Zo gek is de liefde

De personages van Charlotte Brontë, Iginio Ugo Tarchetti, Peter Stamm en Margaret Mazzantini hebben één ding gemeen: hun object van begeerte dient zich even onverwacht als redeloos aan.

Medium marja2

Gaat niet eigenlijk elke roman op een of andere manier over gekte? Het is de vraag die Pieter Steinz stelt tegen het einde van het essay dat hij schreef ter gelegenheid van de Boekenweek, Waanzin in de wereldliteratuur. Hij neemt nog eens de proef op de som door zijn favoriete boeken aller tijden in dit licht te bezien, en jawel, Oorlog en vrede, Kafka’s verhalen, Karlsson van het dak, au fond heeft de wereldliteratuur krankzinnigheid als grondtoon, in alle varianten van maatschappelijke waanzin en persoonlijk absurdisme. In de pagina’s voorafgaand aan deze constatering heeft Steinz ons rondgeleid door Het Dolhuys van de verhalende fictie, hebben we Don Quichot aan het werk gezien, Boudewijn Büch, Edgar Allan Poe, Gogol, Sylvia Plath, Biesheuvel…

Andermaal raakte ik doordrongen van ook de beperkingen van rare, dwaze, niet-helemaal-sporende literaire personages. Misschien is het mijn hang-up. Ik houd niet van gek. En dan bedoel ik: onaangepast gek, als Don Quichot, of als Soldaat Svejk. Ik kan de historische relevantie wel bevroeden, van types die zich buiten de gevestigde orde plaatsen, maar mijn verbeelding spreken ze niet aan. Pippi Langkous, Pietje Bell, misschien eerder dwars nog dan gek, oervervelend vond ik ze in ieder geval, allebei. En als een personage echt gek blijkt te zijn, zoals Paul Lohman in Het diner van Herman Koch, voelt dat als een noodoplossing. Het levert een vergelijkbaar koude douche op als een schrijver zijn personage aan het eind van een roman doet ontwaken, en alles een droom blijkt te zijn geweest. Jed Parry, de belager van het hoofdpersonage in Ian McEwans Enduring Love, leed aan een ziekte die in het nawoord met naam en toenaam wordt uitgelegd. Maar wat heb je daarvoor dan zitten lezen? Niks ‘echt’ geobsedeerds of gemotiveerds, er was alleen maar iets mis in de hersenpan.

Verliefdheid als staat van ontoerekeningsvatbaarheid komt er een beetje bekaaid vanaf, in Steinz’ overzicht. Heeft Steinz het bijvoorbeeld over Jane Eyre, de grote liefdesroman die Charlotte Brontë in 1847 schreef, dan concentreert hij zich op ‘de gekke vrouw op zolder’, de echtgenote die Mister Rochester verborgen houdt omdat ze krankzinnig is, die af en toe probeert uit te breken als een wild beest. Maar Jane Eyre zelf is toch ook gek, zij het misschien meer maatschappelijk geaccepteerd gek. Er gebeurt iets met haar wat ze nooit voor mogelijk had gehouden: ze wordt hopeloos verliefd op een afzichtelijk en onbehouwen manspersoon.

Langzaam en sluipend bezorgt Charlotte Brontë Jane Eyre slappe knieën

Personages kunnen mij niet normaal genoeg zijn, ik zie bij voorkeur types die alles op orde hebben, aanpassingsbereid en in de verste verte niet gek zijn, omdat ze dan des te harder kunnen vallen, zo is het ook wel weer. Op z’n zwartst wordt dit type opgevoerd door Nabokov, in zijn roman Een lach in het donker. In feite geeft hij het hele drama al weg in zijn openingszin: ‘Er was eens een man, Albinus genaamd, die in Duitsland woonde, in Berlijn. Hij was rijk, respectabel, gelukkig; op een dag liet hij zijn vrouw in de steek voor een jonge maîtresse; hij had lief, werd niet liefgehad; en zijn leven eindigde rampzalig.’

