Leemans over porno in Nederland

Zinnenprikkelende schelmenromans

Vorige week loofde Rob Hartmans het proefschrift van Inger Leemans over pornografie in Nederland in de late zeventiende eeuw. Maar was er werkelijk sprake van een vroegtijdig verband tussen «erotiek» en «radicale Verlichting»?

Vroegmoderne humor wordt nog zelden leuk gevonden. Geweld van en tegen boeren en zwakzinnigen, toespelingen op de eeuwige geilheid van vrouwen (altijd weer willen ze hun «kous» gevuld krijgen) en plastische details rond stoffen uit de «aersch» en andere gaten wekken nu meestal zelfs geen glimlach meer op — eerder weerzin.

Toch moeten die komische elementen tot ver in de achttiende eeuw heel direct op de lachspieren hebben gewerkt. Passages in kluchtboeken en schelmenromans waarin ze alle tegelijk voorkomen (bijvoorbeeld: hitsige vrouw krijgt door toedoen van een idioot stront in haar bed), schijnen ware dijenkletsers te zijn geweest.

Omdat vanaf de late Middeleeuwen kerkelijke overheden het al te uitbundige lachen steeds luider zijn gaan veroordelen, is wel aangenomen dat deze traditie van platte lol hoorde bij een in wezen ongodsdienstige volkscultuur, die door een beschavingsoffensief «van bovenaf» lang zamerhand is uitgebannen. De laatste decennia wordt daar meer genuanceerd over gedacht.

«Popular culture includes gentlemen», schreef de Engelse historicus Derek Brewer naar aanleiding van zijn onderzoek naar zeventiende- en achttiende-eeuwse moppenboeken. En kenners van de Nederlandse humor konden daarmee instemmen.

Een illustratief voorbeeld voor hen is de zeventiende-eeuwse jurist Aernout van Overbeke. Hij hield een schrift bij met deels zeer schuine moppen en anekdoten en schreef daarnaast burleske gedichten over seks en uitwerpselen, die hij samen met gelijkgestemde «drekpoëten» in bundels uitgaf. Hij stond bekend als een losbol, verbraste een deel van het familie kapitaal en werd op een zeker moment zelfs onder curatele gesteld. Maar daarmee was Van Overbeke nog niet «volks» of van God los. Hij bleef zich ondanks zijn aparte levenswandel thuis voelen binnen de elite en geloofde in de waarheid van het Nieuwe Testament; voldoende tenminste om, naast vieze liedjes, een nieuwe berijming van de Lutherse psalmen te schrijven.

Die combinatie van obscene folklore en piëtisme is niet per se hypocriet. Wie ervan overtuigd is in een gevallen wereld te verblijven, kan somber worden over alle gebreken naar lichaam en geest waarin de erfzonde zich openbaart. Leden van zware kerkgenootschappen werden dat ook. Maar het is ook mogelijk om de dierlijke en abjecte kanten van het fysieke bestaan komisch uit te vergroten en langs die weg de eventuele schaamte of somberte erover, als het ware vanuit de onderbuik, weg te lachen.

Veel mensen, onder wie Van Overbeke, leek die tweede optie heilzamer. Humor herstelde het evenwicht tussen de lichaamssappen (de «humores» — vandaar ook het woord) en was daarmee zelfs in theologisch opzicht zinvol, want de duivel loert juist op mensen met een teveel aan zwarte gal.

Deze wetenschap over het zeventiende-eeuwse lachen is cruciaal voor een goed begrip van de tien boeken die Inger Leemans heeft bestudeerd voor haar proefschrift Het woord is aan de onderkant, waaraan Rob Hartmans in De Groene Amsterdammer vorige week een lovende bespreking wijdde.

Voor wie het heeft gemist: Hartmans is er door Leemans’ boek van overtuigd geraakt dat in de late zeventiende eeuw tenminste tien oorspronkelijk Nederlandse «pornoromans» zijn verschenen en dat die vooruitliepen op het filosofisch onderbouwde libertinisme van sommige Franse schrijvers in de achttiende eeuw. Deze «Nederlandse pornoboeken» waren «doorspekt van hoogst moderne en subversieve gedachten» en sloten aan bij de «radicale Verlichting».

