Zittenblijvers

Weinig politieke verschuivingen na de Statenverkiezingen van afgelopen week. Zowel regeringspartijen als oppositie kunnen deze stilstand goed gebruiken.

DRIE KEER KON de Nederlandse kiesgerechtigde het afgelopen jaar naar de stembus, eerst voor zijn gemeenteraad, toen voor de Tweede Kamer en vorige week voor de Provinciale Staten. Nu kunnen de posters, flyers, ballonnen, sponsjes, wafels en vooral ook de opgepimpte verkiezingsretoriek voorlopig de kast in. De kiezer heeft het er wel even mee gehad en de politiek zelf ook.

In Den Haag zit niemand te wachten op nieuwe verkiezingen, ook de oppositiepartijen niet, al willen ze soms anders doen geloven. Daar is een belangrijke reden voor: vorige week bleek dat de kiezers in Nederland min of meer op hun honk zijn blijven zitten in vergelijking met de landelijke verkiezingen van juni vorig jaar. Na de heftige schommelingen in de kiezersgunst van de laatste tien jaar bleek het Nederlandse politieke landschap nu uiteengevallen in ongeveer dezelfde snippers als negen maanden geleden. Bij nieuwe Kamerverkiezingen valt dan niet veel te winnen.

Dat de coalitiepartijen in het minderheidskabinet, VVD en CDA, samen verder willen regeren, is niet verwonderlijk. Maar dat willen ze niet alleen omdat ze nog maar net zijn begonnen en hun beleid nog niet op de rails hebben gezet. Het is ook omdat ze nog steeds hopen dat de samenwerking met gedoogpartner PVV de partij van Geert Wilders uiteindelijk de wind uit de zeilen zal nemen. Als je je tegenstander niet kunt verslaan, ga je met hem samenwerken, dat was en blijft een belangrijke reden voor de gedoogconstructie.

Minister-president Rutte blijkt zo gecharmeerd van dat adagium dat hij zelfs de retoriek van Wilders overneemt. Inmiddels wil de premier net als de PVV-leider Nederland teruggeven aan de Nederlanders, zo bleek op de verkiezingsavond. Rutte is politicus genoeg om te weten wat die zinsnede in deze tijd betekent.

Met zijn latere uitleg dat hij ermee bedoelde Nederland te willen teruggeven aan de burgers die zich ergeren aan hufterig gedrag, en aan de leraren, politieagenten en anderen die last hebben van overmatige bureaucratie probeerde de minister-president zijn opmerking goed te praten. Maar met die uitleg bewees hij opnieuw dat hij Wilders’ debatingtechniek overneemt. Wat een deel van de bevolking onwelgevallig is, bestempel je als on-Nederlands. Dat is les één bij Wilders. Daarnaast doe je alsof je zelf niet jaren hebt meegewerkt aan het beleid dat, in dit geval, leidde tot de bureaucratie. Dat is les twee bij Wilders: jezelf buiten Den Haag plaatsen.

Na Rutte’s opmerking over de rechtse vingers die bij het regeerakkoord konden worden afgelikt en zijn dreigement dat Nederland zou afglijden naar Belgische toestanden als de coalitie en gedoogpartner PVV in de senaat geen meerderheid zouden halen, is het duidelijk dat er een patroon zit in zijn uitlatingen. Ze ontsnappen niet zomaar aan zijn mond.

Daarom moet het hem toch wel zijn tegengevallen dat zijn VVD het vorige week een fractie van een procent slechter deed dan in juni vorig jaar. Kiezers die gecharmeerd zijn van het soort taal dat de liberaal Rutte tegenwoordig bezigt, prefereren blijkbaar het origineel, de PVV, en andere kiezers lokt Rutte er niet mee. De VVD vierde vorige week dan ook de consolidatie van haar verkiezingsoverwinning van vorig jaar en blijft de kleinste grootste partij die Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog heeft gekend.

Stilstand, maar dan in de achteruitgang, werd gevierd bij zowel de kleinste regeringspartij, het CDA, als de grootste oppositiepartij, de PVDA. Bij de eerste was daar overigens net wat meer reden voor dan bij de tweede, want de christen-democraten haalden een iets hoger percentage ten opzichte van juni vorig jaar, terwijl de PVDA, opnieuw, licht verloor. Voor beide partijen reden om beducht te zijn voor een nieuwe stembusgang, ze hebben liever meer tijd.

Wat deze twee traditionele partijen ook delen, is het zoeken naar wegen om het inmiddels toch structureel te noemen verlies weer goed te maken en de onmacht om dat voor elkaar te krijgen. In beide partijen zijn bovendien dezelfde geluiden te horen over de oorzaken van die teruggang. Zoals de constatering dat ze te veel een bestuurderspartij zijn geworden. Niet omdat het pluche zo lekker zit, maar omdat ze niet weten of hun ideaal een megastal is of niet, om maar eens iets concreets te noemen waar beide partijen mee worstelen.

PVDA-leider Job Cohen sprak erover in een interview met NRC Handelsblad. PVDA-bestuurders denken volgens hem te vaak het goed te hebben gedaan als ze de regels hebben gevolgd. Het was alsof Cohen constateerde dat de PVDA te vaak zegt: operatie geslaagd, patiënt overleden. Cohens oplossing is dat zijn partij terug moet naar de vraag waar ze voor staat.

Binnen de PVDA is hij niet de eerste die dit roept en ook dit hoor je bij die andere traditionele partij, het CDA. Maar of het nou om het PVDA-begrip solidariteit of het CDA-begrip rentmeesterschap gaat, beide partijen zijn niet in staat daar een eigentijdse inhoud aan te geven, althans niet een inhoud die nog net als vroeger grote groepen kiezers aanspreekt. Daarvoor is de samenleving mogelijk ook te veel veranderd, door onder meer de ontkerstening, individualisering en een gemiddeld hogere opleidingsgraad.

Dat leidt ook nu weer tot speculaties over het voortbestaan van deze twee traditionele partijen. Het politieke midden raakt ontvolkt, werd net als in juni ook nu weer geconstateerd. Klassieke partijen zakken door hun hoeven en anders doet ons politieke bestel dat wel, denkt opiniepeiler Maurice de Hond.

Maar de Verelendung is daarvoor niet erg genoeg. Noch is er omgekeerd een spectaculaire winst voor andere partijen, niet voor D66, GroenLinks of de SP en in vergelijking met juni ook niet voor Wilders, die zelfs enigszins verloor. Het lijkt er eerder op dat de kiezers hun stek even hebben gevonden.