Schoonheid wereldwijd

Zo doorsnee mogelijk

Het idee van de meest aantrekkelijke mens is in alle tijden en culturen min of meer ongewijzigd gebleven. Het draait om de juiste taille-heup-verhouding. Als er maar een verwesterd hoofd op zit.

‘Haar billen zijn vol maar haar middel is smal… Degene voor wie de zon schijnt’, liet de farao Ramses de Grote ruim drie millennia geleden noteren op de crypte voor zijn favoriete vrouw, Nefertari. ‘Door haar magische krachten nam zij de vorm aan van een prachtige vrouw… Haar heupen en borsten waren vol, haar middel was slank’, verhaalde het hindoe-epos Bhagavata anderhalf millennium later over de godin Durga. Beide odes op de rondingen van de vrouw zijn inmiddels deel geworden van een opgewonden debat over de verderfelijke invloed van het westerse schoonheidsideaal – net als standbeelden van Afrodite of venusbeeldjes uit de steentijd.

Centraal staat de vraag of westerse invloed tot een wereldwijde vervlakking leidt: tot de ‘griezelig homogene wereld’ die fotograaf Zed Nelson portretteerde in zijn boek over plastische chirurgie. We lijken er in ieder geval naar op weg. Elk jaar laten dertigduizend inwoners van Teheran hun neus verkleinen en aanpunten in de nose job-hoofdstad van de wereld. Koploper in plastische chirurgie is Zuid-Korea, waar aan tien procent van de mensen is gesjord, gesneden of geboetseerd. En dat blijft stijgen, want op elke duizend inwoners zijn er zestien plastisch chirurgische ingrepen per jaar: oog­leden die een vouw krijgen om het oog ronder te laten lijken, ronde neuzen die langer en rechter moeten, kaak- en kinimplantaten om hoekiger trekken te krijgen. Zelfs kinderen laten hun ogen ­‘deoriëntaliseren’. Qua pijn dulden de Chinezen niemand voor zich. Daar worden benen gebroken en pinnen ingebracht om het beenbot die cruciale centimeters langer te laten groeien die voor extra succes staan; daar worden jukbeenderen afgevijld om rechtere, ovalere gezichten te krijgen. En in allerlei uithoeken van de wereld waar dikheid altijd begeerlijk was wordt gehongerd, gedieet, worden calorieën geteld en wordt ongelukkig voor de spiegel gestaan. Zelfs erkende minnaars van de dikke vrouw, zoals eskimo’s en indianen uit de Amazone, blijken volgens sociologische tests op te warmen voor slankere dames. En dat allemaal, volgens critici die dit alles betreuren, door het ongezonde en onbereikbare ideaal dat door Hollywood, televisie en internet als een gif vanuit de VS en Europa over de aarde wordt verspreid. Een wereldwijde culturele kaalslag die zelfs onze meest basale verlangens binnendringt.

Of valt het met de plotselinge vervlakking van de wereld wel mee? Onderzoekers die hun proefpersonen naar lichaamsvormen laten kijken, claimen een universele en nooit veranderde voorkeur voor hetzelfde model, wat voor anorexe debutantes er in Parijs ook de catwalk op worden gestuurd. Kenners van de cosmeticamarkt noteren juist dat de grote merken zich naar lokale wensen aanpassen en niet andersom. En het verlangen om mooi te zijn, is dat niet in alle culturen en in alle tijden hetzelfde?

Een bekend verhaal in het jonge domein van Beauty Studies is dat over de Nigeriaanse schone Agbani Darego. Nadat Afrika’s bevolkingsrijkste land ruim een halve eeuw had rondgedoold in de onderste regionen van de Miss World-­verkiezing, besloot de voorzitter van Most Beautiful Girl in Nigeria dat het over een andere boeg moest. De most beautiful girl werd gekozen uit alle local queens die jaarlijks uit alle hoeken van het land kwamen, en de winnaar mocht vervolgens naar de Miss World-verkiezing. En verloor daar dik – een nationale vernedering. Dik waren de queens trouwens ook: dat is nu eenmaal het schoonheidsideaal in Nigeria. Maar in 2001 huurde de voorzitter van het nationale Miss-comité een westerse scout die op zoek moest naar iemand waar Nigeria internationaal mee voor de dag kon komen. De scout kwam op de proppen met een meisje dat in Nigeria alom zielig werd gevonden: een 1.86 meter, graatmager exemplaar van achttien jaar, met sleutelbeenderen waar je een jas aan kon ophangen. Deze Agbani Darego – die in Nigeria werd bekeken als het prototype aidspatiënt – werd prompt Miss World 2001.

