Amerika’s vuurwapennachtmerrie

Zit niet aan de wapens van de gun guys

Na de massamoord in Orlando is de discussie over wapenbezit weer opgelaaid. Maar de vraag is of het bezit wel het grootste probleem is. ‘We moeten iets doen aan armoede en werkloosheid.’

Medium nyc155061 5b1 5d
Beeld: Tampa, Florida. Burgers bezoeken een namaakopstandelingenkamp tijdens de Special Operations Forces Industry Conference © Michael Christopher Brown / Magnum

Niets doen is geen optie. Zo zou je de inhoud van de tientallen e-mails van anti-vuurwapenactivisten kunnen samenvatten die de ochtend na de zoveelste massale schietpartij – ditmaal in een homo-nachtclub in Orlando, 49 doden – menige Amerikaanse inbox vulden. De Moms Demand Action for Gun Sense in America vroegen bijvoorbeeld om onder het motto ‘ontwapen haat’ een petitie te ondertekenen die het Congres oproept actie te ondernemen. De activisten van Everytown for Gun Safety waren met hun petitie om automatische aanvalswapens te verbieden wat specifieker.

Dat de e-mails ietwat vermoeid klonken, een verplichte oefening, had alles te maken met wat eind 2012 na de schietpartij op de Sandy Hook Elementary School in Newton in het Congres was gebeurd: niets. Als zelfs de dood van de twintig kinderen tussen zes en tien jaar, plus zes volwassenen, de Amerikaanse politiek niet tot strengere regulering van vuurwapens kon aanzetten, waarom zou dat dan nu wél het geval zijn?

Destijds ging het om een amendement dat de gaten moest dichten in een wet die voorschrijft dat kopers van vuurwapens altijd een achtergrondcheck moeten ondergaan. Het idee daarachter is dat vuurwapens zo in ieder geval niet gekocht kunnen worden door zware misdadigers, drugsverslaafden, psychiatrische patiënten en lieden die vanwege huiselijk geweld veroordeeld zijn. De wet was echter niet van toepassing op private verkopen, bijvoorbeeld tijdens wapenshows of via internet, samen goed voor zo’n veertig procent van alle vuurwapenverkopen. De wet was daardoor nogal ineffectief, en dat was wat twee Democratische senatoren met een amendement wilden veranderen.

Uit peilingen blijkt dat Amerikanen al jaren in overweldigende meerderheid algemeen geldende achtergrondchecks voor wapenkopers steunen (85 procent van de gehele bevolking, tachtig procent van de wapenbezitters). Na een massamoord op onschuldige kinderen zou je zeggen dat het aannemen van een dergelijk amendement een formaliteit is. Niet dus: de Republikeinen en een vijftal conservatieve Democraten in de Senaat hielden het voorstel tegen. In dat stadium waren de door president Obama voorgestelde verkoopverboden op aanvalswapens en magazijnen met meer dan tien ronden ammunitie al weggestemd. Steeds lieten de tegenstanders zich leiden door het beginsel dat elke inperking van het recht om wapens te dragen er één te veel is.

Ruim drie jaar later is de patstelling onveranderd. Ditmaal dienden de Democraten niet alleen het loophole-amendement in, maar stelden ze ook voor om wapenverkopen aan van terrorisme verdachte Amerikanen te verbieden – net als de daders van de aanslagen in San Bernardino (december 2015) zou de schutter in Orlando namelijk met moslimterrorisme sympathiseren. Dat laatste voorstel kreeg ook de steun van de vermoedelijke Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump. De Republikeinse senatoren waren echter onvermurwbaar. De gemoederen liepen op enig moment zo hoog op dat de Democratische senator Elizabeth Warren brieste dat ‘de gop wapens verkoopt aan IS’ – een claim die in absurditeit nauwelijks onderdoet voor de Republikeinse weigering om met achtergrondchecks voor wapenkopers in te stemmen.

De Democratische positie kreeg overigens ook kritiek van progressieve zijde. ‘Liberale politici als Hillary Clinton hebben het steeds over de Terror Watch List en de No Fly List’, schreef bijvoorbeeld Patrick Blanchfield in het literaire opinieblad n+1. ‘Die eerste is nog wel een gerichte database, maar die tweede is een rampzalig onnauwkeurige lijst waarop meer dan vierhonderdduizend mensen staan, vaak ten onrechte, en die al veroordeeld is door de aclu (burgerrechtenorganisatie – mvg). Maar dat doet er niet toe in reactie op spraakmakend geweld: het was zaak om iets te doen, wat dan ook – en je later zorgen te maken over de gevolgen voor burgerrechten. Ondertussen blijven de veiligheidsstaat en het politie-apparaat doorgroeien.’

