Martin Walser, Jörg Magenau

Zinnen die janken als honden

Martin Walser

Leben und Schreiben: Tagebücher 1951-1962

Rowohlt, 666 blz., € 22,90

Jörg Magenau

Martin Walser: Eine Biographie

Rowohlt, 622 blz., € 24,90

Ook een schrijver moet zoiets hebben als een laboratorium, waar hij experimenteert met taal en stijl, woorden op klankkleur test en ontwerpen maakt voor verhalen en romans. Literatuur ontstaat daar waar verbeeldingskracht en taalvirtuositeit op elkaar stoten. Maar ook het handwerk van een schrijver moet worden geleerd. Het bijzondere van de dagboeken van Martin Walser, een van de meest bekende maar ook omstreden Duitse auteurs, is dat ze inzicht verschaffen in zijn zoektocht naar taal en vorm. In de dagboeken die Walser, die volgend jaar tachtig wordt, schreef tussen 1951 en 1962 krijgt zijn schrijverschap gestalte en is de dwang tot schrijven en literatuur produceren bijna een obsessie geworden.

Deze dagboeken bevatten niet de levens loop, maar het wordingsproces van een schrijver. Zij getuigen van Walsers gedrevenheid de werkelijkheid om te zetten in literatuur en daarvoor de meest geschikte stijl te vinden. In de dagboeken experimenteert hij met verzen, aforismen, realistisch en surrealistisch proza, al dan niet voorzien van eenvoudige, wat zonderlinge teke ningen. Daarbij gaat het er kennelijk om een taal te ontwikkelen die is als muziek. De Duitse publicist Jörg Magenau heeft dit goed verwoord in een uitgebreide en zeer leesbare Walser-biografie. Hij heeft het over Walsers streven in de buurt te komen van het «ideale schrijven» dat even direct is als muziek: «Natuurlijk kan dat nooit worden bereikt, omdat in elk woord geschiedenis en inhoud steekt. Maar als wens kan het worden geuit: een taal die niets anders is als taal, omdat hij niets moet transporteren. Een taal die klank is en zijn betekenis uit zichzelf ontwikkelt.» Dat die wens Walser in zijn jonge jaren ook wan hopig kon maken, blijkt uit een notitie uit 1954: «Oefeningen die als schepen stranden. Zinnen die janken als honden. Gedachten die stinken als kattenpis.»

Walser is in zijn dagboeken vooral met zijn innerlijke leven bezig. Zelfs daar waar hij over bepaalde gebeurtenissen bericht – een ernstige ziekte (galstenen en maag ontsteking) in 1957 en zijn eerste reis naar Amerika in 1958 – gaat het meer om de eigen gevoelens en reflectie van die ge beurtenissen dan om de feiten. Dit geldt ook voor het steeds terugkerende thema vrouwen en hun erotische aantrekkingskracht. Walser is er buitengewoon gevoelig voor.

Het is goed de Walser-biografie te lezen naast de dagboeken, want die plaatst alles in juist perspectief. In het begin van de jaren vijftig werkt Walser bij de radio-omroep SDR in Stuttgart en schrijft aan zijn proefschrift over Kafka. Zijn eerste hoorspelen worden uitgezonden en de SDR stuurt hem naar het buitenland om daar te leren wat het maken van televisieprogramma’s inhoudt. Maar werken voor radio en tv is niet wat de jonge Walser ambieert. Hij zoekt aansluiting bij de bekende Gruppe 47, bestaande uit schrijvers die na de oorlog een nieuwe Duitse literatuur willen maken. De groep komt elk jaar bijeen om voor te lezen uit eigen werk, te discussiëren over literatuur en te zien wie de begeerde prijs van duizend mark wint. In 1955 is dat Walser met het verhaal Templones Ende. De prijs wordt in de dagboeken kort vermeld, maar niet dat in datzelfde jaar bij Suhrkamp zijn eerste boek verschijnt: de verhalenbundel Ein Flugzeug über dem Haus. Het is het begin van Walsers literaire carrière, maar in de dagboeken gaat het niet om wat is voltooid, maar om wat nog komen moet. En daarom komt steeds weer de roman Halbzeit ter sprake waaraan Walser werkt, nadat in 1957 zijn eerste roman is verschenen: Ehen in Philippsburg, waarvoor de auteur werd onderscheiden met de Hermann-Hesseprijs. Wat Walser eigenlijk nooit onvermeld laat, zijn ontmoetingen met andere schrijvers, onder wie zijn Neder landse vriend Adriaan Morriën. Die contacten zijn kennelijk voor zijn schrijverschap belangrijk, en dit geldt ook voor zijn vriendschap met Siegfried Unseld, de grote, inspirerende baas van uitgeverij Suhrkamp.

Walser is de afgelopen jaren omstreden geraakt. Opvallend is dat hij daar al begin 1955 een voorgevoel van had. Op 25 januari van dat jaar noteert hij: «Tegen mij zou geschreven moeten worden. Ik heb trekken van een negatieve romanfiguur.» Precies dat is er sinds 1998 gebeurd: in de Duitse media werd veel en veelal negatief over hem geschreven en gesproken. Pittige en emotionele debatten volgden op zijn op merkingen over het ritualiseren en het misbruiken van Auschwitz voor andere doeleinden, en het niet meer willen kijken naar de «permanente presentatie van onze schande». Ook zijn hoogst smakeloze roman Tod eines Kritikers, duidelijk gericht tegen de bekende Duitse criticus Marcel Reich-Ranicki, die vaak hard heeft geoordeeld over het Walsers werk, leidde tot een stroom van negatieve reacties.

Magenau verdedigt Walser niet altijd, maar hij probeert te verklaren wat hem heeft bezield. De dagboeken bestaan, zoals ge zegd, vooral uit literaire oefeningen. Daarmee is het echter net als met piano-oefeningen: men kan er wel even met genoegen naar luisteren, maar niet uren aaneen. Het eerste deel van Walsers dagboeken, dat ruim zeshonderd pagina’s dik is, vergt daarom veel van de lezer, vooral doorzettings- en uithoudingsvermogen.