Kunstenaar-ambtenaar Amante

Zinnebeeld van de mondigheidscultuur

De burger wil tegenwoordig op zijn wenken worden bediend, ook in de kunst. Kunstenaar-ambtenaar Amante zet zijn schilderijen artistiek in bij de rechtbank, maar toont zich daarmee tevens een verongelijkte consument.

De beeldend kunstenaar Amante loopt het terrein op bij het Haagse Paleis van Justitie met twaalf schilderijen van bijna een meter hoog. Het is 2 april 2003, tien minuten over half twaalf. Het uitstallen van de doeken brengt enkele bewakers van het gebouw in staat van paraatheid. Wat heeft dit te betekenen? De kunstenaar geeft een weinig omstandige uitleg: «Dit hier, mijne heren, is een pleitnota.»

Kunstenaar Amante, in het dagelijks leven Anne-Tjerk Mante, is in een procedure verwikkeld met de belastingdienst, over de werking van de Ziekenfondswet. Als rijksambtenaar, parttime werkzaam op het ministerie van Financiën, is hij verplicht particulier verzekerd. Maar als kunstenaar wordt hij aangemerkt als «zelfstandig ondernemer», waardoor hij «voldoet hij aan de voorwaarden» voor de Ziekenfondswet, waarvoor hij moet betalen.

Anne-Tjerk Mante (geboren in 1969), afgestudeerd aan de kunstacademie in Den Haag en geschoold tot jurist aan de universiteit van Leiden, is dus verplicht dubbel verzekerd. Voor zijn twaalfdelige pleitnota schilderde hij zijn bezwaarschrift al in drie doeken van 63 bij 89 centimeter. Tijdens de rechtszitting klaagde de inspecteur hierover, omdat belastingmedewerkers zich er geen raad mee wisten. Niemand durfde er een datumstempel van binnenkomst op te drukken en het werk kon ook niet in een dossier worden ondergebracht. Paniek. Amante is hierover tijdens de rechtszitting zichtbaar tevreden, aangezien de inspecteur met zijn klacht bevestigt dat «de Belastingdienst zat opgezadeld met iets waar men niet om had gevraagd».

«Een koekje van eigen deeg dus», concludeert de rechter geamuseerd.

Tegen de inspecteur is de rechter aanzienlijk strenger dan tegen de kunstenaar. Maar al geven allen ter rechtszitting toe dat de wet een «gedrocht» is, toch kan de rechter niets anders dan het beroep van Amante ongegrond verklaren en de wet — zolang er geen nieuwe is — naleven, of die nu tot onrechtvaardige situaties leidt of niet. Het geval ligt nu bij de vaste kamercommissie van verzoekschriften, het wachten is op de politiek.

De naar maatschappelijke maatstaven gemeten geestelijk stabiele Amante is een actie begonnen die doet denken aan die van de geestelijk verwarde man die, in maart van het vorig jaar, met een doos explosieven, een mitrailleur en een pistool, kantoorpersoneel gijzelde op enkele verdiepingen van de Rembrandttoren in Amsterdam. Hij wilde daarmee de manipulatie door breedbeeld televisieverkopers aan de kaak stellen.

Destijds leek het hier aanvankelijk ook om een concept-kunstenaar te gaan, een soort «minimal artist» van de daad (zie De Groene Amsterdammer, nummer 11 van 2002), iemand die in de disproportionaliteit tussen doel en middelen een kunstwerk ziet. Met veel aplomb (dat mag gezegd!) beweerde de gijzelnemer niet méér — zo bleek uit de fax die hij naar de Volkskrant en SBS6 stuurde — dan dat hij was geïrriteerd door de zwarte balken langs het beeld in het televisiescherm en dat er voor hem niets anders opzat dan tot aanschaffing over te gaan van een breedbeeldtelevisie, al had hij daar nooit om gevraagd en er ook absoluut geen zin in.

De gijzelnemer had natuurlijk gelijk: breedbeeldtelevisie is een nieuwe truc om mensen geld uit de zak te kloppen. Philips liegt en bedriegt. Maar hoe erg is dat? De economie blijft erdoor draaien en burger en consument hebben sinds hun prille jeugd geleerd met de leugens van een commerciële onderneming om te gaan. Dat vergt niet meer dan de gangbare portie geestelijke flexibiliteit, vereist om te overleven in de huidige samenleving.

Ook Amante heeft gelijk. Tegen de kunstenaar gaf de inspecteur zelfs toe dat de Ziekenfondswet inderdaad, in enkele aparte gevallen, tot onrechtvaardigheid leidt. (Toen de kunstenaar hem daarop vroeg naar zijn «dieperliggende motivering aangaande het uitvoeren van de Ziekenfondswet» luidde het koddige, maar voor bureaucratiebestrijders zeer bekende antwoord: «Als ik het niet doe, word ik ontslagen.»)

Tegelijk heeft ook Amante zijn bezwaar iets theatraals gegeven, wat niet in verhouding staat tot het onrecht dat hij bestrijdt. In dat opzicht zijn beiden, Amante en de gijzelnemer van de Rembrandttoren John R., exponenten van de huidige cultuur van mondigheid en verongelijktheid, zoals die in de laatste tien jaar niet alleen werd gevoed in televisieprogramma’s als Ook dat nog en Breekijzer (van de opperpriester van het Groot Ongenoegen Pieter Storms), maar zoals die vooral zichtbaar wordt in een algehele overdrijving van de notie van consumentensoevereiniteit.

