De stad als sociaal laboratorium

Zitten op een tweedehandsje

Na vijf jaar Grote Crisis gaat hier en daar het geld toch een tikje anders rollen. In heel Europa omzeilen overlevers en idealisten de vastgedraaide economie. Lokale ruilsystemen zijn niet meer alleen van alternativo’s.

Medium lokaleconomie

In Zeeland hebben enkele regionale ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf de handen ineengeslagen en de Kredietunie Zeeland opgericht. Deze nieuwe coöperatie moet het mogelijk maken dat ondernemers elkaar geld lenen, simpelweg omdat bestaande banken door aangescherpte kredieteisen voor kleinere en middelgrote bedrijven niet langer thuis geven. De Kredietunie moet met gerichte leningen van tussen de 50.000 en 250.000 euro de Zeeuwse economie uit stilstand halen.

De Zeeuwse Kredietunie is een van de vele voorbeelden waaruit blijkt dat na vijf jaar Grote Crisis geld toch een tikje anders gaat rollen. Natuurlijk, het oude kapitalisme is met hulp van de belastingbetaler bezig zijn wonden te likken en maakt zich op om op vertrouwde voet voort te gaan. Maar ver weg van de blinkende hoofdkantoren en van de bankmedewerkers die achter hun balie heel vriendelijk ‘nee’ verkopen, ontkiemen in regio’s, in steden, in dorpen en wijken andere vormen van economie. Dat is vooralsnog een economie van kleingeld, maar wel een met potentie.

Lokale munten, dienstenruilnetwerken, coöperatieve banken (zonder de geur van Libor), crowdfunding, broodfondsen – het is er allemaal, elders in Europa nog meer dan in Nederland. Een volwaardig alternatief voor de Grote Economie is het niet, wil het ook niet zijn. Het gaat om kleinschalige, vaak regionale alternatieven die zich eerder lijken te onttrekken aan de kille wetten van het grootkapitaal dan dat ze er een bedreiging voor willen vormen. Toch zou deze ontluikende lokale economie wel eens richting kunnen geven aan nieuwe sociale verhoudingen tussen burgers en de toekomst van de stad.

Nieuw zijn deze lokale economieën niet. Toen de initiatiefnemers van de Zeeuwse Kredietunie hun plannen bekend maakten, ging er bij menige oude Zeeuw een lampje branden. Hadden ze dat al niet eerder gezien? ‘Inderdaad’, reageerde initiatiefnemer Jan Kees Oorthuijs in PZC, ‘het lijkt op de vroegere Boerenleenbank. Het punt is echter dat banken zo ver zijn doorgeorganiseerd dat ze geen mensen meer hebben voor maatwerkoplossingen.’

Ook andere initiatieven grijpen terug op eerdere voorlopers. Zo bedacht de Canadees Michael Linton al ruim dertig jaar geleden het lets, afkorting voor Local Exchange Trading System. lets zijn plaatselijke netwerken waarin mensen zonder fysiek geld goederen en diensten ruilen. Zo kun je met een keer oppassen ‘verdienen’ dat iemand anders bij jou komt klussen. Dat hoeft niet één op één, want door een slim puntensysteem wordt aan elke dienst een ‘prijs’ gehangen. In Nederland zijn ongeveer honderd lets-kringen, waarvan de bekendste (Noppes in Amsterdam) ook al weer twintig jaar bestaat.

Niets nieuws dus. Maar het is opmerkelijk dat deze vorm van uitruil de laatste jaren aan een tweede jeugd is begonnen. Neem bijvoorbeeld de Seniorengenossenschaften zoals ze die in Duitsland kennen. Dat zijn lokale verenigingen van (meestal oudere) burgers, die bij elkaar klussen doen, de tuin onderhouden, schoonmaken of elkaar gezelschap houden. Ze verdienen daarmee een soort ‘tijdpunten’. Waar het bij lets expliciet niet de bedoeling is om zulke punten te sparen, is dat bij de Seniorengenossenschaften juist wel zo. Achterliggende gedachte is namelijk dat als je als jongere oudere een kapitaaltje aan tijdpunten opspaart je die later kunt opsouperen als je krachten afnemen. Het motto: heute geben, morgen nehmen.

