Zo kan ik ook filmen

Eric Rohmer, Regisseur van schijnbewegingen: Een retrospectief. T/m 2 juli, dagelijks 19.00 en 21.30 uur in het Nederlands Filmmuseum te Amsterdam. Informatie: 020-5891400
NU TRAP IK er niet meer in. Een vrolijke vakantiefilm van Rohmer, zo staat het in de advertentie, Un Conte d'Eté, nee, mij maken ze niet gek, deze keer neem ik me voor er absoluut niks achter te zoeken: de verwarring van de Franse middenklasse, ja hoor, een zintuiglijke lofzang op het gewone leven, toe maar, de ideologie van de rationalisatie doorgeprikt, zo kan-ie wel weer, meisjeslevens als metafoor van verlangen.

Eigenlijk is Eric Rohmer een filmer van niks. En zijn films gaan goed beschouwd helemaal nergens over. Waarom wordt Kees ’t Hart dan toch telkens weer gegrepen? Een schrijver verzet zich tegen zijn tranen.
Morgen brengen. Vanaf vandaag weet ik zeker dat het niets meer of minder is dan het is, een film met meisjes die wat rondlopen en daarbij oeverloos babbelen over nepproblemen: ben-ik-verliefd-en-op-wie, moet-ik-werkelijk-menen-wat-ik-zeg, ben-ik-gelukkig? Die Rohmer is als je het goed bekijkt een filmer van waardeloze verhalen over niks, met mensen van niks en plaatjes die er niet toe doen, dit alles doordrenkt in de ideologie van pak weg Toon Hermans.
Ik zie de film op de eerste draaidag, de première, in Leeuwarden. Samen met mijn vrouw en nog een stuk of zes andere Rohmer-patiënten. Ik voel me weer als een jongen van twaalf die naar een film van boven de veertien gaat, kloppend hart, zweet, heen en weer drentelen, naar de foto’s kijken tegen de wand van het theater: meisjes en jongens van een jaar of twintig lopen over een strand, daar gaan we weer. Alle voornemens smelten weg. Nu al, nog geen beeld gezien: herinneringen aan vorige Rohmers dringen zich op (ik heb er minstens twaalf gezien), oeverloze gesprekken daarover, over films van Rohmer moet verplicht uren worden doorgepraat, weet je nog die scène met die wandeling langs die rivier, in welke was dat, ik weet het niet meer, mooi was dat, en aan het strand, fantastisch, en dat kamertje van dat meisje, weet je nog, dat verpletterende behang, en dan de ogen van dat meisje. Weet je nog met dat meisje in de gang bij dat feest dat steeds zocht naar haar vriendje? Weet je nog? Dat ze maar een eind tegen iedereen aan stond te zwetsen?
Ja, we weten het nog en het moet nu maar eens uit zijn. Al die films gingen nergens over. Nooit een vlammend protest tegen onrecht, geen artistiek bewegende camera, geen expliciete seks, geen surrealisme, geen allochtoon te bekennen, geen achtervolgingen, geen moord en doodslag. Waarom was het eigenlijk altijd zo mooi? Dat weten we nog steeds niet. Weet iemand dat? Kan iemand dat eindelijk eens vertellen? Waarom zat ik daar keer op keer als een halve gare met tranen in mijn ogen naar te kijken? Sprakeloos. Hoe kan ik ooit van Rohmer genezen? Wie helpt mij? Stuur uw adviezen naar dit blad.
NOOIT HEB IK iets over zijn werk gelezen, analyses ervan, verklaringen, ik heb ze niet wíllen lezen, altijd bevreesd dat iemand het geheim ervan zou ontraadselen, dat ik zou moeten lezen met welke ‘bedoelingen’ Rohmer zijn films maakt, dat zou het ergste zijn, ik wil met rust gelaten worden, niks begrijpen, zolang mogelijk niet weten wat er in godsnaam in deze films aan de hand is, ik wil er niets van afweten.
