Vrijdag 22 april wordt de VSB Poezieprijs 2005 uitgereikt

Zinnen om in je zak te steken

Nachoem M. Wijnberg Eerst dit,

dan dat (Contact)

Bart Meuleman Hulp (Querido)

Arjen Duinker De zon en de wereld (Meulenhoff)

H.H. ter Balkt Anti-canto’s en De Astatica (De Bezige Bij)

Alfred Schaffer Geen hand voor ogen (De Bezige Bij)

Wie een bundel Anti-canto’s en De Astatica noemt, wil het zijn lezer niet onmiddellijk gemakkelijk maken. Gelukkig geeft H.H. ter Balkt al aan de binnenkant van het omslag uitleg, en schrijft hij dat «Anti-canto’s» in zekere zin canto’s zijn zoals Luiz Vaz de Camoës ze schreef in de zestiende eeuw. En «De Astatica» blijkt een verwijzing naar een bedenksel van Augustus Anijs, een romanfiguur uit het boek Zwijg, dat Ter Balkt schreef in 1973. Ter Balkt verweeft wat hij zelf schreef met de wereld geschiedenis en uiteenlopende bizarre verschijnselen van deze tijd, van biggenmeel tot een omvallende popgroep in Siberië. Hij schrijft met grote gebaren die worden afgewisseld met momenten waarop hij details uitvergroot. De illustraties en tekeningen die soms dwars door de tekst lopen, versterken de indruk dat Ter Balkt een allesomvattende encyclopedie van zijn geest heeft willen schrijven. Die is niet altijd gemakkelijk. En vaak zelfs zo onbegrijpelijk dat bij elk afzonderlijk gedicht een omslag met uitleg aan de binnenkant niet zou misstaan. De motto’s boven de gedichten helpen de lezer op weg.

In ANTI-CANTO 20: «‹Geef mij een grote en sonore waanzin›/ De Lusiaden, canto I/ Luíz Vaz de Camoës (1524-1580)»

Bij het Hoofdgebouw waar de bladschaduw tijgert

Klaas kwam, fluisterde ’t ijzeroer

diep in het aardrijk

Hakblok

Lezen in dit lijvige boek is als de dichter volgen in een drukke winkelstraat. Voor je het weet schiet hij weg door een steeg die hij voor zich uit schrijft.

De onvoorspelbaarheid in de bundel Hulp van Bart Meuleman is van een heel andere aard. Hij laat een stuurse vrouw aan het woord die een vorm van tederheid verraadt. Zoals een bioloog uit liefde voor de wetenschap een insect uit elkaar haalt, en sloopt, zo wordt in Hulp het leven van een vrouw ontleed. Ze wankelt tussen een harde realiteitszin en wanhoop.

zou het niet helpen misschien een diepe diepe val bekleed met stikstof.

iedereen gaat uiteindelijk graag slapen.

Het is een letterlijk soort poëzie. Wat er staat, is wat er staat, in een onbeweeglijke taal, behalve wanneer de vrouw haar gedachten niet afmaakt, wanneer er iemand verschijnt die niet eerder is geïntroduceerd. Meuleman, die behalve dichter ook theatermaker is, heeft een consistente rol geschreven voor een vrouw met inconsistente gedachten.

De bundels van Alfred Schaffer, Geen hand voor ogen, eerder al besproken in dit blad, en Nachoem Wijnberg, Eerst dit, dan dat, laten zien dat ook verstaanbare regels meerduidigheid en onrust op meerdere niveaus kunnen veroorzaken. Schaffer is in staat om de lezer op verscheidene betekenisniveaus mee te nemen. Wanneer iets in eerste instantie onduidelijk is, blijkt die duisterheid uiteindelijk functioneel. Dit is geen waanzin om de waanzin, maar poëzie die precies is, en ontwrichtend door zijn exactheid. In het gedicht Rubriceringen wordt er gewacht: «Wie geduld heeft trekt hier aan het langste eind». En:

Niemand wuift de ander na of uit,

de zon staat altijd hoog. Geen conclusie,

geen begin. Een grap zonder clou,

een krijgsheer zonder leger. Ter verstrooiing

ligt het landschap er weer prachtig/miserabel bij.

