FINK

Zinnen als zijn hoofd

Fin Greenall alias Fink werd van dj en producer singer-songwriter. Met zijn uitgebeende teksten is hij de James Frey van de pop.

HIJ SPEELDE HET AFGELOPEN jaar op Crossing Border en in enkele clubs, onder meer Paradiso in Amsterdam en Ekko in Utrecht. En hij kreeg voor elkaar wat in Nederland, het beloofde land van kwebbelaars en babbelaars aan de bar, slechts weinigen bereiken: stilte. Volmaakte stilte, volkomen aandacht.
Fin Greenall is zijn naam, Fink is zijn artiestennaam. Geboren in Cornwall, opgegroeid in Bristol als zoon van een muzikant (vader) en een artiestenmanager (moeder). Al leerde hij jong gitaar spelen, zijn muziekcarrière speelde zich aanvankelijk af achter draaitafels en mixtafels. En toen kwam de ommekeer, van deejay en producer naar singer-songwriter. Spelend op zijn inmiddels bijna vergeten gitaar realiseerde hij zich wat hij vooral was, of wilde zijn: artiest. Schepper, in plaats van bewerker of bijslijper.
Zijn eerste album verscheen in 2006. Biscuits for Breakfast heette het, dit album vol mooi zondagochtenddrama. Over alle nummers hing een deken van loomheid, nergens haalde hij nadrukkelijk uit, het klonk alsof alles in een staat van volmaakte ontspanning tot stand was gekomen. Hij coverde All Cried Out van Alison Moyet en stripte het nummer van alle vocale dramatiek. De plaat van iemand die weet hoe hij wil klinken (eens een producer, altijd een producer: dus werd kaal nooit kil, maar was het warme geluid zorgvuldig ingekleurd), en vooral waarnaar hij niet wil klinken: naar pathos.
De hoofdpersoon van Biscuits haat zijn baan, iedere minuut ervan. Maar geen beklag, geen schuldvraag, slechts de constatering dat de waanzin op de loer ligt.
‘Pushing the trolley/ Doing the rounds/ 4 more years of this shit/ And I’ll be one of these clowns.’
De opvolger bleek vorig jaar nog beter. Distance and Time was een plaat die onmiddellijk de woonkamer overnam, terwijl er aanvankelijk nauwelijks iets leek te gebeuren. Drumstokjes tikten op het vel, vingers piepten over snaren en tikten afgemeten op het gitaarhout – inmiddels herkenbaar als Finks stijl, die nadrukkelijk gebruik maakt van de klankkast van zijn gitaar als percussie.
‘Trouble’s what you’re in’, was de openingszin. De toon was gezet, het onheil ingeleid. Hij werkte het verderop uit, maar nooit in omhalen, altijd in kale, uitgebeende zinnen. Zinnen als zijn hoofd, met dat zeldzaam scherpe profiel, en die geprononceerde neus. Zinnen met witregels die ertoe doen. De James Frey van de pop.
‘It’s amazing what one look can reveal.’ Hoor het hem zingen, en de verbeelding doet het werk. Ze is weg, en hij bezingt het gemis aan de hand van al wat aan haar doet denken. Niet de grote woorden, maar de details. Niet De Liefde of De Intimiteit, maar haar pannenkoeken en gele T-shirt. ‘I really miss your blueberry pancakes/ I don’t buy maple syrup in Asda no more/ Sunday morning cooking em up/ Wearing my T-shirt, I’m lifting it up.’
Maar zo gaan die dingen: muzikanten eindigen alleen. Finks variant op Hermans’ ‘Men schrijft of men heeft vrienden’: men treedt op of men heeft een vriendin.
‘And the things that keep us apart/ Keep me alive/ And the things that keep me alive/ Keep me alone.’
Op Crossing Border verlieten hij en zijn twee bandleden het podium onder stormachtig applaus. Ze hadden geconcentreerd en losjes gespeeld, in de zichtbaar zelfverzekerde wetenschap dat iedere improvisatie en zijweg zich uiteindelijk weer terug in de nummers liet sturen. Met name zijn drummer ademt jazz uit. Tussendoor dronken ze uit blikjes bier, trokken aan hun sigaret en wisselden ze grappen uit, alsof het optreden de onderbreking was van een nieuwe dag in de kroeg.
Hoogtepunt was Sorry I’m Late, het zuigend monotone slotnummer van zijn debuut. ‘Sorry’, het is een woord dat vaker valt in Finks nummers. Want spijt kennen en hebben ze wel, zijn hoofdpersonen. Maar ja, ze doen ook maar wat ze kunnen, en veel is dat uiteindelijk niet. De wetenschap dat al wat hen zich tijdelijk beter doet voelen ze de vernieling in zal helpen, biedt ook weinig verzachting. Hier en nu, meer is er kennelijk niet. En de hoofdpersoon kijkt om zich heen, op zoek naar medestanders, zodat het leed in ieder geval gedeeld kan worden.
Dus zong Fink, terwijl zijn lange vingers op het hout mepten: ‘I need a drink, I need a drink/ So I can think of a way out/ Of this mess I’m in/ I need a smoke/ Who doesn’t need a smoke these days/ So I can cope with the emails, the inbox/ And the wages of sin.’

Fink speelt op vrijdag 11 juli in de Yukon Zaal, 21.00-22.00 uur