Ik ken maar één foto van Rohmer, hij lijkt op iemand die ik ooit op het strand bij Egmond aan Zee zag. Er moet een verbod op besprekingen van zijn films komen en wel heel gauw, voordat het te laat is. Rohmer heeft ze namelijk alleen voor mij gemaakt, het zijn míjn films en van niemand anders. Anderen mogen ze ook zien, dat moeten ze dan zelf weten, maar onder voorwaarde dat ze er nimmer maar dan ook nimmer over praten of schrijven, zodat ik nooit iets van hun meningen erover te weten kom.
Het begint. Zo kan ik ook filmen: boot vaart ergens in Bretagne een haven binnen, jongen van een jaar of drie-, vierentwintig verlaat boot, gaat huis binnen, loopt in gang, camera staat in gang en bekijkt kamer (Vermeer-entourage). De camera als voyeur. Dan is het avond, de jongen loopt over een donkere boulevard, terug naar het huis, hij pakt in de kamer zijn gitaar, speelt een paar superlullige akkoorden. Dan ineens weer dag, de montage gaat van knip-knip-knip. Waar is het beeldrijm, waar de symboliek, waar de gedurfde associatie? Ze zijn er niet. Ik haal opgelucht adem, zie je wel, het stelt allemaal geen bal voor, laten we maar naar huis gaan. Dan staat de camera in een restaurant, geen mens die er op let, de jongen zit nors aan een tafeltje, zelfmedelijden en verveling zijn van zijn gezicht te lezen. Daar heb je een dienstertje, ze spreekt hem aan, wil hij nog iets bestellen? Nee. Later weten we dat dit Margot is. Margot zelf. Met de camera mee naar de kamer van de jongen, weer speelt hij een flutmelodie op zijn gitaar, als dit zo doorgaat ben ik vertrokken.
De volgende dag zijn we met de camera en de jongen op de boulevard langs het strand en pas nu valt me het eigenaardige licht op, de cameraman heeft zeker een verkeerd filter gemonteerd, de lucht is vrijwel wit terwijl de zon schijnt, alles is eigenaardig helder en toch veraf, dan glijdt de blik van de camera heel langzaam langs het strand, langs de mensen die als rustige dieren in kluitjes bij elkaar zitten, iemand loopt langs, in de verte staat iemand op, de camera glijdt er langs en blijft kijken, ik kijk mee en ik weet dat ik verloren ben.
Dit is geen strand, dit zijn geen mensen, dit is een gedroomd strand met gedroomde mensen.
Nu gaat het beginnen, leer mij Rohmer kennen, hier kom ik nooit meer vandaan. Margot ziet de jongen op het strand, ze spreekt hem aan. Herken je me niet? De vraag die ieder kunstwerk stelt: 'Herken je me niet?’ En even later zitten ze bij elkaar op hun handdoekjes, hij heet Gaspard. Nu pas begint het rohmeriaans praten, dat een gedroomd praten is, een oeverloos praten dat langzamerhand in niets meer op praten lijkt maar op iets anders, op zingen, dat ook niet, op dingen zeggen maar niet weten waar ze vandaan komen, op woorden zeggen alsof ze ergens gevonden zijn. Rohmeriaans praten onttrekt alles aan het oog, het bedekt de bedoelingen, het is een vorm van utopisch praten, het is het meest zwijgzame praten dat ik ken. Margot is etnologe (!), haar vriend onderzoekt primitieve bevolkingsgroepen in Polynesië, zelf mag ze nog geen onderzoek doen, ze bezit nog niet de juiste papieren. Ik voel me denken: ze heeft nog geen toegang tot de wereld, maar als je eenmaal zo naar Rohmer begint te kijken is er helemaal geen houden meer aan, ik probeer er niet aan toe te geven. Ze is, net als Gaspard, geïnteresseerd in Bretonse folklore. Gaspard is wiskundige, weet nog niet precies wat hij wil, hij is hier met vakantie, heeft met zijn vriendinnetje Lena afgesproken maar ze is nog niet op komen dagen.
