Zo klim ik naar boven

Ja, Willem Wilmink was een rare kwibus en creëerde zijn eigen mythologie rond zijn jeugd. Maar biografe Elsbeth Etty besteedt terecht de meeste aandacht aan zijn poëtische werk, waarin hij tragiek en humor bij elkaar bracht.

Willem Wilmink, beroeps-Twent en ­poëzie-evangelist © Michiel Wijnbergh / HH

Er waren in het Instituut voor Neerlandistiek aan de Herengracht in Amsterdam ook feesten toen ik er tussen 1968 en 1974 studeerde. Niet alleen bezettingen, actiegroepen en discussies. Dan kon je Willem Wilmink zien en horen, hij was er docent taalkunde, later letterkunde met als specialiteit ‘close reading’. Niet ver van de kantine zat hij, omringd door fans, een verlegen glimlachende man met een accordeon, af en toe zong hij een stel bekende liedjes maar ook nieuwe liedjes die ik niet kende. Geen mooizinger was het, maar hij was wel overtuigend. Ik volgde geen colleges bij hem, ik was meer van de literatuurtheorie en de maatschappijkritiek. Wel liep ik bij hem een paar colleges ‘smartlappen’, ik denk in 1971, Adriaan van Dis deed ook mee. Bijzonder aardige man, die Wilmink, hij sprak met een licht Twents accent. Hij sloofde zich uit, maar was geen uitslover. Hij vond De Zangeres zonder Naam maar niks, herinner ik me, te bedacht en uit op effect, hij had een voorkeur voor volkse smartlappen, met armoede, liefde, verdriet, moord en doodslag. De Twee Weezen. Lachen mocht ook. We moesten een smartlap schrijven, ik schreef iets over een blinde jongen, verschrikkelijk slecht, veel te bedacht, ik heb het niet bewaard.

Elsbeth Etty liep ook rond in dat Instituut, ook zij volgde geen colleges bij Wilmink, schrijft ze in haar biografie over deze wetenschapper, geniale tekstschrijver, beroemdheid, knuffelbeer, beroeps-Twent, Middeleeuwen-kenner, poëzie-evangelist, alom erkende grootheid in de Nederlandstalige literatuur. Hij was en is het allemaal. Etty verbaast zich in haar ‘Vooraf’ over de keuze van Vic van de Reijt voor haar als Wilmink-biograaf. Ik snap die verbazing. Zij hoorde destijds tot de actievoerende studenten Nederlands die de programmering van de studie wilden veranderen, later schoof ze steeds verder op naar de linkse politieke beweging. Wilmink moest waarschijnlijk niks van haar activisme hebben en zij niet van zijn ‘close reading’. Haar begrijpelijke aarzeling en verbazing leverden toch deze mooi diepgravende en doorwrochte biografie op waarin zij beslist geen zoete broodjes met Wilmink bakt. Tegen het einde van haar boek klinkt er tederheid, ik vind er op dit moment geen ander woord voor, in haar toon door, ze geeft zich gewonnen. Verdomd, ze houdt van hem.

Etty schrijft uitvoerig en overtuigend over de debatten en perikelen op dat Instituut waar Wilmink uiteraard een rol in speelde. Ze weet goed hoe de hazen liepen, ze was er zelf bij. Wel heeft ze de neiging de grote tegenstellingen die er destijds tussen docenten onderling en tussen studenten waren enigszins te verdoezelen. Ze beweert dat de persoonlijke verhoudingen meestal niet onder druk kwamen te staan maar dat herinner ik me anders. De verketteringen vlogen over tafel, je was ‘goed’ of ‘fout’, er werden veel deuren dichtgesmeten, er zijn bittere tranen geweend en heel wat vriendschappen verbroken. Maar waarom zou je dit allemaal oprakelen? Ik heb er begrip voor, zeker als je bedenkt dat Wilmink zich destijds net als iedereen vertwijfeld een weg moest zoeken tussen de oeverloze en meestal vruchteloze debatten. Zijn baan stond bovendien op het spel. ‘Close reading’: gedichten zo precies mogelijk lezen, daar kreeg je niet veel studenten enthousiast voor. Toch valt er veel voor deze leesmethode te zeggen en Wilmink is er zijn hele leven trouw aan gebleven. De kunst van het lezen.

Wat is er mis mee wanneer je les krijgt in goed lezen en leert hoe je gewone gedichten vreemd kunt maken en vreemde gedichten gewoon? Op het ogenblik is dit aan universiteiten (en dus ook in het voortgezet onderwijs) vrijwel verdwenen, daar bestudeert men liever de maatschappelijke status van literatuur. Sterker nog, in de huidige literatuurwetenschap bloeit een nieuwe richting waarin gewerkt wordt met data-verzamelingen. Lezen hoeft niet meer, het gaat alleen om ‘data’ in literair werk, om die met behulp van computers te scoren en er vervolgens maatschappelijke conclusies aan te verbinden. ‘Distant reading’ noemt men het, hoe provocerend wil je het hebben. Wilmink draait zich op dit moment vast en zeker in zijn graf om.