Volgens de Nijmeegse hoogleraar psychiatrie C. Hoogduin leed John R., die door zijn omgeving als «rustig», maar ook als «volstrekt normaal» werd omschreven, aan «benadelingswanen». Deze aandoening komt steeds vaker voor. Waren hysterie aan het begin van de vorige eeuw en identiteitsproblemen en gevoelens van zinloosheid in het laatste kwart van de twintigste eeuw de meest voorkomende psy chiatrische klachten, de diagnose benadelingswaan blijkt een nieuw, eigentijds verschijnsel.

Aan benadelingswanen lijdt Amante niet. Als kunstenaar is de Leidse jurist zelfs te prijzen om zijn in kunstenaarskringen ongekende wereldlijkheid. Alhoewel de intensiteit van een strijd voor eigen centen moeilijk «engagement» kan worden genoemd, valt het conceptualiseren van zijn juridische strijd niet te vergelijken met het navelstaren van kunstenaars als Tracy Emin, die haar eigen onopgemaakte bed tot kunstwerk verklaarde (en daarmee de Turnerprijs won), of het narcisme van Gijs Müller, die in zijn werk een campagne voor zichzelf voert.

Kunstenaars komen niet opdagen op de straten, pleinen en gelegenheden die cultuurcritici voor hen hebben bedacht. Het persoonlijke is politiek geworden op een manier die de oudgedienden van deze slogan nooit hadden bevroed, zoals bleek in de opkomst van de LPF.

Amante en John R. verlangen, onafhankelijk van hun politieke voorkeur, dat «de burger op zijn wenken wordt bediend». Dit is de politieke imperatief zoals Mat Herben die letterlijk verwoordde in een interview in het afgelopen kerstnummer van dit blad. Hij voegde daar toen aan toe: «At your service. Een klantgerichte overheid, dat is wat wij verlangen.»

Opvallend was dat de eis van John R. slechts media-aandacht betrof. Die kreeg hij: de gijzeling werd urenlang op verschillende televisie kanalen live uitgezonden. Het publiek zag de teksten in metershoge kartonnen platen die personeelsleden gedwongen waren tegen de ramen te plakken: «Philips Lies» en «Kleisterlee leugenaar». Toch was het voor John R. niet genoeg, en uiteindelijk schoot hij alleen op zichzelf.

Ook Amante hoopt op media-aandacht, en enkele dagen voor zijn beroepszaak stuurde hij een persbericht rond. Dat richtte hij tot de kunstredacties van dagbladen, weekbladen en televisieprogramma’s. En het is waar: de schilderijen die Mante in de afgelopen jaren vervaardigde, brachten nooit eerder een criticus aan zijn toetsenbord, terwijl toch al menige tentoonstelling met zijn werk is georganiseerd. Het zijn figuratieve schilderijen in felle kleuren; landschappen, interieurs en werken die hij zelf rubriceert onder de kop «imagination».

De kunstenaar heeft duidelijk nog geen eigen stijl gevonden en zijn schilderijen lijken soms bijna pastiches op bestaande twintigste-eeuwse werken. Ook het kleurgebruik is niet altijd sterk, maar zijn productiviteit is indrukwekkend, zeker voor een man die drie dagen in de week ambtenaar is bij het ministerie van Financiën.

Nu is er dan deze beschouwing. Maar het is de vraag of dit de media-aandacht is waar Amante op hoopte. Uit zijn sympathieke verslag wordt duidelijk dat hij het kunstzinnige van zijn onderneming niet in de analogie met de opgeblazen mondigheid van de lpf’er zoekt, maar in het kafkaëske van de rechtsgang. Hij schrijft onder meer: «Het is een absurde kwestie: ik strijd tegen een wet die ik onrechtvaardig en contraproductief acht. De inspecteur vindt diezelfde wet een gedrocht, maar voert hem niettemin klakkeloos uit. De rechter moet zich aan een wet houden die evident tot onrechtvaardige situaties leidt. Vandaar mijn uitroep tijdens de zitting: ‹Wat doe ik hier eigenlijk?› Bedoelende: valt er hier überhaupt nog wel recht te halen?»

Maar zo gemakkelijk komt Amante er niet van af. Het uitschreeuwen van je woede en onvrede, volstrekt mateloos en zonder enige gêne — bij Amante in vijftien grote schilderijen versteend ongerief — is daarvoor inmiddels al te zeer een teken van de tijd geworden. De grote schilderijen lezen als zinnebeeld van de drammende Pieter Storms en de verongelijkt heid van de immer klagende consument. Ze laten zien dat deugden als matigheid, deemoed en nederigheid hun langste tijd hebben gehad — assertiviteit is de nieuwe deugd.

Wellicht is dit een oneerlijke conclusie. Want dit had natuurlijk net zo goed een artikel kunnen zijn over een kunstenaar die uiterst creatief omgaat met het concentratiegebrek dat het gevolg is van de onnavolgbare dwalingen en dikwijls tegenstrijdige bepalingen van de bureaucratie.

Maar de befaamde historicus Ernst Kossmann schreef al terecht: «De geschiedenis is een echoput. Wie haar aanroept krijgt zijn eigen mening als antwoord terug.» Voor kunst geldt dat nog sterker. Begrip en duiding van een kunstwerk zijn aan de kijker, niet aan de maker.

Werk van Amante is te zien op[www.amante.nl](http:// www.amante.nl)