ALS IK DIT OPSCHRIJF besef ik de onbenulligheid ervan maar het kan me niks schelen, bedenk dat we het hier over een film van Rohmer hebben. Bedenk dat Margot, als ze praat, een kleine schitterende lach op haar gezicht heeft, een ironische, verontschuldigende lach alsof ze alles wat ze zegt tegelijkertijd wil inslikken. Bedenk dat Gaspard terwijl hij praat niets gelooft van wat hij zegt. De lach van Margot, we komen niets te weten over de herkomst ervan. Daarom is het een schitterende lach.
Ga je straks mee, zegt ze, ik heb over een uur afgesproken met een oude visser. Die weet veel over de visvaart bij NewFoundland. Knip. Margot achter het stuur van een busje, Gaspard naast haar, ze praten over muziek. Ken je het liedje 'Valparaiso’? Samen zingen ze een onwaarschijnlijk truttig lied. Er is nu in ieder beeld zoveel te zien en te horen dat ik nauwelijks meer durf te kijken en te luisteren, ik ben beland in de droom van een ander. Wie zijn Gaspard en Margot? Een wiskundige en een etnologe zonder geschiedenis, we komen vrijwel niets te weten, ze zijn leeg, afkomstloos, onttrekken zich aan verhoudingen. Dit is een film over beelden en niet over verhalen. Ze kennen zichzelf en elkaar niet en slagen er keer op keer in alle kennis over zichzelf op een afstand te houden.
Vanaf nu ben ik als een kind aan de film overgeleverd, ik loop mee met de wandelingen van Margot en Gaspard, ik praat mee met hun gesprekken over hun relatie. Nee, wij blijven alleen vrienden, vindt Gaspard, Lena is nu eenmaal mijn geliefde, Margot is het met hem eens. Ze hebben het er aan één stuk over, op het strand, zittend onder een boom, over niks anders, knip, weer op het strand, hun verhouding moet er eentje van vrienden blijven, niet van geliefden, vinden ze, ze zijn in afwachting van hun echte geliefden, zeggen ze, ja, zo moet het tussen hen blijven. De lach van Margot, het zitten van Margot, ik ben alleen een vervangster vindt Margot, Gaspard vindt het best. Even zoenen ze elkaar maar dat mag niet. De blik van Margot. In dromen zoent men elkaar niet. Ik ben getuige van een krankzinnig tedere entourage, van zwijgzaamheid en verzwijgen, van een lichtvoetige nachtmerrie, van totaal autisme. Zo praten mensen niet met elkaar. Zo praten mensen met elkaar. Ik ben ontroerd en weet niet waarom. En wat kan die Gaspard zwakzinnige kletspraat uitslaan, daar ben ik niks bij.
’s-AVONDS gaan ze samen met de camera naar de disco, ik mag god zij dank mee, daar dansen ze niet eens met elkaar - dat doen vervangers niet - wel valt Gaspards oog op een ander meisje. Solène. Eigenlijk zorgt Margot ervoor dat Gaspard en Solène kennismaken. Doe het niet, Margot, doe het niet, wil ik schreeuwen maar het helpt niet. Ik wil dat Margot heel gelukkig wordt. Waarom weet ik niet. Een dag later gaan Gaspard en Solène mee op een boot met een oom en tante van Solène. Daar presenteert Gaspard een door hem gecomponeerd lied over Piraten die in Havens Binnenvaren, of iets dergelijks, een hemelschreiend tuthola-lied, ze zingen het met z'n allen uit volle borst terwijl de boot langs de kust van Bretagne vaart. Ik vind het allemaal oneindig prachtig en ik weet niet waarom.