Het wordt tijd dat iemand Wilminks gedichten aan een ‘close reading’ onderwerpt en de vondsten erin aantoont en analyseert

Willem Wilmink (eerst nog Wim) is een typisch voorbeeld van de naoorlogse opkomst van de lagere burgerij, de middenklasse, ik hoor er ook bij. Hun kinderen konden gaan studeren, dat was iets nieuws, het was ongehoord. Het leidde bij ouders vaak tot hoge verwachtingen en even vaak tot teleurstellingen. Studeren, alle deuren zouden open gaan, maar het ging vaak anders. Etty geeft een overtuigend beeld van de jonge Wilmink. Verwend kind, gevoelig, ambitieus, dromen van beroemdheid. Ik voelde me zelf tijdens lezing ook een beetje Wilmink, maar misschien niet zo erg als hij. Al die jongens die hun weg moesten zoeken aan de universiteit. Duizenden waren het, ik zat in collegezalen met honderden studenten Nederlands. Met meisjes erbij, ook dat nog. De verlegenheid. Het gedoe. De wanhoop. Wilmink hoorde tot de eerste lichting, ik kwam na hem. Hoe moest dat allemaal: in studentenhuizen, in collegezalen, bij professoren op de kamer, in cafés. Hoe moest het met meisjes en met jongens? Etty kijkt er met geamuseerde verbazing op terug, soms ook licht verontwaardigd, Wilmink maakte het in zijn baltsgedrag ook wel wat bont. Maar ze is nooit wegwerpend, ze weet wel beter, ze herinnerde zich terwijl ze haar boek schreef ongetwijfeld haar eigen studententijd. Dit maakt deze biografie meeslepend en geloofwaardig.

Etty geeft veel overtuigende argumenten voor haar Wilmink-beeld. Ze schetst hem als een in de grond onzekere maar uiterst ambitieuze man, die er langzamerhand in slaagde zijn eigen mythologie rond jeugd en afkomst succesvol in te zetten voor zijn literaire werk. In vrijwel al zijn gedichten keert hij terug naar zijn jeugd, of liever, naar een jeugd die hij zelf achteraf in scène zette. Een jeugd met veel verdriet en onbegrip maar met ook mooie herinneringen. Een Kees de Jongen-jeugd, zal ik maar zeggen, die hij in werkelijkheid helemaal niet had. Dat ging soms heel ver. Zo beweerde hij later in veel interviews dat hij zijn gelukkigste tijd in Ootmarsum doorbracht, als jongetje, het ouderlijk huis in Enschede was gebombardeerd. In Ootmarsum was alles mooi en fijn, daar liepen de joodse kinderen gewoon vrij op straat en hij had er een joods vriendje. Etty maakt gehakt van dat verhaal, de jodenvervolging in Ootmarsum was net zo uitzinnig als elders in het land, van vrij rondlopen was geen sprake, tientallen joden zaten ondergedoken en kwamen pas na de oorlog te voorschijn. En dat joodse vriendje was niet joods.

Hierbij werkt Etty’s methode prima. Ze interviewde tientallen betrokkenen, vrienden, kennissen en voormalige geliefden, die openhartig over hem vertellen. Ze hebben allemaal de neiging, ondanks alles, hem, als mens, zoals dat zo mooi heet, in bescherming te nemen. Etty ook. Wilmink was gewoon een rare kwibus, dat wist ik niet toen ik hem vroeger hoorde en zag zingen. Snel beledigd, voor familie soms onuitstaanbaar, aan de drank, ongeduldig, neurotisch, slechte opvoeder, zelfmedelijdend, onbegrepen, ongelukkig. Ja noem het maar op. Maar Etty zet daar tegengeluiden naast, hij was een lieverd, sociaal bewogen, trouw en oprecht. Als je maar niet te veel aan zijn kop zeurde, het geluid van de telefoon kon hem al tot razernij brengen.

Etty besteedt terecht de meeste aandacht aan Wilminks poëtische werk, niet aan zijn proza. Daar lag zijn genie, want een genie was het. Het lukte hem in zijn beste werk een verbluffende mengvorm van tragiek en humor bij elkaar te brengen. Hij werkte binnen de traditie van Heine en Haverschmidt maar zette daar een volstrekt eigen toon naast. Etty verspreidt haar opmerkingen over de kracht van deze poëzie door het hele boek. Toch zou het mooi geweest zijn wanneer ze systematischer had stilgestaan bij Wilminks ideeën over poëzie. Over Wilminks werk is veel gezegd en geschreven, alles is vindbaar in tientallen artikelen en beschouwingen, maar een samenvattend overzicht over zijn poëtica is er niet. Maar goed, dit is geen proefschrift. Zijn werk leeft nog steeds, ook onder jongere artiesten en onder volwassenen die er destijds als kind van genoten.

In 2007 bezocht ik op De Parade in Den Haag een programma met liedjes uit de Stratenmaker op Zee Show, ontroerend mooi vertolkt door onder anderen Roosbeef. En wanneer ik een opname zie van Ome Willem Edwin Rutten die op het Pinkpop-festival voor duizenden uitzinnige fans het ‘deze vuist op deze vuist’-lied ten gehore brengt, hou ik het met moeite droog. Waarop berust dit toch? Natuurlijk op Wilminks inventiviteit, zijn meesterlijke rijmvondsten, zijn ongegeneerde en laconieke spotlust met het ‘hogere’. Het wordt tijd dat iemand zijn gedichten aan een ‘close reading’ onderwerpt en de vondsten erin aantoont en analyseert. Neem bijvoorbeeld dat ‘deze vuist op deze vuist’-lied. ‘Zo klim ik naar boven’ gaat het verder. Ja, natuurlijk ga je zo naar boven, dat kun je nog zien ook als je naar die vuisten kijkt. Deze zin begeleidt het waargenomene. Ze verdubbelt het. Dit is kenmerkend voor Wilminks poëzie. In het openingslied van de Stratenmaker Op Zee Show staan de regels: ‘Word je later dominee of moeder van een kind.’ Allereerst natuurlijk valt de geweldige metriek op. Maar let ook op dat dwaze: ‘word je moeder van een kind’. Dat is in feite een ongrammaticale constructie, een pleonasme, dubbelop. Een moeder is altijd moeder van een kind. Kinderen zeggen zulk soort dingen, Wilmink hoorde het, in zichzelf of op straat, en maakte er poëzie van.