Vanaf het begin van de jaren negentig kwamen er in Duitsland tientallen van die Genossenschaften tot ontwikkeling, aanvankelijk vooral in het voormalige Oost-Duitsland. In Nederland is de laatste jaren een vergelijkbare zelforganisatie opgekomen. Het vertrouwen dat de grote zorginstellingen garant staan voor een prettige oude dag slinkt danig. Dus nemen vitale senioren het initiatief om elkaar te steunen. Net als de Zeeuwse Kredietunie kiezen ook zij voor de oude vertrouwde coöperatievorm om hun belangen te bundelen.

De zorgcoöperatie Hoogeloon is daar inmiddels het bekendste voorbeeld van. Zij was in 2006 de eerste in Nederland, maar bleef lang onopgemerkt. Hoogeloon is een kerkdorp van de Brabantse gemeente Bladel met ruim 2100 inwoners, waar nagenoeg alle voorzieningen uit dreigden te vertrekken. De coöperatie begon als eetclub, maar breidde uit met dagopvang, huishoudelijke hulp en zelfs een aantal zorgvilla’s. Inmiddels is ruim tien procent van de Hoogeloners lid, zodat er een kleine, dorpse zorgeconomie ontstaat.

Lange tijd vond iedereen de Seniorengenossenschaften, lets en coöperaties best sympathiek, maar echt serieus werden ze niet genomen. Het was meer iets voor romantici en idealisten. Dat dat nu razendsnel verandert, heeft een voor de hand liggende oorzaak: de crisis. Dat stellen de Spaanse socioloog Manuel Castells en zijn collega’s van het internationale onderzoeksnetwerk Aftermath in het vorig jaar verschenen The Cultures of the Economic Crisis. Sinds het uitbreken van de crisis in 2008 buigt dit netwerk zich over de nasleep en probeert het de nieuwe verhoudingen in kaart te brengen.

In het landschap dat in het Westen aan het ontstaan is, zien de Aftermath-onderzoekers vier lagen. De eerste laag is het met belastinggeld gerenoveerde kapitalisme (in Castells’ termen: informatiekapitalisme). Die renovatie is op sommige plekken succesvol, maar het probleem is dat slechts een klein deel van de wereldbevolking de vruchten ervan plukt. De tweede laag is een publieke en semi-publieke sector die geplaagd wordt door een permanent geldgebrek – deels door de schuldenlast die is opgebouwd toen de financiële sector moest worden gered, deels door haperende economische groei, deels door de grotere lasten in verband met sociale voorzieningen tegen de gevolgen van de crisis. De derde laag wordt gevormd door een heropleving van ruilhandel en andere traditionele economische activiteiten die de slachtoffers van de crisis de mogelijkheid biedt om te overleven. De productiviteit van deze – grotendeels informele – activiteiten is gering, maar er is veel (laaggeschoold) werk in te vinden. De vierde laag bestaat uit een alternatieve economie die voortbouwt op andere waardeoriëntaties: het draait er niet om maximaal consumeren maar om duurzaamheid, rechtvaardigheid (fair trade) en ecologie – om de belangrijkste waarden maar eens te noemen.

Er lijkt een generatie op te staan die minder op bezit en meer op gebruik uit is. Delen is het nieuwe hebben, is het nieuwe motto

Volgens Castells en zijn Aftermath-netwerk heeft de crisis de dynamiek van die laatste twee lagen versterkt. Dat verklaart de groeiende belangstelling voor lokale economische ruilsystemen. De crisis heeft ze bevrijd van hun marginale imago. Wat iets voor alternativo’s was, beweegt richting mainstream.