Zo erg als met Albinus, blind en levend gevild als een weerloos konijn, hoeft het ook weer niet te gaan. Hoe het met Jane Eyre precies afloopt is een mirakel op zich, maar het beginstadium, de woelende onzekerheid, wordt door Brontë onvergetelijk verwoord. Heel rustig zet ze een val op voor haar heldin, die een echte blauwkous is, een onaantrekkelijk, ijverig nonnetje. Langzaam en sluipend bezorgt ze haar slappe knieën, maakt ze haar ontvankelijk voor Rochesters stem, zijn bakkebaarden, zijn mannelijke tred. Arme Jane! Ze denkt écht dat ze gek aan het worden is, verbeeldt ze het zich nu, of voelt hij zich misschien toch ook wel tot haar aangetrokken, om zichzelf ook onmiddellijk weer te corrigeren. Hoe ze haar gezonde verstand probeert te bewaren! Zichzelf, zoals ze dat noemt, voor haar eigen rechtbank daagt, en tot een genadeloos oordeel komt: ‘Dat nooit groter zottin dan Jane Eyre de levensadem had ingeademd: dat nooit verdwaasder fantaste zich aan zoete leugens had overeten, en vergif verzwolgen alsof het nectar was. (…) Domme bedotte stumper! Kon je zelfs om je eigen bestwil niet wijzer zijn?’

Medium marja1 fassbender

Inzake de liefde, en we bevinden ons nog steeds in dat krankzinnig stemmende beginstadium waarin niets duidelijk is en alles mogelijk, gaat het in feite om één onverklaarbaar ding: het object van begeerte. Hij, of zij, hét, is het niet waard, het is in feite een onmogelijk, onooglijk, onwaardig kreng. Van tevoren had je het nooit zo kunnen bedenken.

‘Dat is hem dus.’

Connie Palmen had het niet beter kunnen verwoorden, in een documentaire over Ischa Meijer. Je ziet onmiddellijk de gedrongen figuur voor je, de man met heel z’n hebben en z’n houden, z’n onmogelijkheden. Er is geen beginnen aan en dan toch het berustende inzicht van de vrouw die van hem is gaan houden: hij is het. Of zoals Jane Eyre tot ons spreekt in het slothoofdstuk: ‘Lezer, ik trouwde hem.’

Mocht ik een Steinz-achtig lijstje of schema maken, ‘verder lezen’, onder het lemma Dolverliefd, of: Zotten en zottinnen, aangevoerd door Jane Eyre, dan zou ik hier zeker nog drie favoriete romans in kwijt kunnen. Allereerst tijdgenoot Fosca, de Italiaanse klassieker die begin jaren tachtig onvergetelijk werd verfilmd door Ettore Scola als Passione d’amore en vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen. Het is het verhaal van de jonge legerofficier Giorgio, gelukkig verliefd op de getrouwde Clara, die zich opeens geconfronteerd ziet met een hartstocht waarvan hij het bestaan niet vermoedde. Zo lelijk als ze is, zo ongelooflijk krijgt ze hem in haar tang, deze Fosca.

‘Mijn neergang was een enorme geruststelling na jaren van inspanningen’

‘De liefde mag dan de meest complete en heftigste aller hartstochten zijn’, schrijft Iginio Ugo Tarchetti, die het bij mijn weten bij dit ene meesterwerk heeft gelaten, ‘zij ontstaat het gemakkelijkst en het eenvoudigst.’ Alle liefdes beginnen met een blik, en Tarchetti weet dat heel aannemelijk te maken. ‘God! Hoe valt de afgrijselijke lelijkheid van die vrouw in woorden uit te drukken!’ En dan toch: ‘Haar hele leven lag besloten in haar diepzwarte, grote, omfloerste ogen – ogen van een verrassende schoonheid.’

