Zo deftig mogelijk

Jan Hein Furnée, Plaatsen van beschaafd vertier. Standsbesef en stedelijk cultuur in Den Haag, 1850-1890, € 39,95

Vroeger werd er nog een echt debat gevoerd, toen gíng politiek nog ergens over. Neem nu het Den Haag uit de jaren vijftig van de negentiende eeuw. Een stel stoeltjes in een park was in die jaren een ‘splijtend’ thema.

Nou ja park, we hebben het over het Haagse Bos, waar in de zomer tweemaal per week de kapel van het regiment Grenadiers en Jagers in de muziekkoepel een concert gaf. Deze gratis uitvoeringen werden bezocht door duizenden mensen uit alle lagen van de bevolking. Op de eerste rang zaten de organisatoren, leden van de deftige Nieuwe of Littéraire Sociëteit, in de wandeling ‘De Witte’ genoemd. Deze op het Plein gevestigde club beschikte in het Haagse Bos, vlak bij de muziekkoepel, over een ‘buitensociëteit’, een houten gebouwtje waar de leden iets konden drinken en zittend konden luisteren naar de openluchtconcerten.

De overige muziekliefhebbers moesten buiten het terrein van de sociëteit genieten van de marsen, operafantasieën en symfonieën die door het lover schalden. Voor de echte elite van Den Haag, de adel die in De Witte nog niet dood gevonden wilde worden, betekende dit dat men gezeten in zijn rijtuig van een afstandje naar het concert luisterde. Alle andere Hagenaars moesten echter staan. Op zeker moment pikten de welgestelde burgers die niet deftig genoeg waren om lid van De Witte te worden het niet meer. Zij eisten dat er in het park stoeltjes werden geplaatst, waar zij tegen betaling gebruik van konden maken. De leden van De Witte vonden dit belachelijk, want straks zou zelfs het gepeupel nog een zitplaats opeisen. Het verzoek was de aanleiding tot een jarenlange strijd, die in de pers en in de gemeenteraad werd uitgevochten en waarbij men zich zelfs tot de koning wendde.

Deze Haagse controverse wordt door Jan Hein Furnée met veel smaak beschreven in de inleiding van zijn monumentale studie Plaatsen van beschaafd vertier, die blijkens de ondertitel handelt over standsbesef en stedelijke cultuur in het Den Haag van de tweede helft van de negentiende eeuw. De in onze ogen potsierlijke kwestie leert ons volgens Furnée heel veel over de sociale stratificatie in een stad als Den Haag, en dan vooral over de maatschappelijke bovenlaag.

Tot voor kort hebben sociaal-historici de negentiende-eeuwse Nederlandse samenleving vooral ingedeeld aan de hand van de criteria welstand en beroep, waarbij zij drie standen of klassen ontwaarden: de hogere, midden- en lagere standen, of zo men wil de grote burgerij, kleine burgerij en arbeidersklasse. Deze indeling is niet alleen veel te grof, maar bovendien gebaseerd op de verkeerde criteria. Uit recent onderzoek wordt steeds duidelijker dat status en aanzien veel belangrijker waren dan inkomen. De negentiende-eeuwers trokken scheidslijnen die zich onttrekken aan de hedendaagse waarnemer die alleen naar inkomen en economische invloed kijkt. Ook binnen de bovenlaag van Den Haag gaapten diverse kloven.

Furnée heeft uitputtend onderzoek gedaan naar de verschillende sociëteiten in de residentie, de bezoekers van de Koninklijke Schouwburg, de leden van de Haagse dierentuin en de opkomst van de badplaats Scheveningen. Binnen de elite van Den Haag waren grofweg drie sociale formaties te onderscheiden, die men als betrekkelijk scherp omlijnde ‘standen’ zou kunnen zien. Om te beginnen was daar de groep ‘aanzienlijken’, bestaande uit edellieden, hoge staatsfunctionarissen en vertegenwoordigers van ‘oud geld’ die al generaties lang bestuurlijke functies vervulden. Daaronder bevond zich de ‘fatsoenlijke burgerij’, waar vooral hogere ambtenaren, officieren, academici en deftige renteniers deel van uitmaakten. Nog een trap lager stond de ‘nijvere burgerij’: gegoede fabrikanten, vermogende kooplieden en winkeliers.

Deze laatste categorie voelde zich uiteraard ver verheven boven de minder welgestelde ‘kleine burgerij’ of ‘middenstand’, maar had nauwelijks toegang tot de wereld van de ‘fatsoenlijken’. Zo konden fabrikanten doorgaans geen lid worden van De Witte, al waren ze veel en veel rijker dan veel hoge ambtenaren en officieren die wel tot dit deftige gezelschap behoorden, terwijl de ‘aanzienlijken’ geen lid wílden worden. Furnée laat zien dat de standsverschillen nog groter waren dan men op grond van de romans van Couperus zou vermoeden.

Tegelijkertijd toont hij aan dat ook ons beeld van het veronderstelde ‘burgerlijke’ waarden­patroon – waarin zelfbeheersing, spaarzaamheid, productiviteit en huiselijkheid centraal stonden en dat zich volgens veel historici steeds verder zou verbreiden – moet worden ­bijgesteld. Het werd onder de Haagse elite lang niet zo breed gedeeld als veel bronnen doen ­vermoeden. Vertier zocht men vooral buitenshuis, en omdat men voortdurend deftiger wilde lijken dan men was, werd veel geld gespendeerd aan status verhogende bezittingen en bezigheden. Bovendien moest men ook voorkomen dat allerlei indringers uit de lagere standen omhoog klauterden.

Het behoren tot de hogere kringen was zodoende niet alleen een geldverslindende maar dikwijls ook een zenuwslopende zaak. Het was van het grootste belang de avonden door te brengen in de juiste sociëteit, concerten te bezoeken, te worden gezien in de dierentuin of het Scheveningse Kurhaus, maar erg ontspannen kan dit allemaal niet geweest zijn.


Jan Hein Furnée

Plaatsen van beschaafd vertier: Standsbesef en stedelijke cultuur in Den Haag 1850-1890

Bert Bakker, 902 blz., € 39,95