Dat is inderdaad wat Leemans betoogt en op zichzelf zou het misschien nog wel kunnen ook. Beide verschijnselen, pornografie en radicaliteit, bestonden immers in de zeventiende-eeuwse Republiek. Schijnbaar «lustopwekkend» waren de zogenaamde «aretijnse» boeken, vertalingen van werken in de trant van de zestiende-eeuwse Italiaanse satiricus Pietro Aretino. Radicaal verlicht was met name een clandestien netwerk van Spinoza-lezers, van waaruit deïstische en materialistische ideeën werden verspreid. Die twee dingen combinerend en denkend aan het latere filosofisch libertinisme, lijkt het mogelijk dat al in de zeventiende-eeuwse Republiek «subversieve» (Hartmans), op een «hedonistische seks beleving» (Leemans) gerichte «pornoboeken» (beiden) ontstonden.

Het vervelende is alleen (en Hartmans had dit kunnen opmerken) dat Leemans’ bronnen niet erg willen meewerken.

Al snel blijkt dat het in negen van de tien gevallen gaat om satirische teksten of belerende verhalen met spectaculaire kanten — romans naar het beproefde Spaans-picareske recept, daarnaast satires volgens het «klassieke» hutspotprincipe en kluchtige mengelwerken.

In de meeste van deze «pornoromans» staat ook weinig seks. Schelmen in boeken als De Haagsche lichtmis en De Leidsche straatschender doen wat je van zulke types verwacht: ze houden zich in een schurftige en rampzalige wereld staande en verrijken of vermaken zich met, en meestal ten koste van hun medemensen. De «doortrapte bedrijven» en «fielterijen» die de titelpagina’s beloven, worden incidenteel afgewisseld met seksuele ontmoetingen en dan komen er ook wel eens «snaakse» metaforen voor de geslachtsdelen langs. Nederlandse schelmenromans waren in dit en sommige andere opzichten platvloerser dan buitenlandse voorbeelden (dat is al vaker opgemerkt), maar daarmee waren ze, zoals Leemans ook toegeeft, nog niet «aretijns».

Een reden om toch consequent het etiket «porno» te gebruiken, vindt Leemans in het feit dat haar «schaduwzijderomans» soms in één adem werden genoemd met boeken die wél een rijke seksuele inhoud hebben en waaraan zij haar betoog grotendeels ophangt.

Een van die boeken, de anoniem uitgegeven roman De doorluchtige daden van Jan Stront, is een oorspronkelijk Nederlands werk en hoort dus bij Leemans’ groep van tien. Veel van haar stellingen over «de Nederlandse pornografische roman» slaan op dit ene boek, zodat het prettig is dat zij recentelijk ook voor een heruitgave van haar kroonjuweel heeft gezorgd. Bij nalezing blijken de zaken vaak net iets anders dan in het proefschrift wordt weergegeven.

Van De doorluchtige daden van Jan Stront beweert Leemans dat het boek, na in deel 1 te zijn begonnen als een geleerdensatire (in een laat-middeleeuwse traditie: een bewerkte vertaling van Béroalde de Vervilles Le moyen de parvenir), in deel 2 een hedonistisch «seksparadijs» en «een nieuwe kijk op het leven, een nieuwe waarheid» verbeeldt. In dat deel ontrolt zich een gesprek tussen de titelheld, twee prostituees en enige kroeglopers, waaruit de les kan worden getrokken dat de zin van het leven bestaat in het hebben van seks. De vrouwen vertellen hoe ze van hun ontmaagding hebben genoten en de mannen schetsen gloedvol hun veroveringen, waarbij veel details worden vermeld, onder meer over de wijdte en vochtigheidsgraad van «kousen» en de omvang van «deuvikken». Filosofie komt er niet aan te pas, maar een van de dames bedenkt op een zeker moment «dat er geen van de vijf zinnen vermakelijker zijn dan het gevoel» en Leemans vindt dat een betekenisvolle uitspraak: in de context van Jan Stront is het «een vurige verdediging van het hedonisme».

Wat Leemans ondertussen grotendeels uit het zicht houdt, is hoeveel beschrijvingen van fecaliën er ook in het boek staan. De held dankt zijn naam aan het feit dat zijn vader ter inleiding van de succesvolle geslachtsdaad op zijn moeder poepte, en sinds zijn geboorte is er met hem «altijd wel iets strontigs» aan de hand. Jan bezorgt een paar lastige dames moedwillig een aanval van diarree en wordt voor straf langdurig opgesloten in een kist, waar hij «achterlast» krijgt en van alles moet verzinnen om aan de stank van zijn eigen «drollen» te ontkomen. Het boek is «opgedragen aan het kakhuis».