Ondertussen houdt ook het vuurwapengeweld in het land aan. Sinds 1960 zijn naar schatting 1,4 miljoen Amerikanen omgekomen door vuurwapens, al dan niet door moord, zelfmoord of ongelukken. In 2013, het laatste jaar waarover de Centers for Disease Control and Prevention cijfers hebben gepubliceerd, waren dit er meer dan 33.000, oftewel 91 per dag. Amerikanen zien terrorisme als een grote bedreiging van de nationale veiligheid, maar een groter gevaar komt van hun eigen liefde voor vuurwapens: de kans dat een Amerikaan omkomt bij een terroristische aanslag is één op 3,5 miljoen, de kans dat hij wordt doodgeschoten is één op 22.000. De Amerikaanse moordratio (per vuurwapen) is twintig keer zo hoog als die van de twintig volgende rijke landen samen.

‘Als we het vastgelopen debat over vuurwapens willen openbreken, zullen we eerst de ogen moeten openen voor de ramp die zich rond ons voltrekt’, schrijft David Cole, hoogleraar aan het Georgetown University Law Center, in zijn nog altijd veelgeciteerde New York Review of Books-essay Facing the Real Gun Problem uit 2013. ‘De tragedie heeft tijdelijk onze aandacht na een massaschietpartij, maar de veel bredere tragedie wordt dagelijks ervaren door slachtoffers van veel minder spectaculaire, maar even verdrietige gebeurtenissen.’ De kleuter die zichzelf neerschiet met het in de ouderlijke slaapkamer gevonden pistool, de dronkaard die de nieuwe vriend van zijn ex-vriendin neerschiet, het uit de hand gelopen dispuut over een drugsdeal in de intercity van Baltimore. ‘Echte hervorming moet deze vaak over het hoofd geziene aspecten van het Amerikaanse leven in acht nemen’, aldus Cole. Een andere belangrijke stap is volgens Cole ‘de erkenning dat er legitieme overwegingen zijn aan de andere kant van het dispuut, en dat veel Amerikanen die overwegingen diep voelen’.

Opvallend is dat Cole denkt dat juist de zaak-‘Heller versus District of Columbia’ (2008), een uitspraak van het Hoge Gerechtshof die een absoluut verbod op het dragen van handwapens uitsluit, een brug tussen beide kampen kan slaan. Want hoewel het Hof in die zaak nadrukkelijk het individuele recht om vuurwapens te dragen erkent, erkent het tegelijkertijd dat de constitutie toelaat dat de overheid aan dit recht beperkingen oplegt. Zo mag de overheid bijvoorbeeld bepalen dat veroordeelde misdadigers geen wapens kunnen kopen, of dat in scholen of rechtbanken geen vuurwapens mogen worden gedragen. Oftewel, concludeert Cole, ‘het is de politiek, niet de constitutie, die tegenwoordig de barrière vormt tegen vuurwapenregulering. En de politiek is nooit gebaat bij uitingen van dédain.’

‘Echte hervorming moet de vaak over het hoofd geziene aspecten van het Amerikaanse leven in acht nemen’

Juist daaraan maakt de liberale Democratische partij-elite zich volgens Cole regelmatig schuldig. Exemplarisch waren de uitgelekte opmerkingen van Obama in april 2008 tijdens een wervingsevenement (fundraiser) in San Francisco: ‘Je komt in van die kleine plaatsen in Pennsylvania of het Midwesten, waar de banen al 25 jaar weg zijn en niets ervoor in de plaats is gekomen’, zei de toenmalige presidentskandidaat. ‘En het is niet verrassend dat ze bitter worden en zich vastklampen aan vuurwapens of religie of antipathie jegens mensen die anders zijn dan zij (…) om hun eigen frustraties te begrijpen.’

In het reisboek Gun Guys: A Road Trip (2013) interviewde Dan Baum tientallen wapenbezitters en -enthousiastelingen, om te begrijpen waarom zoveel Amerikanen ‘gun guys’ zijn. Daar waren uiteraard oneindig veel redenen voor – variërend van simpelweg de kick van het schieten tot het idee dat een vuurwapen een laatste verdediging kan zijn tegen de tirannie van de overheid – maar dit bleef hem vooral bij: het gevoel dat liberalen begrip noch respect voor hun belangen hebben. Baum schrijft: ‘Wat keer op keer terugkeerde was dat gun guys zich beledigd voelden. Ze hadden iets wat ze graag deden – wapens hebben en ermee schieten – en juist daarom kregen ze een aanval te verduren op hun hobby, hun levensstijl, hun waardigheid.’