Vooral in Zuid-Europa begint de traditionele (ruil)economie op een steeds hoger toerental te draaien. In Griekenland ontstond een heuse ‘aardappel-beweging’ toen de voedselhandel dure aardappels uit Egypte importeerde terwijl de Griekse boeren hun aardappels niet kwijt konden. Uit woede deelden ze eerst hun oogst uit op pleinen en dorpen, en langzaam maar zeker groeide er een compleet nieuwe aardappelhandel waarin consument en producent elkaar rechtstreeks vonden en het monopolie van de supermarkten domweg omzeilden.

In Nederland zijn vergelijkbare bewegingen te zien. Half oktober meldde Metro dat het aantal advertenties op Marktplaats recentelijk enorm is gestegen. In de categorie ‘huis en inrichting’ in twaalf maanden tijd maar liefst met 47 procent. Ondertussen is het op de meubelboulevards angstwekkend stil.

De bereidheid om op een tweedehandsje te zitten is echter niet alleen uit crisisnoodzaak toegenomen. Het gaat om meer. Het wijst erop dat steeds meer mensen er andere waarden op nahouden dan tien jaar geleden denkbaar was. ‘Het taboe op tweedehands is volledig verdwenen’, aldus Marktplaats-woordvoerder Sanne Godron in Metro. Tegelijkertijd lijkt er een generatie op te staan die minder op bezit en meer op gebruik uit is. Delen is het nieuwe hebben, klinkt het nieuwe motto. Twintigers en dertigers in Amsterdam zijn bijvoorbeeld nauwelijks meer geneigd om een auto aan te schaffen. Het is onpraktisch, duur en slecht voor het milieu en er zijn alternatieven: van Greenwheels tot huren bij je buren. En zie: hun generatiegenoten zien er een markt in. Ze maken apps en ontwerpen websites waardoor deze nieuwe oriëntaties sneller in de praktijk gebracht kunnen worden. gt;

Kortom: we zien anno 2013 naast een mengsel van informatiekapitalisme voor de happy few en staten op de rand van faillissement een nieuwe coalitie van gewone burgers die noodgedwongen praktische overlevingskansen zoeken en idealisten die met het oog op morgen nieuwe waarden propageren. Die coalitie kent grote potenties.

Vooralsnog zijn die potenties nog vooral van symbolische, inhoudelijke aard. De kans dat lokale munten, coöperatieve banken, zorgcoöperaties en ruil- en deelsystemen op afzienbare termijn een reële bedreiging vormen voor zorgreuzen en bankgiganten is immers klein. Wat al die initiatieven echter wel genereren, zijn – naast heel praktische vormen van dienstverlening – waarden als nabijheid, eigenaarschap en trots. Zo is voor de coöperatie Texelenergie de binding met het eiland Texel van levensbelang, niet alleen omdat ze – aldus haar site – ‘daar zuinig en respectvol mee om wil gaan’, maar ook omdat de kleinschaligheid haar in staat stelt ‘leden persoonlijk te blijven benaderen’.

Diezelfde ervaring doen buurtinitiatieven op die voor hun financiering een beroep doen op de buurt in de vorm van crowdfunding. Meefinancierende buurtbewoners gaan hun projecten meer als ‘van zichzelf’ ervaren. En dat geldt eigenlijk ook voor zorgcoöperaties, zoals die in Overloon en – van recenter datum – de zogeheten ‘stadsdorpen’ in Amsterdam waar ouderen open en moderne gemeenschappen willen vormen waarin het prettig ouder worden is.

Elkaar vinden, elkaar kennen, zelf de regie voeren en daar ook financieel aan willen bijdragen, dat brengt deze coöperatieve verbanden bijeen. Het zijn eigenzinnige strategieën tegen de vervreemdende werking van de verzorgingsstaat. Die pompt van oudsher veel geld rond: vanuit de private inkomens via belastingen en premies naar (semi-)overheidsinstellingen om pas daarna weer bij burgers te belanden. Alle tussenstappen kosten geld en vervreemden burgers van het resultaat. Directere connecties verlagen niet alleen die transactiekosten maar vergroten ook de nabijheid.