Je moet misschien een kenner zijn om er definitief over te kunnen oordelen, maar Leemans’ vergelijking van de humor van Jan Stront met die van «Tiroler seksfilms» (omdat daarin ook het lachen en de «pornografische ervaring» samengaan) lijkt met al deze middeleeuwse strontpret misplaatst.

Misleidend is de mededeling dat Jan Stront een fel antigodsdienstige teneur heeft. De geestelijken die in het boek worden bespot, blijken namelijk allemaal te behoren tot geloofsrichtingen waarvan oprechte «geuzen» als Jan Stront en zijn vrienden een gezonde afkeer hebben: doopsgezinden, een Arminiaan («een dominee van de goddelozen») en een katholieke kloosterling (een «vetgemeste paap» die met zijn «hondenpiep» in een vriendinnetje van Jan vast komt te zitten en zo voor zijn «ontuchtigheid» wordt gestraft). Het is allemaal niet vroom of verheffend, maar er worden ook geen geloofsartikelen van de gereformeerde kerk mee aangevallen, zoals Leemans beweert.

En dan is er het feit dat de geslachtsdelen door Jan soms als zelfstandig handelende persoontjes worden benoemd (Jans «Jan Donder» steekt eigenmachtig «zijn kopje omhoog», enzovoort). Hartmans is daarvan onder de indruk en laat zich vertellen dat dit te maken heeft met een nieuw soort sensationalisme. Maar waar de lezer wordt toegesproken door personages die op alle terreinen (drank, scheten, pis, seks, agressie) onbeheerst zijn, is het gehannes met een onbeheersbare piemel toch vooral grotesk.

Leemans schrijft Jan Stront met enig voor behoud toe aan de dichter Pieter Elsevier. Die toeschrijving is plausibel en keurig beargumenteerd, maar maakt het idee van een verborgen Spinozistische boodschap nog onwaarschijnlijker.

Elsevier, een telg uit het beroemde uitgeversgeslacht, had weinig met radicale ideeën en veel met het Oranjehuis en de officiële kerk. Zijn werk en levenswandel plaatsen hem direct in kringen als die van Van Overbeke, naar wie in Jan Stront ook een keer wordt verwezen. Hij studeerde rechten en wilde naar de maatstaven van zijn familie niet echt deugen, maar was altijd nog voldoende notabel om zich in de advocatuur te handhaven en een aantal ereambten te bekleden. Hij publiceerde toneelstukken, gedichten en verhalen in zowel de idealistische als de antigenres, met — net als Van Overbeke — een voorliefde voor scabreuze rijmpjes.

Wie enige notie heeft van de kloof tussen de elite en het «gemeen» en de verschillende dubbele standaards in de zeventiende eeuw, begrijpt dat een man als Elsevier de lezers van zijn drekgedichten niet onder het volk zocht. Dit was vermaak voor volwassen mannen uit de betere kringen, zoals de schelmenromans en obscene kluchtboeken (Leemans’ onderzoek naar de «geïntendeerde lezer» bevestigt dat helemaal) bestemd waren voor de wat jongere, aankomende rijkaards, de studenten. Hen was het officieus toegestaan om zo nu en dan flink de beest uit te hangen en zij konden zich deze goed verzorgde boeken veroorloven.

Leemans veronderstelt desondanks dat de liefhebbers van haar romans zich onderdrukt voelden. Studenten waren volgens haar nihilistisch en uit op plezier en daarom gebeten op een nieuwe generatie fatsoensrakkers. Daarom ook zouden ze zich hebben kunnen identificeren met hoeren en schelmen, figuren die vanuit een eerloze positie harde waarheden durfden uit te spreken.

Dit idee-fixe en Leemans’ selectieve bereidheid om satirische dubbele bodems te erkennen, leiden tot blinde vlekken en tegenstrijdigheden. Zo bijvoorbeeld in de passages die gewijd zijn aan de fictieve hoerenautobiografie D’Openhertige Juffrouw, uit 1680. Daarin komen geen beschrijvingen van de daad voor, maar wel «filosofische» opmerkingen. De juffrouw die in dit boek het woord neemt, keert zich namelijk «zelfbewust» tegen «burgerlijke waarden» als eerlijkheid en echtelijke trouw, die ze als onpraktisch en huichelachtig beschouwt. Bedrog en prostitutie maken haar rijk, en omdat de lezer niets verneemt over een even tuele slechte afloop zou die volgens Leemans de conclusie moeten trekken dat de «hedonistische» levenshouding van dit volksmeisje zo slecht nog niet is.