Baum zoekt een verklaring voor de politieke patstelling dan ook niet in het gangbare narratief dat conservatieve volksvertegenwoordigers in de zak zitten van de lobbyisten van de National Rifle Organization (nra). ‘Waarschijnlijk is het beter voor het gemoed om je vijand voor te stellen als een valsspelende reus dan de werkelijkheid onder ogen te zien: dat wapenwetten losjes zijn omdat de meeste Amerikanen het zo willen.’

Toch verklaart dat niet waarom zelfs het invoeren van een bescheiden, alleszins redelijke maatregel als algemene achtergrondchecks voor wapenkopers maar niet lukt – zelfs niet nu het Amerikaanse publiek daar in grote meerderheid voor is, stipt Cole nog maar eens aan. Hij denkt dat dit met de intensiteit van de emoties van de betrokkenen te maken heeft: ‘Het feit dat het recht om wapens te dragen belichaamd wordt door een persoonlijk bezit dat veel eigenaren ook nog eens associëren met zelfverdediging, macht, patriottisme en gelijkheid, maakt wapenbezitters extra gemotiveerd om hun voorkeuren uit te dragen, om bij hun volksvertegenwoordiger te lobbyen en om de wapenkwestie een doorslaggevende kwestie in het stemhokje te maken. Daarentegen zijn er maar weinig burgers voor wie meer regulering van vuurwapens een doorslaggevende kwestie is.’

Dit alles betekent uiteraard niet dat de liberalen zich maar moeten afwenden van het probleem van vuurwapengeweld, haast Cole zich eraan toe te voegen. ‘Het terugdringen van vuurwapengeweld is een morele plicht’, schrijft hij. ‘Dus wat te doen?’

Zijn eerste aanbeveling is onverwacht: ‘We moeten afzien van pogingen om aanvalswapens te verbieden. Aanvalswapens zijn jaarlijks verantwoordelijk voor slechts drie procent van alle moorden in de VS. De grote meerderheid van doden en gewonden is toe te schrijven aan gewone pistolen. Is het pushen voor een verbod op aanvalswapens echt de moeite waard, als dit het verweer onder wapenbezitters tegen andere hervormingen alleen maar verhardt?’

Daarentegen vindt Cole het wel de moeite waard om te blijven proberen algemene achtergrondchecks ingevoerd te krijgen, ook omdat hiertegen onder het publiek nauwelijks weerstand bestaat. Wat is er mis met vuurwapens uit de handen van de slechteriken te houden? Niet dat achtergrondchecks een complete oplossing zijn, schrijft Cole: ‘Veel misdaden worden begaan door mensen die de checks doorstaan of de wapens stelen. Maar het feit dat de checks niet waterdicht zijn, betekent niet dat ze geen zinnige hervorming zouden zijn.’

Ook nuttig, en wederom niet iets waar veel wapenbezitters tegen zullen zijn, is striktere veiligheidsregulering. Cole: ‘Veel te veel tragedies vinden plaats omdat kinderen of criminelen de hand leggen op wapens die ergens geladen of onbeveiligd zijn achterlaten. (…) Regels die wapenbezitters verplichten hun wapens te vergrendelen en buiten bereik van kinderen te bewaren, brengen het aantal ongelukken met vuurwapens terug. Bovendien kan veiligheid tegenwoordig eenvoudig worden opgenomen in het ontwerp van een vuurwapen, bijvoorbeeld door het als een computer een wachtwoord te geven, zodat alleen geautoriseerde gebruikers het kunnen gebruiken.’

Essentieel voor het doorvoeren van dergelijke hervormingen is de instemming van wapenbezitters, waarschuwt Cole. ‘We moeten duidelijk maken dat de hervormingen niet het begin zijn van een kruistocht richting het in beslag nemen of verbieden van vuurwapens.’

‘Het feit dat checks niet waterdicht zijn, betekent niet dat ze geen zinnige hervorming zouden zijn’

Zijn belangrijkste punt bewaart Cole echter voor het laatst, en het voert verder dan regulering. ‘Om echt iets te doen aan vuurwapengeweld, moeten we kijken naar de oorzaken van het geweld. Als gezegd, de overgrote meerderheid van vuurwapendoden wordt veroorzaakt door pistolen. De constitutie verbiedt het verbieden van gewone vuurwapens, en slechts een kwart van de Amerikanen steunt een dergelijk verbod. Met een kleine driehonderd miljoen vuurwapens al in private handen zou een verbod sowieso niet veel zin hebben.’ De kosten van een terugkoopactie van vuurwapens, zoals Australië in de jaren negentig deed, zouden makkelijk tot honderd miljard dollar kunnen oplopen.

