Philip Roth voor het joodse centrum en de Hebreeuwse school die hij waarschijnlijk zelf bezocht als kind. December 1968 © Bob Peterson / Getty Images

Van mijn eerste lezing ergens in 1969/1970 herinner ik me vrijwel niets meer, ik kocht destijds de Amerikaanse eerste druk in Athenaeum Boekhandel in Amsterdam, dat weet ik nog. Het was een ‘obsceen’ boek, had ik gelezen, dus werd ik zelf ook een beetje obsceen, dat klonk in ieder geval goed.

Ik lees het nu glimlachend, ja, die Roth, hij wist verdorie wel hoe je een boek in elkaar moest zetten, de opzet is zonder meer briljant. We zijn in de behandelruimte van de klassiek freudiaanse psychiater O. Spielvogel (de naam alleen al) waar ‘patiënt’ Alex Portnoy zijn hart uitstort over zijn jeugd, zijn obsessies, zijn wanhoop, zijn joodse hang-ups en zijn perversiteiten. Hij is goed op de hoogte van de freudiaanse theorie (ook dat nog) en probeert de psychiater op dat gebied duidelijk te overtreffen, hij strooit met de juiste begrippen en theorieën. De vroege jeugd komt voorbij, de oedipale verhouding tot zijn vader en moeder en zus, compulsieve masturbatie, de obsessieve wens niet-joodse meisjes te neuken (bij joodse meisjes is hij impotent), de neiging zijn hoogste lust te ontlenen aan uiterst vernederende strapatsen en in het algemeen zijn steeds opborrelende zelfhaat, rancune en zelfmedelijden.

Het eigenaardige is dat je als lezer niet de indruk krijgt dat Portnoy graag wil ‘genezen’ van zijn ‘afwijkingen’, zoals dat gebruikelijk is bij ‘bekentenisromans’ als deze. Integendeel: hij wil applaus voor en erkenning van zijn ‘afwijkingen’. Spielvogel hoort het aan, hij zwijgt, maar op het eind krijgt hij het laatste woord: ‘Zo [zei de dokter]. Und nun kunnen wij wellicht aanvangen. Ja?’

Deze veel beproefde vertelconstructie (de lezer als getuige) geeft Philip Roth de kans om alle remmen los te gooien op het gebied van seksueel bekentenisjargon, want er is verder niemand bij. Rebbelen maar, oreren, schelden, kut, lul en neuken, daar gaan we, liefst zo schaamteloos mogelijk. ‘De drievingertechniek heb ik speciaal ontworpen voor het afrukken in het openbaar.’ Geen rustige, beschaafde jongen dus die Alex. Niet iemand zoals ik, zal ik maar zeggen, Roth moet geweten hebben dat juist dit in ieder geval op mannen de grote aantrekkingskracht van zijn roman zou uitmaken.

Het werd een gigantische bestseller. In allerlei gesprekken kun je Philip Roth horen en zien vertellen over zijn Portnoy, en dan speelt er altijd een klein glimlachje rond zijn mond, ja, ook als hij stokoud is. Wat had hij er een plezier in toen hij het schreef. Ik kan het me goed voorstellen. Zichzelf op het hakblok leggen zonder dat hij het zelf is. Jaloersheid bij mij natuurlijk, hij wel en ik niet.

Wij lezers (alleen mannen? zou het?) krijgen een inkijkje in wat we zelf stiekem ook wel eens dachten en denken en dit alles speelt zich dus af in de veilige besloten ruimte van de psychoanalytische behandelkamer. Waar verder geen geluid in doordringt, alleen de stem van Alex, de Universele Opstandige Freudiaanse Man. Het is om te grinniken natuurlijk, want Roth werkt doodgemoedereerd met de vooroordelen die veel van zijn lezers over een psychoanalytische behandeling koesteren. Je kletst een eind weg over oedipuscomplexen, id, ego, narcisme, castratieangst, en dan komt daarna de uitleg van de psychiater. Toch?

Dit heeft allemaal weinig met een jarenlange psychoanalytische behandeling ‘in het echt’ te maken, gelukkig maar, anders krijg je geen roman als deze. Roth maakt er in zijn roman een fijne doorgedraaide hutspot van, compleet met een op het eind half Duits sprekende psychiater, ongeveer zoals in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw psychoanalyse in de populaire cultuur werd voorgesteld (zie films van Hitchcock). Hij werkt bovendien met vooroordelen over het joodse gezinsleven die al eeuwen circuleren. ‘De’ joodse moeder, die alles en iedereen overspoelt met haar warme zorg, verstikkende liefde en controledwang (zie films van Woody Allen). ‘De’ joodse vader, die in populaire voorstellingen een onbenul is, een doetje, heet dat dan, plus ‘de’ joodse zus, die óf prinses is óf hoer.

Roth’s roman is duidelijk een parodie, een uitvergroting, hij werkt met eigen ervaringen, met wat hij bij de lezer bekend veronderstelt, en gooit er dan nog een schepje bovenop. Hij spant Freud voor zijn karretje en laat ons erom glimlachen, waarbij hij de suggestie openhoudt dat Alex’ wangedrag, remmingen en vernederende opvattingen over vrouw en seksualiteit ‘best wel’ te verdedigen vallen: want wat is ‘normaal’? Zeg nu zelf. Bent u zelf normaal? Bovendien treft hem geen blaam, suggereert hij, zijn ouders praatten hem nu eenmaal een rare joodse braafheidsmoraal aan waar je in de Amerikaanse maatschappij niet mee uit de voeten kunt.