Leemans is er zo vast van overtuigd dat dit de enige duidelijke boodschap van het boek is dat ze een zeventiende-eeuwse Engelse uitgever die aan zijn vertaling van D’Openhertige Juffrouw een plaatje heeft toegevoegd waarop de heldin door duivels wordt weggevoerd, hypocrisie verwijt: «Precies dat wat de juffrouw aan de kaak stelt, overkomt haar hier zelf. Een mooiprater» verpakt «haar opwindende verhalen» in een «moralistisch jasje».

Leemans wijst ook op het bestaan van het Engelse prentje omdat het strookt met wat ze beweert over het verschil tussen Nederlandse en buitenlandse schelmenromans. In andere landen werd de inhoud van dit soort boeken onschadelijk gemaakt met waarschuwende titelprenten en inleidingen (let op lezer, het is satire), maar hier niet, en daarom was het cynisme van de Nederlandse schelmen gevaarlijker.

Wie nu de illustraties in Leemans’ boek bekijkt, merkt tot zijn verbazing dat al in de eerste Nederlandse editie van D’Openhertige Juffrouw een plaatje werd ingebonden waarop Satan zelf de heldin met een blaasbalg gedachten staat in te pompen (Hartmans liet juist dit plaatje bij zijn recensie afdrukken, maar kennelijk is de betekenis ervan hem ontgaan). En wie dan ook nog de bron zelf ter hand neemt (ook van D’Openhertige Juffrouw is sinds kort een heruitgave op de markt) struikelt al op de eerste bladzijden over de verwijzingen naar de zonden van hoogmoed en godsverachting. Zowel dat plaatje als die verwijzingen laat Leemans uit haar betoog weg, al geeft zij terloops wel weer toe dat zich achter D’Openhertige Juffrouw zeker geen vrouw, en eerder een belezen en «bij vlagen uiterst vrouwonvriendelijk» manspersoon verschuilt.

Het is natuurlijk altijd mogelijk dat een tekst die door de auteur satirisch is bedoeld door lezers op een andere manier werd opgevat. Maar dat is niet wat Leemans beweert en ze heeft ook geen duidelijke aanwijzingen in die richting. En bij gebrek daaraan rammelt het nogal eens — alles zoveel mogelijk in dienst van de conclusie dat pornografie en filosofie al in de late zeventiende eeuw in de Nederlandse republiek samenkwamen.

Zodat, wanneer een vroeg-achttiende-eeuwse pamflettist een naar zijn oordeel luie en incompetente regent aanvalt met de aantijging dat diens eruditie zich beperkt tot «den Leidschen Student, het leven van Jonker van der Moezel, het Amsterdamsche Hoerdom, en nog vyf a zes diergelyken grollen», Leemans bevestigd ziet dat haar boeken «in verband gebracht» werden met «een hedonistische levenshouding». En dit is zomaar een voorbeeld. Er staan meer ergerniswekkende redeneringen en omissies in het boek.

Knap is het daarom wel dat Leemans er toch de spanning in weet te houden. Dat doet ze door steeds vooruit te wijzen naar haar slothoofdstuk, over de netwerken van radicale schrijvers, boek- en «pornoverkopers», met de belofte dat daarmee het vroegtijdige verband tussen «erotiek» en «radicale Verlichting» definitief zal zijn aangetoond. Het blijkt erop neer te komen dat de uitgever-boekverkoper van wie Leemans vermoedt dat hij achter Jan Stront en D’Openhertige Juffrouw zat ook medische (en dus «amorele») boeken in zijn fonds had en contacten had onder collega’s die problemen kregen met de censuur. Zulke problemen kregen die andere uitgevers vanwege politieke pamfletten tegen Lodewijk XIV (waar om diplomatieke redenen soms tegen werd opgetreden) en vanwege Spinozistische werken, maar niet vanwege schelmenromans met eventuele zinnenprikkelende passages. Ook de herhaaldelijk geponeerde relatie tussen «de pornoromans» en de («Spinozistische») herinterpretatie van de zondeval door de vrijetijdstheoloog Adriaan Beverland blijft hier onbewezen.

Zo bevat Het woord is aan de onderkant een gechargeerd geschiedverhaal met net voldoende wetenschappelijke openheid om de oplettende lezer achterdochtig te maken. Hartmans schreef dus iets anders.