In Nigeria, dat internationaal vooral faam geniet vanwege corruptie, etnisch geweld en internetfraude, was Darego een instant-heldin. Met allerhande sociale gevolgen. Er kwam voor het eerst een woord dat ‘dun’ betekende (het woord lepa was nooit aan lichamen gekoppeld), er kwam een populaire hit genaamd Lepa, een film (Lepa Shandi) over een meisje ‘zo dun als een briefje van twintig’, en in het kielzog daarvan een sociale transformatie: dik is uit onder jongeren, dun is in. En dat is een aardverschuiving in West-Afrika, waar vrouwen zonder striae afkeurend werden bekeken en waar je landen hebt als Niger en Mauritanië, waar het normaal is om meisjes voor hun huwelijk naar vetmestkampen te sturen om een paar weken te leven op een dieet van tot zestienduizend calorieën per dag.

Nigeria staat niet alleen: ook in andere delen van de wereld wordt het oprukken van het westerse schoonheidsideaal beklaagd. In Brazilië, bijvoorbeeld, waar het fameuze ‘gitaarfiguur’ lang het ideaal was en de ‘brazilian butt lift’ populair: het optillen en opvullen van de billen. ‘Door het upgraden naar internationale maatstaven van schoonheid geven Brazilianen het idee op dat rondheid een teken van schoonheid is’, zei historica Mary del Priore, schrijfster van Seksualiteit en erotiek in de Braziliaanse geschiedenis tegen The New York Times.

India is een andere plek waar de veranderingen met lede ogen worden aangezien. ‘Size zero has arrived in India’, schreef een Indiase commentator met gevoel voor doem toen een ordinaire ruzie tussen actrices onlangs onderstreepte hoe een oude garde gewelfde Bollywood­sterren wordt verdrongen door dunnere nieuwkomers. Volgens deze criticus gingen millennia van cultuurgoed en waardering voor de volumineuze vrouw, zoals vastgelegd in oude teksten als de Kama Sutra, op de vuilnishoop. Uit andere delen van de wereld komen vergelijkbare klaagzangen: over hoe verwesterlijking en globalisering lokale culturen ondergraven en meisjes en vrouwen opzadelen met een ongezond en onbereikbaar streefmodel.

Je vermoedt stilletjes wel dat degenen die zich er boos over maken aan de verkeerde kant van de nieuwe lijn vallen. Een dik schoonheids­ideaal is minstens zo ongezond als een dun. Maar goed, de woede is er en soms vermengt die zich met verontwaardiging over de beauty premium: alle voordeeltjes die knappe mensen dankzij hun schoonheid tijdens hun leven kunnen mee­pikken. Vele studies hebben aangetoond dat mensen die knap worden gevonden meer verdienen dan lelijke mensen, lagere straffen krijgen van een jury, als leuker gezelschap worden beoordeeld, hogere cijfers krijgen voor presentaties, actievere sekslevens hebben, enzovoort.

In de VS baarde deze woede een nieuwe politiek-correcte term: lookism, oftewel discriminatie vanwege uiterlijk – iets vreselijks dat in dezelfde categorie valt als racisme, seksisme en dergelijke. Volgens de heftigste aanhangers van dit concept moeten lelijke werknemers hun bazen kunnen aanklagen als een collega sneller carrière maakt vanwege lookism. En we moeten trouwens ook niet spreken van ‘lelijk’ maar van looks-challenged, oftewel zoiets als ‘met een uiterlijke beperking’.

Terug naar de ophef over het westerse slankheids­ideaal, want daar is iets vreemds mee. Over het verlangen naar schoonheid valt namelijk veel te zeggen, maar in de wetenschap twijfelt niemand eraan dat het een biologische oorsprong heeft: mensen vinden schoonheid belangrijk omdat in de menselijke evolutie schoonheid een voordeel betekende – om te overleven of om nageslacht te produceren. Maar als één soort lichaam het meeste evolutionaire voordeel geeft, is het vreemd dat mensen niet allemaal op hetzelfde lichaam vallen, of dat het schoonheidsideaal van een heel land kan omdraaien met één Miss-verkiezing.

Darwin zelf zou het makkelijk kunnen verklaren. Hij schreef in The Descent of Man (1871) dat ‘het zeker niet waar is dat er in de geest van de mens een universele standaard van schoonheid bestaat met betrekking tot het menselijk lichaam’. Net als bij dieren ontstond er volgens hem in menselijke gemeenschappen een arbitrair schoonheidsideaal en werd dit ideaal vervolgens van generatie op generatie doorgegeven en via natuurlijke selectie versterkt. Maar dat gelooft bijna niemand meer. De consensus is nu dat mensen en dieren bij een potentiële partner speuren naar uiterlijke kenmerken die een signaal zijn van goede genen. Een egale huid, heldere ogen, dik haar, aantrekkelijke geur: allemaal signalen dat iemand niet ziek is en dat zijn of haar paringswaarde hoog is.

