Zo levendig als een zuil

Aan de fascinatie van Willemijn van Dijk voor de Romeinse historie ligt het niet © Tessa Posthuma de Boer

‘De romanvorm’, schrijft Willemijn van Dijk in het nawoord bij Het wit en het purper, ‘gaf mij de mogelijkheid om de Romeinse wereld van zo dichtbij mogelijk te laten zien, in een verhaal met hoofdrolspelers die, hopelijk, levensecht zijn, die zelfs hedendaags zouden kunnen zijn.’ Eerder publiceerde Van Dijk twee non-fictiewerken over de Romeinse oudheid, Via Roma en De opvolger. Twee weken geleden won ze voor haar tot dan toe redelijk onopgemerkte romandebuut de BNG Bank Literatuurprijs 2019. De jury prees de manier waarop Van Dijk ‘de achterkant van de historie’ laat zien, ‘door zich te verplaatsen in een man die alles van dichtbij heeft kunnen waarnemen’.

Die man is Marcus Antonius Pallas, en dat ‘alles’ zijn de verwikkelingen in het Romeinse keizerrijk tussen 7 en 55 na Christus. De Griekse vondeling Pallas wordt als kindslaaf verkocht aan de keizerlijke familie, waar zijn intelligentie al snel opvalt. Als hij na 25 jaar bewezen loyaliteit een risicovolle opdracht succesvol afrondt, beloont zijn meesteres hem met zijn vrijlating en de met purper afgezette toga die bij zijn nieuwe status hoort. Met boekhoudkundig vernuft, diplomatiek talent en wat geluk werkt Pallas zich op tot de invloedrijkste adviseur van keizer Claudius.

Het gegeven van een slaaf die de hoogste post van de politieke arena bereikt spreekt natuurlijk enorm tot de verbeelding, en toch lijkt dat niet genoeg. Aan Van Dijks fascinatie voor de Romeinse historie ligt het niet. Haar imponerende kennis blijkt uit het gemak waarmee ze termen als ‘curulische zetelhouders’ en ‘sestertiën’ in haar zinnen verweeft, uit de details die de couleur locale oproepen – het straatgewoel, de indringende geuren, de openbare executies, de talloze rituelen en feestdagen. Ook de schematisch goed uitgedachte intriges aan het hof getuigen van vertrouwdheid met het feitenmateriaal.

De goed uitgedachte intriges aan het hof getuigen van vertrouwdheid met het feitenmateriaal

Maar in de uitwerking van de plot maakt de roman een onevenwichtige indruk. Dat zit deels in de technische en stilistische onbeholpenheid. De tijd voltrekt zich onvoorspelbaar, in terloopse zinnetjes vliegen er zo uren, maanden, jaren voorbij die een gat in het verhaal slaan, terwijl sommige gebeurtenissen langer worden uitgerekt dan de spanningsboog kan verdragen. We kijken mee door de ogen van Pallas, maar niet consistent, waardoor je als lezer ineens even in het hoofd van een andere figuur wordt geworpen: ‘Claudius aarzelt, maar het verstoten kind in hem wil zijn familie laten zien dat er geestelijk niets mis is met hem.’ Van Dijk heeft de neiging om alles wat Pallas zegt, ziet of denkt als zodanig te benoemen, in observaties die zeggingskracht missen. Personages, inclusief hijzelf, krijgen daardoor de levendigheid van een korinthische zuil: ‘Hij zag hoe hard Antonia door die woorden geraakt werd, misschien omdat ze een kern van waarheid bevatten’, luidt het over Claudius’ moeder. In zijn eigen belevingswereld gaat het zo: ‘Het is pijnlijk, denkt hij, om een senator zo te zien smeken. Maar ik kan er ongetwijfeld iets uithalen. Dat denkt hij, maar hij zegt het uiteraard niet.’

Pallas ontwikkelt een hoogmoed die je alleen maar kunt bereiken als je blind raakt voor je eigen drijfveren. Hoe rijker en zichtbaarder Pallas wordt, des te meer hij van zijn verleden raakt losgezongen. Dat culmineert in een scène waarin hij voor een groot ethisch dilemma komt te staan. Keizer Claudius stelt hem in de gelegenheid om praetor worden, een hoog en eervol ambt, maar daarvoor moet hij een wet ontwerpen die de macht van slaveneigenaren vergroot: ‘Heel even kijkt hij omhoog, naar zijn zwevende geweten. De slavernij ontvluchten, om je vervolgens tegen de stand te keren waar je met zoveel moeite uit gekropen bent. Als om de geestverschijning weg te jagen, schudt hij zijn hoofd. Hij voelt het in zijn hele lijf: dit is mijn kans.’

Het kan, met zo’n korte banale overweging voorbijgaan aan de diepe morele gespletenheid die Pallas op dat moment moet voelen, maar Van Dijk ontzegt hem daarmee psychologisch reliëf, waardoor je als lezer hoogstens afstandelijk bij hem betrokken raakt.

Het wit en het purper is een traditionele historische roman, een rechtlijnig verhaal dat de indruk wekt dicht bij de werkelijke gebeurtenissen te blijven. Dat Van Dijk ook expliciet door de bril van het heden naar het verleden kijkt, blijkt uit de manier waarop ze de rol van de vrouwen uitlicht. Pallas deelt in Het wit en het purper de hoofdrol met Agrippina, de vrouw die tot het einde van de roman het spel het slimste speelt en zo de geschiedenis naar haar hand zet: ze bewerkt Pallas om keizer Claudius over te halen met haar te trouwen, zodat ze haar zoon door hem kan laten adopteren en Nero keizer kan worden. In zes korte fragmenten, die later haar memoires blijken, rechtvaardigt ze haar manipulatieve handelen als daad van emancipatie: naar het voorbeeld van haar onconventionele moeder, die haar man vergezelde naar het slagveld, weigert ze zich te voegen naar de strikte regels die er in de door en door patriarchale cultuur voor vrouwen gelden. Agrippina krijgt zo een eigen stem, net als Briseïs in Pat Barkers De stilte van de vrouwen. Maar in tegenstelling tot die roman is die stem hier slechts een bescheiden accent in het dominante verhaal van Pallas: voor hem is ze de onweerstaanbare vrouw die hem, na hem één nachtje in haar bed te laten, volledig in haar macht heeft.

En zo eindigt Het wit en het purper als het verhaal van een ijdele man die met de femme fatale ten onder gaat. Klassiek voorspelbaar.