Zinsbegoocheling

Op een dag kom je er niet alleen achter dat Madonna er raar uitziet, maar ook dat Carel Willink best lelijke schilderijen maakte. Het is gek wat kennelijke smaakgenoten kunnen aanrichten. Sinds ik me deze zomer in Carré bevond tussen de devote zwijmelaars, heb ik geen nummer van Antony and the Johnsons meer vrijwillig kunnen beluisteren. Nu hield ik al niet meer onprobleemloos van Willink voor ik wist van het Dirk Scheringa Museum voor Magisch Realisme.
Een paar jaar geleden zei een vriend, een Van Gogh-kenner, achteloos, gewoon tussen neus en lippen door, ik weet niet meer waarover we het hadden, het zal wel weer over kunst zijn gegaan: ‘Willink, dat kan echt niet hè.’
Ik mompelde vaag instemmend.
‘Zo kitscherig.’
‘Mm…’
Ik voelde langzaam maar zeker Petrus op me neerdalen die zich er handenwringend voor de poort van het paleis van Kajafas ook maar uit probeert te redden, en begon gauw ergens anders over.
Willink hoor je te ontgroeien, schijnt.
Het is de tragiek van de smaakontwikkeling. Voor ons soort mensen, verwikkeld in een éducation permanente, zit er op een goeie dag niet veel anders op dan van onleesbare boeken te houden, je in vormloze kleding te hullen en abstracte schilderijen boven de bank te hangen. Of nee, niet boven de bank natuurlijk, nooit boven de bank.
Hoe vreselijker iemand eruitziet, hoe meer ze over het algemeen weet van goede smaak.
‘Maar dat is echt een heel interessant iemand hoor’, hoorde ik iemand over Lidewij Edelkoort zeggen, de stijlgoeroe die zich inmiddels als Li laat roepen.
Een heel interessant iemand, oftewel iemand met een onnavolgbaar goede smaak en een uilenbril. Met haar alsof ze na jaren haar badmuts heeft afgedaan, en ogen die zo nadrukkelijk niét zijn opgemaakt dat ze er vast uren mee in de weer is geweest. Die lippen daarentegen, daar is ze zo mee klaar: smeren maar.
Klink ik gekweld? Alsof mij persoonlijk wat ontstolen is?
Ik hield ook van Mathilde Willink.
Ik had foto’s van haar op mijn kamer hangen, in de buurt van mijn spiegel. Je moest haar verder niet horen praten, maar dat geldt voor zoveel mensen. De manier waarop zij haar gezicht opmaakte was weergaloos. Alle kleuren van de regenboog waren nog niet genoeg. Een bron van inspiratie.
Ik kijk naar het journaal en vraag me oprecht af wat ik met mijn Willink heb gedaan. Een half leven lang heb ik ‘m met me meegesleept, van huis naar huis, stad naar stad. Geen sinecure, want mijn vriendje had hem hoogstpersoonlijk voor me ingelijst. Dagen was hij aan het zagen geweest in de ouderlijke schuur. Het centimeters dikke glas liet hij op maat snijden in de linoleumfabriek. Hoe hij het gevaarte op de fiets naar mijn huis, drie dorpen verderop, vervoerd kreeg is een raadsel, maar ik verbeeld me dat ik hem nog zó aan zie komen fietsen, kuif rechtopstaand in de wind. Een gigantisch geval in dekens gewikkeld achter op de snelbinder in precaire balans gehouden.
‘Wat heb jij nou?’
‘Voor jou’, zei hij blozend, want we gedijden allemaal op West-Friese bodem.
Mijn voorkeur voor Zaanse mayonaise, die ben ik nooit ontgroeid.
‘Hier hou je toch zo van?’
En inderdaad, hier hield ik van. Apocalyptisch landschap, twee jongetjes die in een holle boomstam klimmen. De combinatie van iets speels en iets dreigends, dat moet het zijn geweest. En dan natuurlijk die fotorealistische benadering van de meester. De truien van de jongetjes waren in een fijne patentsteek gebreid.
Dirk en zijn Baukje hebben een heel museum gebouwd rond hun Willink-verzameling. Waar waren zij door gevangen? ‘De zorgvuldige techniek, de aandacht voor details en de magische sfeer in zijn voorstellingen.’ Zo staat het op de website van het museum.
Ondertussen was de speciaal voor mij ingelijste Willink zo kolossaal dat bijna geen muur hem aankon. Toch zie ik nog zeker drie muren voor me waar hij heeft gehangen, aan een koord dat mensenkilo’s kon torsen. De laatste muur was tegenover een zelfgebouwde douche, in een huis waar ik altijd bang was.
Ik zal hem toch niet op een dag bij het grof vuil hebben gezet?
‘Weet jij wat ik met dat schilderij heb gedaan?’ vraag ik aan mijn moeder. ‘Dat van Willink weet je nog?’
‘Ik mag hopen dat je het eindelijk hebt weggedaan’, zegt ze.
Ik heb de laatste tijd een beetje moeite haar te peilen. Ik bedoel: ik kan mijn oren niet geloven. Zo’n lief cadeau, dat moet je toch je leven lang koesteren?
En ze zegt: ‘Ik heb het altijd al een kreng van een ding gevonden.’
Die zinsbegoochelingen waarin mensen zich een half leven lang veilig wanen. Daar moet je ook weer niet te veel aan tornen.