Nabijheid, kortere lijnen – is hier een nieuwe lokale economie in de maak? De Engelse filosoof Phillip Blond, inmiddels wereldwijd bekend als adviseur van de Conservatieve Britse premier Cameron, beantwoordt die vraag met ja in zijn boek Red Tory: How Left and Right Have Broken Britain and How We Can Fix It uit 2010. Blond wil economie en gemeenschap weer bij elkaar brengen. Dat vergt ontstatelijking, verregaande decentralisatie en een verplaatsing van beslissingsmacht naar lokale verbanden. Uiteraard ontkent hij het bestaan van een geglobaliseerde economie niet, maar hij wijst erop dat een groot deel van onze economie wel degelijk lokaal is.

Uitgaven met betrekking tot de publieke sector, infrastructuur, groenvoorzieningen, wegenonderhoud, welzijn vinden vooral lokaal plaats. Dat zijn omvangrijke geldstromen, ook in Nederland. Voor een van de Vogelaarwijken hebben wij ooit een snelle berekening gemaakt hoeveel geld er in de wijk omging aan beheer, onderhoud, uitkeringen en zorg. In combinatie met consumptieve bestedingen beloopt dat voor een wijk van zo’n 25.000 inwoners al gauw zo’n honderd miljoen per jaar. Best veel geld voor een achterstandswijk en dus des te gekker dat dat geld geen enkele rol speelt voor de problemen waar zo’n wijk mee kampt.

Op het lokale niveau, ver weg van Den Haag, kantelt ons denken, kantelen organisaties, en kantelt misschien wel onze economie

Blond wil daar verandering in brengen. Zijn programma laat zich samenvatten in drie leuzen: re-moralize the market, re-localize the economy en re-capitalize the poor. Volgens hem zouden ondernemingen in hun lokale setting niet alleen voor geldelijk gewin moeten gaan, maar engagement moeten ontwikkelen met hun lokale context en daar morele verantwoordelijkheid voor nemen (re-moralize the market). Daarbij zouden zij gebruik moeten maken van de sociaal-economische hupbronnen en de lokale verbindingen die in de lokale gemeenschappen aanwezig zijn (re-localize the economy). Verder moet je mensen in kwetsbare situaties niet alleen hulp bieden, maar ook echt in staat stellen om zich kapitaal toe te eigenen (re-capitalize the poor). Het voorvoegsel ‘re-’ onderstreept dat die lokale oriëntatie er ooit wel was: de globalisering heeft nogal wat instellingen en bedrijven losgezongen van hun lokale verankering.

Ook dit is geen unieke of nieuwe gedachte. Good old Jane Jacobs, de grandmother van het denken over stedelijke vitaliteit, beschreef in haar in 1992 gepubliceerde studie Systems of Survival de casus Eugene, een stad in de staat Oregon. Daar startte een jonge voorzitter van een buurtorganisatie, Alana Probst, een actie om lokale bedrijven beter op elkaar aan te sluiten. Het stadje was afhankelijk van de houtindustrie die sterk op haar retour was en de werkloosheid nam in de buurten waar Probst woonde zienderogen toe. In 1982 kwam de voorzitter in actie. Jacobs schrijft: ‘Het idee was simpel. Ga naar lokale bedrijven en vraag wat ze de komende jaren van plan zijn om buiten de stad en de regio te bestellen aan producten en diensten. Ga vervolgens na of er lokale bedrijven zijn die deze producten of diensten zouden kunnen leveren.’