Het (gebrek aan) geduld vormt een landschap waarin een einde dreigt. De dood, of een verlossende uitspraak, wellicht allebei. In de openlijke aarzeling te kiezen tussen «prachtig» en «miserabel» opent zich de tweeledigheid die de bundel kenmerkt: de dichter weigert te kiezen tussen het uitstellen en het beëindigen van het wachten. Wie een conclusie vreest, stelt het wachten uit. Maar dat maakt het wachten niet minder pijnlijk.

Ook in de bundel van Nachoem Wijnberg gaan de woorden met elkaar in beweging. De bundel biedt een blik op hoe Wijnberg naar de dingen kijkt, wat hij leest, bij welke Chinese dichters hij te rade gaat. Je kunt de bundel lezen zonder te weten wie de Chinese dichters zijn. Want de lezer krijgt vooral te maken met de gedachten van Wijnberg, en zijn zoeken naar formuleringen die zorgvuldige composities van meerduidigheid opleveren.

In het gedicht Su Dongpo, Tao Quian wordt Tao dronken, en hij weet niet wat hij daarna moet doen. Su Dongpo (1036- 1101) zegt over Tao Quian (365-427):

als hij gedronken had kwamen de woorden vanzelf.

Daar staan ze en daar staat hij,

zijn kleren in haast binnenstebuiten aangetrokken.

’s Nachts iets laten liggen

Zonder bang te zijn dat het er de volgende ochtend niet meer is.

De vermeerdering van personen in Daar staan ze en daar staat hij wordt niet allen veroorzaakt door een benevelde blik. Omdat het onduidelijk is waar het citaat van Su Dongpo ophoudt, spreekt vanaf «Daar staan ze» zowel Su Dongpo als Nachoem Wijnberg. Er staan twee dichters, er staan drie dichters. En er staat uiteindelijk een vriendschap. Die van Dongpo die zich in zijn werk verhield tot het werk van Tao Quian, en die van Wijnberg met de dichters die hij laat herleven. De slotregel van het gedicht kan gelezen worden als een definitie van vertrouwen, op een dagelijkser niveau dan de vriendschap die de dichter vindt in zijn verhouding tot de poëtische traditie. Het trekt bovendien de nabijheid van de Chinese dichters in twijfel.

Ook in de bundel De zon en de wereld van Arjen Duinker speelt vriendschap een belangrijke rol. De bundel bestaat uit twee lange gedichten, waarvan De zon niet is afgedrukt, maar te beluisteren is op een bijgeleverde cd. «De zon schijnt mooi», zegt de dichter, en: «Ja de zon schijnt mooi», zegt zijn vriend Kees ’t Hart. Ze zijn het met elkaar eens, en vullen elkaar ook aan, met kleine variaties op «ja ja de zon schijnt mooi», zoals: «De zon schijnt heel mooi». Langzaam maar zeker gaan de dingen, de woorden en hun betekenis door elkaar zwemmen. Soms is het net alsof de mannen zingen, zo ritmisch haken ze op elkaars zinnen in. Uit de herhalingen komen vragen te voorschijn. Schijnt de zon of lijkt de zon? De zon schijnt en de zon lijkt, en dan gaat de zon zelfs het woord «mooi» uitstralen.

In het andere gedicht dat de hele bundel bestrijkt zijn twee stemmen te volgen:

Rood bloeit de bloem

Winkels zijn onzeker

Onzekere winkels, ja

Winkels zijn onzeker

Onzekere winkels, ja rood bloeit de bloem

Op betekenis wordt lumineus geschoten

De voortkabbelende zinnen worden onderbroken door schokkende constateringen als: «Sinaasappels zijn krankzinnig»; «De bomen maken herrie», of: «De chauffeur ligt ergens anders».

Zonder dat er sprake was van een ongeluk is daar plotseling een chauffeur. En is er een ongeluk waar iemand anders dan de chauffeur al slachtoffer van is geworden. En is de bloem die bloeit plotseling een wond. Deze poëzie is met de eenvoudigste woorden in staat om iets in retrospectief te vertellen. Het zijn zinnen om in je zak te steken en overal mee naartoe te nemen.