Als Solène een dagje weg is, hebben Margot en Gaspard ruzie op het strand. Margot rent weg maar even later praten ze weer, ze leggen de ruzie bij, ze blijft Gaspards vriendin belooft ze, tot Lena komt. En Solène dan? Solène vertrekt binnenkort naar Ouessant, een eilandje in de buurt. Knip. Ze lopen nu door een bos. Ik ben dus eigenlijk de vervangster van de vervangster, zegt Margot. Ze heeft gehuild, ziet Gaspard, hij weet natuurlijk niet waarom, ze zegt dat het om iets heel anders was, zullen we vrienden blijven, ja, we blijven vrienden. Ik slik ook even. Gaspard vindt dat hij eenzaam is, dat hij zich niet goed in een groep voelt, dat hij nooit zichzelf kan zijn, dat kan hij wel bij Margot. Kun jij bij mij ook jezelf zijn, Margot? Margot kan dat heel goed, zegt ze, ze lacht, ze gaat even in het gras zitten, de manier waarop is verbluffend prachtig, dit zorgvuldig filmen van het gaan zitten van Margot bevat de essentie van Rohmers filmkunst. Heel even denk ik dat ik nu alles begrijp maar dan begint Gaspard weer te zwetsen over zijn gedrag in een groep, ik hoor er nooit bij zegt hij. Ik vind Gaspard een lul. Knip.
Lena arriveert toch nog in het stadje. Ze springt Gaspard in zijn armen. Waar was je? Ik kon niet weg. Heb je nog vrienden ontmoet? Niet erg veel. Daarna wandeling op het strand. Wit licht aan de horizon, het strand is leeg, in de verte het stadje. Lena kletst aan een stuk door, Gaspard loopt naast haar, ze krijgen ruzie, ze wil naar Ouessant, Gaspard mag mee, wil eigenlijk niet, maar dat verzwijgt hij, hij wil met Solène naar Ouessant en ook met Margot. Plotseling wil iedereen in de film een tochtje maken naar Ouessant. Ik wil er ook verschrikkelijk graag heen. Margot, Margot… maar nu moet ik toch echt hiermee stoppen, besef ik, nu begint het de spuigaten uit te lopen. Dat ik van zulke heilige onzin geen genoeg kan krijgen, van deze beelden, van deze mensen die alleen op een strand hun dromen onder woorden proberen te brengen, van deze gedroomde wandelingen, van deze camera die mij uitnodigt de beelden mee te zien, van Margot die wat dichtbij is niet durft te omvatten. Waarom ga ik erin verloren, waarom is het zo mooi? Is het de terloopse lichtheid die heel dit werk doorzingt? Die de hulpeloze ernst ervan toedekt? Alsof het allemaal door wat jongelui tijdens een vakantie is bedacht, alsof Rohmer toen toevallig langskwam en riep: okee jongens, filmen maar? Is dat het? Zijn het de acteurs? Is het alleen de lach van Margot waarnaar ik de hele film blijf verlangen? Kun je alleen rohmeriaan zijn als je er niets van begrijpt? Leid ik het liefst van alles een meisjesleven op een strand in Bretagne? Wil ik Margot zijn? En altijd zwijgen? Een ding is zeker, ik wil het allemaal niet weten. Als ik het wist zouden de films van Rohmer niet meer alleen míjn films kunnen zijn.
BUITEN MOETEN we even aan Leeuwarden en aan elkaar wennen. We zwijgen. We lopen naar huis. Knip. Een meter of twintig verderop staan twee meisjes met elkaar te praten. Wij weten zeker waar het over gaat, over vriendschap en vervangende vriendschap, over liefde, verlangen en vriendjes, over later als ze etnologisch onderzoek mogen doen in Polynesië. Op de trappen van het gerechtsgebouw zitten een stel gabbermeisjes. Ze drinken bier uit een blikje. Eindelijk weten we waar ze het over hebben.