Lelijkheid, schoonheid, weerzin, aantrekking, ze blijven om elkaar heen buitelen in de verschrikkelijke tweestrijd waarin de jonge Giorgio komt te verkeren. Fosca gaat in feite over de vraag welke positie te verkiezen is: ben je liever degene die bemint of degene die wordt bemind?

Het is precies dat waaraan chirurg Timoteo in Ga niet weg van de Italiaanse schrijfster Margaret Mazzantini ten onder gaat. Het is het modern-klassieke voorbeeld van de literaire roman waarin het hele ordentelijke leven op de schop gaat. Ze is schonkig, schor, ze heeft een mager gezicht, haar haar heeft uitgroei, en toch. ‘In de kokendhete zon liep ik achter haar aan.’ En het houdt nooit meer op. Ze heet Italia, kan het groter. De roman werd verfilmd, de schonkige Italia werd – verrassend – gespeeld door Penelope Cruz.

In Zeven jaren van de Zwitserse schrijver Peter Stamm gebeurt iets soortgelijks. Architect Alex heeft het modelleven met Sonia, vrouw, zakenpartner, moeder van hun dochter. En dan opeens zit daar een mormel, genaamd Iwona, te lelijk om waar te zijn. Vanaf het eerste moment dat hij haar ziet, staat ze hem tegen. ‘Zodra ik naar haar keek, keek ze de andere kant op alsof ik haar had betrapt. Opnieuw had ik zin haar te krenken, te kwetsen.’ Iwona ontpopt zich tot een hardnekkige minnares, al klinkt de benaming minnares al bijna te frivool. Het is meer alsof ze zich iets heeft voorgenomen en daar niet meer van af te brengen is. En zie daar je verstand, als gearriveerde man, maar eens bij te bewaren. De architect gaat ten onder, en hoe. Eindeloos delibereert hij, wat het verschil is tussen hartstocht, liefde, roes. Z’n huwelijk gaat eraan, op een zachte manier. Zo weinig sensationeel en pijnlijk als je het eigenlijk nooit in een roman leest. ‘Mijn neergang was een enorme geruststelling na jaren van inspanningen.’

Ik was bang, schrijft Tarchetti in het openingshoofdstuk van Fosca, dat als ik poogde ze openbaar te maken, ik afbreuk zou doen aan de waarde en de aard van mijn hartstochten. Een begrijpelijke angst, maar ongegrond. Zoals deze schrijver zijn geschiedenis van Giorgio en Fosca inleidt, aarzelend, beschaamd, lijkt het alsof hij de woorden nog maar net aan het papier heeft toevertrouwd in plaats van meer dan honderdvijftig jaar geleden. Ik weet niet of daar in zo’n schema nog echt plaats voor zou zijn, maar het magische van de romans die hier zo keurig gekadreerd zijn samengebracht is natuurlijk toch het raadsel. Ze vertellen je iets over de liefde, maar niet alles.


Charlotte Brontë, Jane Eyre: Een autobiografie (1847). Vertaald uit het Engels door Babet Mossel. Athenaeum-Polak Van Gennep 2014; Margaret Mazzantini, Ga niet weg (2001). Uit het Italiaans vertaald door Henrieke Herber. Wereldbibliotheek 2003; Peter Stamm, Zeven jaren (2009). Vertaald uit het Duits door Gerrit Bussink. De Arbeiderspers 2013; Iginio Ugo Tarchetti, Fosca (1869). Vertaald uit het Italiaans door Yond Boeke en Patty Krone. Athenaeum-Polak Van Gennep 2014; Pieter Steinz, Waanzin in de wereldliteratuur. Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek 2015 (Boekenweekessay).


Beeld: (1) Penelope Cruz als Italia en Sergio Castellitto als Timoteo in Non ti muovere, Ga niet weg (De Filmfreak). (2) Mia Wasikowska als Jane Eyre en Michael Fassbender als Edward Fairfax Rochester in Jane Eyre (A-Film).