steen (al-hadjar al-aswad), de meteoriet die zich in de Ka’abah bevindt, waar de pelgrims elkaar verdringen om die aan te raken. Die gladde steen is uiteraard de clitoris en doelt ook op de ervarenheid van de vrouw – die vrouw is al te vaak betast. Dit is belangrijk om te weten.

Verder vertaalt hij ghanadj met 'stoeien’ omdat hij te lui was om deze complexe term op te zoeken . Ghanadj is het hele arsenaal aan koketterie en behaagtechnieken, het spel van afstoten en aantrekken dat de vrouw tot haar beschikking heeft om een man te verleiden.

De andere passage luidt bij onze vertaler (en het gaat hier om dezelfde actieve man met een andere vrouw): 'Ze ging op haar rug liggen en trok me tegen haar borst. Daarna slaakte ze een zucht, gevolgd door een schel kreetje… Zij kreunde, gaf zich over en jammerde. Ze deed me in deze toestand denken aan deze verzen:



Toen hij zijn gewaad van zijn lijf optilde

Zag ik dat hij mager was, net als mijn beurs.

Ze zuchtte en ik vroeg haar waarom.

Ze zei: ‘Omdat ik de rest ook wil.’



…En onder luide kreten bereikten wij het

hoogste geluk.’



Over de verzen zwijg ik want die zijn flut bij Van Leeuwen. Ik ben benieuwd hoe hij de geslachtsverandering binnen deze kwatrijn wil verantwoorden. Dat 'mager’ is belachelijk, want het Arabisch heeft het over 'nauw’ – ja, inderdaad, dattum. En het pornografische komt van de vertaler, niet van de verteller. Hier vertaalt hij ghandjah met 'een schel kreetje’ en ik vraag me af waar hij dat vandaan heeft. En dan dat 'zij kreunde, gaf zich over en jammerde’. Alweer mist Van Leeuwen waar het om gaat. Het Arabisch heeft: 'Zij kermde (of hijgde:

‘tata’awwah’ is een onomatopee – hb) en veinsde verlegenheid en onderwerping en tranengeween.’ (Burton heeft het prachtige shamming shame.) En verder staat er in het Arabisch: 'totdat onze kreten over de straat weerklonken’ – een fraai uitstapje dat Van Leeuwen blijkbaar niet kan bekoren, maar hij heeft het niet voor het kiezen. Want een vertaler hoeft geen onderwerping te veinzen, het is zijn plicht zich te onderwerpen.

Van Leeuwen begrijpt het niet. Deze twee beschrijvingen geven op superieure wijze het verschil in karakter weer van beide vrouwen. En wat mij betreft ook het leeftijdsverschil. Ik ben er zeker van dat de tweede vrouw jonger is. Dit is de betovering van Duizend en een nacht, de betovering van de macht van het woord. Wie dit niet waardeert, zal het de moeite niet lonen dit boek of elk ander boek te lezen. Bij een vertaler is dit onvergeeflijk. Meer nog dan de lezer kent hij de voldoening, de triomf, de siddering van het vervoerde hart bij zulke ontdekkingen – of hij zou het moeten kennen.

Nederland heeft geen enkele reden trots te zijn op de eerste vertaling direct uit het Arabisch van Alf laylah wa laylah. Richard van Leeuwen schaart zich bij alle misdadigers die Duizend-en-één-nacht eeuwenlang hebben verminkt en verkracht. En daarmee een heel volk.