Wat het lichaam betreft hebben vele wetenschappers zich gebogen over de doorslag­gevende signalen waar mensen naar kijken. Dat is volgens de meest geciteerde studies de whr: waist-to-hip-ratio, de verhouding tussen taille en heupen. Ongeacht lichaamslengte, vet­gehalte en gewicht blijken mannen altijd voor vrouwen te kiezen met een whr van 0.7 als knapste in hun groep. En dat is geen toeval: als we de studies ernaar mogen geloven, hebben vrouwen met een whr van 0.7 een optimale hormoonspiegel, de meest regelmatige ovulatiecyclus en een ideale pH-waarde in hun vagina. Het vrouwelijke hormoon oestrogeen, dat tijdens de puberteit actief wordt, zorgt voor een vetophoping rond de heupen en geeft daarmee een zichtbaar signaal van geslachtsrijpheid. Als vrouwen ouder worden, vult het middel op en gaat de whr naar ‘mannelijke’ waarden.

Als een man appreciërend naar een vrouwen­lichaam kijkt, doet hij dus niets anders dan aanslaan op biologische signalen die hem belangrijke informatie geven over de leeftijd en vruchtbaarheid van het aanschouwde wijfje. Vrouwen hebben het makkelijker, want zij hoeven alleen te kijken naar alle status en middelen die mannetjes hadden vergaard in competitie met elkaar. Al wordt het mannenlichaam belangrijker nu we de steentijd uit zijn: een taille-schouder-verhouding van 0.6 wordt het meest gewaardeerd, in combinatie met een zo haarvrij mogelijk lichaam.

whr als verklaring voor lichamelijke aantrekkingskracht heeft het voordeel dat het vele wetenschappelijke disciplines aan elkaar koppelt: sociologie, biologie en ook antropologie. Want de whr-test is niet alleen bevestigd in allerlei westerse landen en subgroepen als Afro-Amerikanen, maar ook in Indonesië, de Azoren, Guinee-Bissau, Jamaica en de Shiwiar-stam in het binnenland van Ecuador. Daar werden wel kleine lokale verschillen gevonden – Chinezen blijken iets smallere heupen te appreciëren, Kameroeners iets bredere – maar de whr-these bleef overeind.

En whr verklaart hoe het kan dat mensen door de hele geschiedenis vielen op dikker. Ook Rubens-vrouwen blijken whr’s te hebben rond de 0.7, net als veel standbeelden van vrouwen in het oude Griekenland of India. Dun of dik mag dan in of uit zijn, de taille-heup-verhouding is tijdloos. Ook grote borsten mogen in of uit zijn, ze bevatten geen biologische informatie over vruchtbaarheid en mannen vinden ze dan ook alleen mooi als ze boven een taille en heup van de juiste verhouding prijken.

Dit klinkt allemaal mooi, maar tegelijkertijd lijkt het flagrant in tegenspraak met de graatmagere modellen die over de catwalks lopen. Het is dan ook de vraag of die een accuraat beeld geven van het westerse schoonheidsideaal. Het prestigieuze blad The Lancet onderzocht het schoonheidsoordeel van mannen over verschillende groepen vrouwen en kwam tot de voor de hand liggende conclusie dat anorexe modellen mannen niet opwinden – hun whr is veel te hoog, want hun heupen zijn te smal.

Ook niet onverwacht: mannen vonden vrouwen in de Playboy het aantrekkelijkst. Die hadden van alle groepen de laagste whr, dus de rondste rondingen. Volgens een andere studie bleef bij Playboy-_centerfolds – de dames op de poster in het midden van het blad – en bij winnaars van Miss-verkiezingen in de VS en Hongkong de whr al een halve eeuw ongeveer gelijk. Goed nieuws dus voor vrouwen die wanhopig worden van de modellen in Parijs en die denken dat het ‘buismodel’ mooi gevonden wordt. Nog beter is dat volgens _The Lancet mannen het meest blijken te vallen op doorsnee: een gewicht dat het minst afwijkt van het gemiddelde.

Doorsnee zijn blijkt ook een winnende formule als het om gezichten gaat. Sinds een paar jaar is er computertechnologie beschikbaar die verschillende gezichten kan mengen tot een gemiddelde. Dat gemiddelde gezicht blijkt altijd beter te worden beoordeeld dan de som van de afzonderlijke. En als zo’n computer­programma artificiële gezichten creëert waarin elke verhouding en afmeting het gemiddelde is van een heel grote dataset, slaan mannen helemaal aan. Het is banaal maar waar: mannen vallen op vrouwen met een vaststaande whr, een zo doorsnee mogelijk gezicht en een zo doorsnee mogelijk gewicht.