En inderdaad, misschien is het toch wel normaal om jezelf te bevredigen in een appel waaruit het kroos is weggestoken

Roth’s roman is een fraai voorbeeld van literaire scheefpraat, hij is duidelijk beïnvloed door werk van Kafka, die zijn personages ook graag met scheve blikken naar de wereld liet kijken (Kafka komt overigens even voorbij). En inderdaad, misschien is het toch wel normaal om jezelf te bevredigen in een appel waaruit het kroos is weggestoken, of in een lap rauwe lever, waar de familie bij het avondeten later nog van geniet. Zo kan-ie wel weer, Roth moet het vaak gedacht hebben, maar hij zal zich tegelijkertijd hebben afgevraagd of het binnen zijn setting paste. Al die viespeukerij en dat rancuneuze georeer van zijn ijdele held. Deugt het? Klopt het? En hij moet gezien hebben dat het klopte en deugde. Nu nog.

En dat zit ’m onder andere ook, behalve in de setting en de stijl, in de voortdurende tweestrijd tussen aan de ene kant hoogdravende ideeën over seksuele trouw, huwelijk en samenleving, die vooral uit de koker van de moeder komen, zij is de Castrerende Vrouw, een parodie daarop bedoel ik, en aan de andere kant de uitermate banale en juist daardoor humoristische beschrijvingen van seksuele initiatie en daarbij horend lichamelijk en mentaal ongemak. Van menselijk wangedrag en wanhoop.

‘Ik heb er genoeg van een brave joodse jongen te zijn, mijn ouders in het openbaar te behagen terwijl ik in het geheim aan mijn snikkel lig te trekken! Genoeg!’ Had ik er ooit genoeg van een brave goi-jongen te zijn? Zou best kunnen. ‘Schijt aan de buren, daar gaat-ie nog een keer, het is toch pokkenweer’, dit adagium, waar ik niet alleen destijds maar ook nu nog moeite mee heb, doordesemt het hele boek en geeft het ook nu nog een eigenaardige, geestige en doortrapte kracht. Zo obsceen vond ik het overigens bij deze tweede lezing niet meer, de obsceniteiten beslaan maar een klein deel van het geheel. Heb ik vooruitgang geboekt op dit gebied? Na Houellebecq? De roman voelde eerder aan als gek en virtuoos, als een groteske, als je het in literaire indelingstermen wil vatten. Een vaudeville-act.

In een interview vertelt Philip Roth dat hij zijn ouders tijdens een etentje in New York in 1969 over Portnoy’s Complaint inlichtte. Het zou een paar maanden later verschijnen. Hij kon altijd goed met zijn ouders opschieten, zegt hij erbij. Er komt een boek van me uit over iemand die het over zijn ouders heeft, vertelt hij hun, maar jullie zijn het niet. Misschien een klein beetje, maar maak je geen zorgen, jullie zijn het niet. Probeer de journalisten maar van de deur te houden, want ze zullen komen en hardnekkig zijn. Hij liet ze met een taxi naar huis brengen.

Veel later, zijn moeder was al overleden, vroeg hij aan zijn vader hoe zijn moeder had gereageerd. Ze huilde de hele rit naar huis, vertelde die. Weer dat kleine lachje van Roth die er, naarmate hij ouder werd, meer eer in stelde zijn ouders zo vaak mogelijk te bezoeken en in de watten te leggen.

Spielvogel duikt overigens opnieuw op in de roman My Life as a Man (1974) waarin Roth zo mogelijk nog sceptischer is over de freudiaanse psychoanalyse. Aan dat boek ligt een merkwaardige affaire ten grondslag die Roth duidelijk van zich af wilde schrijven. Een jaar voor publicatie van Portnoy’s Complaint verscheen in een Amerikaans tijdschrift voor psychoanalyse (American Imago) een uitvoerig artikel van ene J. Kleinschmidt: ‘The Angry Act: The Role of Transgression in Creativity.’ Roth wist van niks, hij ontdekte het artikel pas later. Kleinschmidt was dus in die tijd zijn psychiater! Oef. In dat artikel bespreekt Kleinschmidt kort een ‘casus’ uit zijn praktijk, ‘een toneelschrijver uit het zuiden van Amerika’, waarin gemakkelijk Philip Roth valt te herkennen, zeker door lezers van Portnoy’s Complaint. Veel erger kan dus niet. My Life as a Man is er een afrekening mee.

Komt er ooit een Nederlandse versie van deze schurende, borrelende en hoogst geestige opstandroman? Robert Vuijsje deed een poging, maar dan anders, in zijn Alleen maar nette mensen (2008), hij zette niet genoeg door, denk ik.

Toch zie ik wel een roman voor me uit bijvoorbeeld Surinaamse of Antilliaanse hoek, over een jonge vrouw die genoeg heeft van dat gejeremieer over slavernij, racisme en gelijkheid bij haar thuis (haar familie doet er in de praktijk helemaal niks mee, ze betalen bijvoorbeeld hun dienstmeiden veel te weinig), met al die verstikkende rituelen en die onbegrijpelijke feestdagen plus maaltijden. Waar de hele familie komt opdraven en zij mag bedienen. En dan haar vader die haar totaal controleert, maar zelf in zijn jeugd drie ‘witte’ vriendinnen tegelijk had (hoort ze van haar moeder). Plus de hele dag die ellendige muziek van Beyoncé in huis, waar haar moeder en zussen mee weglopen, terwijl zij van Debussy houdt. Ze heeft compulsieve erotische fantasieën over witte badmeesters in luxe zwembaden en houdt daarover een dagboek bij dat ze tot prinses Beatrix richt omdat haar portretjes overal bij haar grootouders in huis hangen.

Zo’n roman dus. Ik weet zeker dat een uitgever als Mai Spijkers een flink voorschot heeft klaarliggen.