Zinnenspringen tussen kroegtijgers

Kees van Beijnum. Dichter op de Zeedijk. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 268 blz, 334,90
HET IS EEN overbekend sjabloon in de Nederlandse literatuur. Hoeveel romans zijn er niet geschreven met gevoelige, dromerige jongetjes als hoofdpersoon, jongetjes die zich niet thuis voelen in de wereld en vluchten in hun verbeelding, jongetjes die zich terugtrekken in zichzelf en leven in verhalen van eigen makelij? Constant Wegman, de protagonist van Kees van Beijnums nieuwe roman Dichter op de Zeedijk is zo'n vertrouwd jongetje. Hij laat zich niet vermalen door zijn rauwe omgeving, hij houdt zich liever op in zijn mijmeringen en fantasieën.

Het opmerkelijke in Dichter op de Zeedijk is het contrast tussen de dromen en het sensitieve waarnemingsvermogen van Constant en de bikkelharde wereld waarin hij opgroeit. Constant wordt opgevoed door zijn grootmoeder, een cholerische, scherp-gebekte vrouw, die café-hotel De Rode Laars drijft aan de legendarische Amsterdamse Zeedijk.
De kroeg is Constants huiskamer. De Zeedijk, de lange, smalle slang die vanaf het Centraal Station naar de Wallen kronkelt, is een toevluchtsoord voor bonkige matrozen, doorgroefde kroegtijgers, stille drinkers, pooiers, hoeren, misdadigers en ander ruw volk. Het is een wereld waar de alcohol lustig vloeit, de habitués stomlazurus van hun krukken vallen, de verwensingen ‘keleretyfus ’ en 'pleurisnogantoe ’ voor uiterst vriendelijk doorgaan en de knokpartijen met de regelmaat van de klok uitbreken. Het is een wereld van krachttermen en bijnamen: de vaste klanten en buurtbewoners heten Ben-van-het-deurtje, Dikke Virginia, Lange Ton, Klaas Kop-en-schotel, Biggie, Joop de Poot, et cetera. Waarom krijgen mensen überhaupt namen, vraagt Constant zich dan ook af, als die toch nooit worden gebruikt.
DOORDAT KEES van Beijnum over de Zeedijk schrijft vanuit een jongensperspectief vermijdt hij de voor de hand liggende toon van bluf en ouwe-jongens-krentebrood. Constant maakt deel uit van de woeste wereld van de Dijk, maar behoudt ook afstand omdat hij niet van het juiste ruwe hout gesneden is om er te overleven. In het café verschanst hij zich bij voorkeur onder het biljart, buiten zit hij het liefst op de brug die uitkijkt over de Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijdskolk. Die observatiepost boven het water is zijn 'eiland van geluk ’ waar hij uren kan kijken naar het glinsterend licht dat op de kaden valt, de stoffige schemering tussen de huizen en het wiegende ritme van het water. En waar hij zich langzaam kan laten wegdrijven in zijn eigen gedachtenwereld. Als dat gehang op de brug verdacht wordt - normale jongens van zijn leeftijd melden zich aan bij de harmonie, doen aan figuurzagen of 'foeballe ’ - wendt hij voor dat hij vist. Hij neemt een hengel in de hand, maar bevestigt geen brood aan de haak.
Constant heeft aan de ene kant een scherp oog voor het leven op de Wallen. Hij ziet hoe de klanten van De Rode Laars een heel geregeld bestaan leiden: Drietje bijvoorbeeld, de pet op het hoofd gekleefd en de woorden 'godvergloeiendepokkelijers ’ en 'vuilviespleurisgraftakkenweer ’ voor in de mond, drinkt met ijzeren regelmaat. Zijn eerste bestelling, op vaste tijd gedaan, omvat steevast twee glazen bier, omdat het eerste hem niet smaakt. Hij weet hoe 'de Stille Vreemdgang ’ plaatsvindt, de stroom mannen die langs de rode kajuitjes van de hoeren trekt. En hij leert van zijn grootmoeder hoe hij moet overleven, leert de wetten van de jungle zogezegd. Bij het vechten gaat het niet om wie het sterkste is, maar het brutaalste. Het komt aan op de eerste klap.
Aan de andere kant onttrekt Constant zich aan zijn omgeving door zelf verhalen te verzinnen met de kroegbezoekers als plooibare personages, door de oude Ben-van-het-deurtje op te zoeken in zijn vervallen winkel en te luisteren naar zijn legenden en zeemansliederen, door te verdwijnen in de wereld van de schilderijen van Vermeer die in het Rijksmuseum hangen, door gesprekken te voeren met de dichter Vondel, die eeuwen geleden in dezelfde buurt woonde.
