TONEEL

Zo begon ik aan mijn werkstuk

De modernen

Nagenietend van talloze uren Dostojevski onder de muzikale leiding van Peter Stein, in een pauze gezeten aan de vijver tussen de Gashouder en het Transformatorhuis van het hoofdstedelijke Westergasfabriek-terrein, keek ik aan tegen verweerde muren en ramen van weleer. Daar, op de eerste verdieping speelde Maatschappij Discordia ooit hun fin de saison, met talloze partners, waaronder de (toen nog) jonge toneelspelers van ’t Barre Land.
Vorige week heette hun seizoensafsluiting De modernen of eigenlijk zijn we met zijn allen Shakespeare. De locatie was een andere: de Roode Zaal van de Brakke Grond. Toen ik de eerste keer bij hen binnenkwam en nietsvermoedend op hun zelfgebouwde tribune plaatsnam, betrof de eerste schok de speelvloer, de zaal eigenlijk, het totale toneel in feite: twee metershoge wanden van eenvoudig hout, met kieren voor opkomsten en afgangen vanaf de zijkanten, achterin een soort wachtruimte omzoomd door twee banken, de houten vloer in drie verspringende segmenten naar ons toe gebouwd. Een zaal is voor deze toneelspelers nooit zomaar een zaal, het is een ruimte met een geheugen, een constructie waarin toneelspelers en toeschouwers een avond samen zijn.
Ik ben drie keer met hen samen geweest en heb geen enkele avond hetzelfde meegemaakt. De eerste avond was het nog een zoeken en ploeteren, op mijn tweede avond tekenden zich voorzichtige patronen af, een kleine week later leek alles weer anders. Men bedenke daarbij: er is niets ingestudeerd, de toneelspelers hebben wellicht een individueel pad, en ze hebben hun geoefende antennes naar de anderen, er is echter in het geheel geen sprake van een doorgerepeteerde toneelexercitie. Als een handeling wat vaker wordt herhaald klinkt de waarschuwing: niet doodrepeteren jongens!
Wanneer tijdens een poging tot een scène vanaf de kant enkele doordringende vragen worden gesteld, onderbreekt de toneelspeler zichzelf en vraagt aan de kant: ben je ons aan het regisseren? Met de ondertoon alsof de collega op een jeugdzonde wordt betrapt. De titel van de avond herbergt geen credo, heeft geen programmatische betekenis, is hoogstens een verwijzing. Naar zichzelf bijvoorbeeld en de geestverwanten uit de kunstgeschiedenis (‘de modernen’), of naar een gekoesterd toneelhistorisch raadsel ('Shakespeare, wie is dat?’).
De vormgeving (of zo u wilt, mise-en-scène) van de avond heeft geen plan, of het zou een soms nonchalant geciteerde lijst moeten zijn van voornemens en voorwendsels die (knipoog naar Bertolt Brecht) nog niet verworpen zijn: het werk laten zien of nooit meer dan drie mensen op het toneel, of een diagonaal dansje, waarover een andere toneelspeler zegt: dat zou ik niet na kunnen doen, waarop de danser riposteert: ik ook niet, waarna hij het dansje, voluit in het licht of in het pikkeduister, een aantal keren nóg eens doet. Het is niet uitsluitend waanzin-met-systeem (Shakespeare, of zo u wilt: Tsjechov), de twee bedenkers daarvan zijn wel ruimschoots aanwezig, maar steeds met een niet opdringerige terloopsheid, ondeftig, in een flard.
Alleen het slot lijkt bedacht, maar ís dat niet. Het slot handelt om Proust, maar niet om de kunstenaar zelf en ook niet om zijn verloren tijd. Wel om het terugzoeken. En om de eenvoud van een vaststelling: 'Zo begon ik aan mijn werkstuk.’ Met die onthulling en de glimlach die erbij hoort, eindigt de avond. Die handelt over de complexheid van de nabootsing van het menselijk handelen, de publieke worsteling met zijn sterfelijkheid die we ooit, ergens op de tijdlijn van de kunsten, misschien wel toneel zijn gaan noemen. (wordt hoogstwaarschijnlijk vervolgd)