Het schoonheidsideaal in het Westen en in de wereld is de afgelopen eeuw dus minder fundamenteel verschoven dan veel mensen denken, maar de vraag blijft waarom de culturele voorkeur nu naar de slankere dames met de juiste verhoudingen gaat. Dit valt lastig te meten en dus moeten we het met culturele verklaringen doen. Vele daarvan zijn variaties op het thema dat wordt uitgediept in Fat History: Bodies and Beauty in the West van de Amerikaanse hoogleraar Peter Stearns. Hij schreef dat het slankheidsideaal niet is ontstaan vanwege veranderende mode- en eettrends, maar vanwege het feit dat sociale rolpatronen veranderen als een traditionele samenleving een moderne consumptie­maatschappij wordt.

Simpel gezegd: lichamelijke signalen van welvaart en veel vrije tijd bepalen volgens ­Stearns nog steeds of iemand aantrekkelijk is. Maar waar voorheen dikheid en witheid een signaal waren van welvaart en hoge sociale status, is dat nu andersom. Een bruine huid geeft aan dat iemand veel vrije tijd, vakantie en dus geld heeft; een dun lichaam geeft aan dat iemand een actief leven leidt en beschikt over voedsel van hoge kwaliteit. Daar mag verzet tegen zijn – in de VS zagen onder meer de Fat Pride Community, de Size Acceptance Movement en zelfs de Fat Underground het licht – maar dat gaat volgens Stearns niet veranderen.

De moderne consumptiemaatschappij werd in de VS uitgevonden in de jaren twintig en verspreidde zich sindsdien over de wereld – de consumptie en levensstijl gaan hand in hand met het schoonheidsideaal. Met als culturele boodschappers films, reclame, televisie. Volgens dat idee – voor velen een schrikbeeld – amerikaniseert de wereld daarmee in hoog tempo.

Er is inderdaad een berg anekdotisch materiaal om dat idee te ondersteunen. Maar er is ook bewijsmateriaal om dat beeld aan te vallen, dat suggereert dat lokale idealen wel overeind blijven. In zo’n geval is het zinvol om even niet te kijken naar wie er iets van vinden, maar naar wie ervan moeten leven: follow the money. Oftewel: zien cosmeticabedrijven inderdaad een ‘griezelig homogene wereld’ of niet?

Een recente studie van Harvard Business School, Globalization and Beauty: A Historical and Firm Perspective, traceerde het ontstaan van een schoonheidsindustrie – van cosmetica tot plastische chirurgie – die in de loop van anderhalve eeuw steeds meer delen van de wereld penetreerde en nu is uitgegroeid tot een bedrijfstak van ruim 330 miljard dollar (ter vergelijking: in mode gaat mondiaal zo’n 100 miljard om, in reclame 430 miljard). Cosmeticabedrijven brachten hun producten vaak als een teken van civilisatie aan de man. De Europese samenlevingen, met hun eeuwenlange vijandigheid jegens baden en hygiëne, werden opeens vereenzelvigd met schoonheid en reinheid.

Maar dat homogene en op het Westen gerichte businessmodel liep tegen zijn grenzen aan. Volgens de Harvard-studie is er een twee­deling ontstaan: luxe producten zetten nog steeds in op een ‘mondiale’ uitstraling en suggereren hun klanten dat ze met hun product een stukje Parijs, New York en Milaan kopen. Maar massaproducten pasten zich aan aan de lokale wensen en gebruiken. Zo verspreidde de huidbleker Fair and Lovely van Unilever zich vanuit India naar veertig landen. In Zuidoost-Azië is amper een huidcrème te vinden waar geen witmaker in zit; vele worden gemaakt door mondiale merken, die zoiets vanwege regels en angst voor racismeclaims niet in het Westen verkopen. En zo zijn er meer voorbeelden. ‘Er is een nieuw pluralisme in schoonheidsmarkten wereldwijd’, concludeert Globalization and Beauty daarom. ‘Hoewel globalisering in het verleden leidde tot een homogenisering van schoonheidsidealen, is er nu sprake van een opleving van lokale tradities – echte of ingebeelde.’

Er is één grote uitzondering op dat beeld: plastische chirurgie. De trend om gezichten met de scalpel westerser te laten lijken ‘lijkt op geen enkele manier te veranderen’, aldus Globalization and Beauty. Lokale variatie blijft dus erg in trek. Zolang er maar een verwesterd gezicht boven zit en de heup-taille-verhouding nauw bij de 0.7 blijft.