Wat nog wel eens naar de achtergrond verdwijnt in het wapendebat, is dat vuurwapengeweld niet evenredig verdeeld is over het land. Jonge zwarte mannen sterven acht keer zo vaak als hun blanke leeftijdsgenoten door vuurwapengeweld en het probleem is hoe dan ook geconcentreerd in de arme binnensteden. Cole: ‘Het probleem in de inner city kan niet met alleen vuurwapenwetgeving worden opgelost, maar ook door iets te doen aan systematische armoede, werkloosheid, bendes, uiteengevallen gezinnen, falend openbaar onderwijs, drugs.’

Een belangrijk voordeel van het op deze manier terugdringen van vuurwapengeweld is dat het op geen enkele manier de rechten van wapenbezitters raakt. ‘Als de nra en zijn leden hun rechten willen behouden en vuurwapengeweld willen terugdringen, zouden ze zulke initiatieven actief moeten steunen’, stelt Cole.

Als voorbeeld draagt hij het decriminaliseren van drugs aan, wat vermoedelijk tot een grotere afname van geweld zou leiden dan het verbieden van vuurwapens. Hij wijst op de Amerikaanse ervaringen met de Drooglegging, in de jaren twintig, toen alcohol verboden was: ‘Als het strafrecht veelgebruikte goederen verbiedt, ontstaan zwarte markten en is privaat geweld onvermijdelijk.’

Andere sociaal-economische verbeteringen die tot minder vuurwapengeweld leiden: beter openbaar onderwijs, naschoolse opvang en specifieke beroepsopleidingen. ‘En het terugdringen van massale opsluiting zou ook helpen, want dat heeft desastreuze gevolgen voor de kinderen en families van de gedetineerden.’

Zulke hervormingen zijn in de VS geen vanzelfsprekendheid, zeker niet zolang de Republikeinen een meerderheid in het Congres hebben. Enkele staten hebben marihuana gelegaliseerd, maar niets duidt erop dat dit in veel staten zal gebeuren, laat staan op federaal niveau. Investeren in arme gemeenschappen is duur en massale opsluiting, waarvan de gevolgen vooral worden gedragen door minderheden, leidt nu eenmaal niet tot grote publieke verontwaardiging.

Cole kan het niet genoeg benadrukken: catastrofes als de massaschietpartijen in Newton, San Bernardino en nu in Orlando zijn, hoe afschuwelijk ook, maar een klein onderdeel van het probleem. ‘Vuurwapengeweld is geconcentreerd in economisch verwoeste buurten in steden als Chicago, Baltimore en Los Angeles. En juist omdat het probleem op die plekken het grootst is, is het zo makkelijk voor de meerderheid om de andere kant op te kijken en het te negeren. (…) Maar als we echt iets willen doen aan vuurwapengeweld, dan zullen we serieus moeten investeren waar het probleem het acuutst is.’

Vergaande veranderingen in sociaal-economisch beleid zoals Cole (en vele anderen, denk aan Bernie Sanders’ platform) bepleit, zijn echter zelden terug te vinden in de petities van groepen als Everytown for Gun Safety en Moms Demand Action. Zij hopen immers het vuurwapendebat op korte termijn te beïnvloeden.

Daarover maakt de eerder aangehaalde n+1-essayist Blanchfield zich geen illusies. In de blogpost So There’s Just Been a Mass Shooting voorspelt hij wat het Amerikaanse publiek kan verwachten na de volgende massaschietpartij. Na semantisch geharrewar of de aanslag wel of niet als terrorisme dient te worden gelabeld en als de door Democraten voorgestelde, minimale hervormingen zijn tegengehouden, ‘eindigt de “conversatie” geheid in algehele uitputting, verdomming en te gelde gemaakte woede’, schrijft Blanchfield. ‘Dan pauzeren we even, onze energie verbruikt, en wandelen weg, waarschijnlijk slechter geïnformeerd en minder zeker van onszelf dan ooit tevoren. Ondertussen zal deze massaschietpartij, evenals de vorige en de volgende massaschietpartij, niet alleen retweets, Facebook-posts, essays en speeches opleveren. Ze zal ook vuurwapens verkopen. Als je goed luistert, hoor je hoe de biljetten ritselend uit portefeuilles worden getrokken, het metalen geluid van een automatisch pistool dat wordt geladen.’

Na Orlando is het inderdaad niet anders: door het hele land rapporteren wapenverkopers enorme stijgingen in de verkoop van AR-15’s (het wapen dat bij de aanslag op de homo-nachtclub is gebruikt). De motivatie van de meeste kopers is net als na eerdere massamoorden: angst dat de wapens worden verboden. De maandagochtend na de aanslag steeg het aandeel Smith Wesson met acht procent.