Een van Constants mooiste strategieën om zich te onttrekken is die van het onzichtbaar worden. Zoals Kees de Jongen, een van de beroemdste gevoelige jongetjes uit de Nederlandse literatuur, de 'zwempadpas’ heeft ontwikkeld om zich slagvaardig door de stad te bewegen, zo leert Constant zichzelf een sluipgang om een schaduwbestaan te leiden. Hij wordt daartoe geïnspireerd door het lezen van het boek De onzichtbare man, waarin de hoofdpersoon alleen te zien was als hij zich aankleedde. In kleren was hij een man zonder hoofd, pas als hij zijn hoofd omzwachtelde met verband bestond hij van top tot teen. Constant doet het precies andersom: zijn kleding dient er juist voor om met opgemerkt te worden. Bedachtzaam steekt hij zich in gedempte tinten en kiest hij kleuren die net iets donkerder zijn dan zijn omgeving: 'Je kleren moesten eruitzien zoals ze op de radio het weer omschreven: aanhoudend zwaar bewolkt. , En hij leert hoe hij de motoriek van anderen kan overnemen. Uren kan hij mensen ongezien achtervolgen door zijn bewegingen volkomen naar de hunne te voegen.
CONSTANT ZOEKT de schaduwplekken en het schaduwbestaan om zijn gevoeligheid te behouden. Hij ziet haarscherp dat niet iedereen zich kan handhaven in zijn milieu. Muis bijvoorbeeld, de nieuwe buffetjuffrouw uit het Noordhollandse Opwoude, wordt vermalen door de genadeloze wetten van de buurt. Van braaf provinciaaltje ontwikkelt ze zich tot stevige drinkster en 'afgelikte boterham ’ en weet ze ternauwernood te ontkomen aan de dope die zijn intrede doet. Het is vast niet toevallig dat Dichter op de Zeedijk eindigt met het verval van de buurt door de komst van de harddrugs en de dood van verhalenverteller Ben-van-het-deurtje.
De poëzie is voorgoed verdwenen. De jeugd van Constant is voorbij. Hij ziet definitief in dat hij niet geschikt is voor het leven op de Wallen: 'Zal ik u vertellen hoe het in elkaar zit, hoe het echt is, het leven? Hier op de dijk tenminste. Als je vriendelijk bent, geen grote mond durft op te zetten, zo aardig bent geld uit te lenen, de waarheid spreekt en niet zo nu en dan iemand het ziekenhuis in slaat, loopt het slecht metje af. ’
KEES VAN BEIJNUM laveert in Dichter op de Zeedijk tussen een enigszins nostalgisch portret van een rauwe maar ooit pittoreske buurt en het tedere verhaal van een jongenstijd. Alhoewel de belevingswereld van Constant hier en daar wel erg poëtisch, met wat al te veel kant en klare dichterlijke adjectieven is beschreven, weet Van Beijnum wonderwel het evenwicht te bewaren. Dat komt waarschijnlijk omdat hij Constant in twee werelden laat leven. Constant ontsnapt, maar weet ook te overleven. In hem strijden twee werelden om voorrang: die van het volle leven en die van de fantasie. Voor het brute bestaan op de Zeedijk voelt hij afschuw en fascinatie tegelijk.
Het gevecht tussen de twee werelden is het duidelijkst in de denkbeeldige gesprekken die Constant met Vondel voert. Constant kan in de boeken wel lezen over de Tachtigjarige Oorlog die de oude dichter aan den lijve heeft ondervonden, maar wat zeggen feitjes, jaartallen en namen in vergelijking tot de wereld van het café: 'Wat moe.st je met Willem de Derde als je De Eenzame Reserveerfantast had, wat met de Geuzen, Leiden.s ontzet, wittebrood met haring, als iedere zaterdagavond ongeluk op ongeluk bracht, gesmoorde snikken, brandende harten, kloppartijen, dienders met getrokken sabels, het kabaal van tientallen juke-boxen die zich samen voegden tot een groot hysterisch orkest. (…) Wat moestje met Jacoba van Beieren als je toch Dikke Vera had? Volgens eigen opgaaf ruim tweehonderdtachtig pond schoon aan de haak, zittend op twee naast elkaar geschoven krukken, zwart geverfd haar, rode lippen, de ogen van een kind, de schouderpartij van een rinoceros. ’
En in de gedichten die Constant schrijft, kan hij wel het weemoedige register van het stille water en de schaduwen aanspreken, maar tegelijkertijd wil hij de taal van de dijk vastleggen. Wil hij zinnen en brokstukken van zinnen die hij in het café opvangt, samenvoegen tot één groot gedicht. 'Zinnenspringen ’ noemt hij het verzamelen van taalflarden zelf. In Dichter op de Zeedijk heeft Kees van Beijnum het zin- nenspringen zelf ook beoefend: hij heeft er de smeuïge zinnen en verhalen van de dijk en de verwonderde waarnemingen en dagdromen van Constant op een geraffineerde manier in ondergebracht.