Economen vonden het een onzinnig initiatief. Zo werkt dat niet, zeiden ze in koor. Het bleek wel degelijk te werken, zelfs in die mate dat het werd uitgebreid naar de hele staat Oregon. Via ‘Oregon Marketplace’ werden lokale bedrijfjes actief met elkaar in contact gebracht en gestimuleerd om producten en diensten van elkaar af te nemen. De jonge buurtvoorzitter Probst ontdekte wat Phillip Blond tegenwoordig predikt: stedelijke economieën hebben wel degelijk een lokaal fundament waarop interessante verbindingen mogelijk zijn. Alleen: die moet je wel zien – en daarbij helpen de meeste economen niet. Zelfs toen Probsts initiatief succesvol bleek, bleven zij er laatdunkend over doen.

De lokale economie is dus meer dan een ver ideaal: gemeenten zullen er snel aan moeten om de uitdagingen het hoofd te bieden waar ze de komende jaren voor staan. Ze kunnen het zich immers niet permitteren binnen de logica te blijven van een staat die structureel op zwart zaad zit. De drie grote decentralisaties maken ze verantwoordelijk voor zorg, voor jeugdzorg en voor werk aan de onderkant van de samenleving. Dat gaat veel verder dan het verstrekken van scootmobielen of bijstandsuitkeringen. Dat gaat ook over lokale werkgelegenheid, over slimme ruil van diensten, over andere manieren om de mogelijkheden van de stad te benutten.

Het lokale wordt in toenemende mate het brandpunt van tal van bewegingen. Het is de plek waar de ‘overlevers’ en de ‘idealisten’ van Castells cum suis elkaar ontmoeten; het is de arena waarin een nieuwe generatie jongeren met andere waardeoriëntaties werk maakt; het is het speelveld waar burgers in actie komen om een eigen antwoord te vinden op de grootschaligheid van de dienstverlening; het is de werkplaats van de jonge zzp’ers, sociaal doe-het-zelvers en de burgerkrachtinitiatieven. Op dat lokale niveau gisten waarden en praktijken die de oude verzorgingsstaat niet kan brengen. Op het lokale niveau, decentraal en ver weg van Den Haag, kantelt ons denken, kantelen organisaties, en kantelt misschien wel – stukje bij beetje – onze economie.

De kunst is om daar een verhaal van te maken, een perspectief waarin op lokaal niveau inhoud kan worden gegeven. Daar zouden de gemeenteraadsverkiezingen over moeten gaan. Helaas wijst weinig daarop. Partijen maken zich op voor een volgende ronde in de vierjaarlijkse confrontatie tussen de filialen van onze nationale partijen en het in stadspartijtjes versplinterde ongenoegen over de overheid. Dat is jammer, soms lijken lokale politici zo ongeveer de laatsten die beseffen dat er in hun stad een wereld te winnen valt.

Nico de Boer en Jos van der Lans zijn zelfstandige onderzoekers en publicisten. Onlangs verscheen van de hand van Jos van der Lans en Pieter Hilhorst Sociaal doe-het-zelven: De inspiratie en de politieke praktijk.

Met dank aan Zef Hemel die ons in zijn blog van 11 november op de studie van Jane Jacobs wees. Eerdere afleveringen verschenen in De Groene Amsterdammer van 3 en 24 oktober


De stad als sociaal laboratorium

Op Prinsjesdag is van koningswege de participatiesamenleving geproclameerd. In werkelijkheid is het sociaal-politieke landschap in Nederland al veel langer ingrijpend aan het veranderen. Instituties kraken, burgers nemen op tal van terreinen het heft in handen, gemeenten zien door enorme decentralisaties de kans schoon zich te ontworstelen aan de starre Haagse voogdij. Dat maakt steden tot fascinerende sociale laboratoria, waar alles bij elkaar komt: de do it ourselves-beweging, nieuwe horizontale netwerkorganisaties, andere professionele aanpakken en lokale overheden die samenhangend beleid kunnen gaan maken van arbeid tot zorg. In de aanloop van de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar verkennen Nico de Boer en Jos van der Lans dit veranderende landschap.

Beeld: Siese Veenstra / HH