A SINGULAR WOMAN: THE UNTOLD STORY OF BARACK OBAMA’S MOTHER

Zo moeder zo zoon

Een naïef meisje zou ze zijn geweest, de moeder van de net vijftig geworden Barack Obama. Maar zo onbeduidend was ze niet.

Janny Scott, A Singular Woman, € 24,50

Jakarta, 20 januari 2009. Op de galerij van mijn guesthouse maak ik amok omdat de tv in mijn schamele kamertje alleen maar sneeuw geeft. Slof-slof-slof: er komt iemand kijken, verbaasd over mijn ongeduld. Hij morrelt wat en het lukt. Ik zie wat ik zien wil, van elf uur ’s nachts tot half een in de morgen de live uitzending van de inauguratie van Obama. Groezelig van beeld, niet ondertiteld en verknipt door reclame, maar ik ben erbij.
In de Jakarta Post had ik die morgen een foto gezien van de schoolklas van Barry Obama: ik herkende hem aan zijn oren. En ik realiseerde me dat de tijdspanne die hij in Indonesië doorbracht - van zijn zesde tot zijn tiende - overeenkomt met de jaren en de leeftijd dat ik daar in een interneringskamp zat. Vormende jaren, onvergetelijk wat mij betreft; de volgende dag koop ik in Plaza Senayang Obama’s Dreams from My Father.
Zijn levensverhaal bleek nog boeiender dan ik verwacht had en meer dan tevoren verheugde ik me over zijn presidentschap. Zijn curieuze afkomst, zijn keuze voor het zwart zijn, zijn sociaal werk in de achterstandswijken van Chicago, zijn omgang met zijn extended family in Nairobi en in de binnenlanden van Kenia. Een wereldburger. Zijn voorganger was vóór hij president werd nog nooit in een buitenland geweest.
Dus in Jakarta was het begonnen. In Jakarta was hij in aanraking gekomen met het racisme want hij werd nageroepen vanwege zijn donkere huid en kroeshaar. Hij leerde er van zich af te vechten met behulp van de bokshandschoenen die zijn stiefvader hem gaf, maar hij leerde ook zich aan te passen. Hij moet er ontberingen hebben gekend: overstromingen in de natte moesson, en uit de kraan kun je nog steeds niet drinken. Hij haalde er kattenkwaad uit met zijn vriendjes, liep op zijn blote kakkies. En hij sprak vloeiend Bahasa. ‘Zoveel talen men spreekt, zoveel maal is men mens’, zeggen de Chinezen.
Vanuit het welvarende Honolulu was hij terechtgekomen in een kampong aan de rand van de zich ontwikkelende wereldstad die toen nog Jakarta heette. De natuurlijke omgeving beschrijft hij als idyllisch: een mangoboom voor de deur en in de achtertuin een soort kinderboerderij met paradijsvogels, krokodilletjes en een kaketoe. Direct na aankomst wordt er voor zijn ogen een kip geslacht, zoals ze ook bij ons op het erf werden geslacht. We mochten er niet naar kijken van onze ouders maar we keken toch. Een kip, half zonder kop, die leegbloedend rondjes loopt. 'Is hij daar niet te jong voor?’ vraagt zijn moeder. Lolo, zijn Indonesische stiefvader, haalt de schouders op: 'Dat joch moet weten waar zijn eten vandaan komt.’ Barry at er goed van, die avond.
Zijn moeder herinnert zich een ander welkomstmaal. In A Singular Woman, de biografie door Janny Scott, vertelt Ann Dunham - zoals ze zich liet noemen - aan een vriendin hoe arm haar toenmalige echtgenoot was en wat hij opdiende, die eerste avond: witte rijst met lapjes gedroogd zwijnenvlees. 'Dat is toch lekker?’ was de reactie. 'Nee, want er zat schimmel op.’
Tegen de mogelijke onjuistheid van herinneringen heeft Scott zich laten indekken door meteen al de dan 84-jarige broer van Obama’s fameuze grootmoeder Madelyn op te voeren. Deze verwijst naar een familiereünie in 2000 waar hem was opgevallen hoezeer ieders herinneringen aan een bepaalde gebeurtenis van elkaar verschilden. En dat geen van die herinneringen overeenkwam met de zijne, die hij als juist beschouwde. 'All of this is just to tell you: Don’t trust memory’, waarschuwt hij haar en daarmee ook haar lezers. Scott werkte sinds 1994 als verslaggever voor The New York Times tot zij in 2008 ontslag nam om dit boek te kunnen schrijven. Ze had een zestal biografieën van presidentskandidaten geschreven voor haar krant en ze ergerde zich aan het beeld dat van Obama’s moeder bestond. Een naïef, idealistisch meisje zou ze zijn, een hippie met marxistische ideeën, ongelovig en los van zeden. Tweemaal getrouwd en gescheiden, alleenstaande moeder van twee halfbloedkinderen: foei!
Maar zo onbeduidend was ze niet. Integendeel: Janny Scott heeft haar, aan de hand van honderden interviews en reizen naar Hawaï en Indonesië, als een krachtige, veelzijdige persoonlijkheid kunnen neerzetten. Geboren in Kansas (1942) was ze na zeven verhuizingen - ze had een rusteloze vader - in 1960 terechtgekomen in de jongste lidstaat van de VS, de smeltkroes van nationaliteiten Hawaï. Door Lyndon Johnson was daar kort tevoren het East-West Center opgericht met als oogmerk begaafde studenten uit het Oosten in contact te brengen met de cultuur van het Westen en omgekeerd. Interraciale verhoudingen en huwelijken waren onvermijdelijk; veel van die huwelijken strandden wanneer het paar zich vestigde in het thuisland van degene die uit het Oosten kwam. Stanley Ann Dunham was zeventien toen ze verliefd werd op een oudere, reeds getrouwde man uit Afrika. Ze werd zwanger van hem en ze trouwden; na de geboorte van Barack verliet hij haar. Ze trouwde opnieuw, nu met een Indonesiër, die ze, 24 jaar oud, achterna reisde naar zijn onvoorstelbaar verre vaderland waar ze, nadat ze ook van hem een kind had gekregen, ook weer scheidde. Maar ze bleef er wonen en werken.
Na een paar frustrerende jaren in dienst van de Amerikaanse ambassade in Jakarta werd ze een populaire lerares Bahasa bij de Ford Foundation. En dankzij mijn eigen moeder heb ik een duidelijk beeld van haar, zoals ze herinnerd wordt. Mijn moeder was evenals Ann Dunham in 1967 in Jakarta aangekomen en ook zij maakte zich nuttig in het onderwijs, in haar geval het bijzonder onderwijs. Er was ruim een kwart eeuw leeftijdsverschil, maar in doen en laten leken ze op elkaar. Net als Ann Dunham gaf mijn moeder niet om uiterlijkheden; ik zie ze in dezelfde verkreukelde batik outfit gefotografeerd, mijn moeder met een piekerig knotje, Ann Dunham met een wilde bos haar die daarginds als een warme mantel moet hebben aangevoeld. Er was in die dagen nog weinig toerisme dus ze vielen op in het straatbeeld. Te groot, te lomp en te wit: beiden moeten hun uitzonderingspositie als een vorm van bevrijding hebben ervaren. Ze waren qualitate qua al excentriek te noemen en hier mochten ze dat ook zijn, terwijl elke poging tot aanpassing zeer werd gewaardeerd. Voor huishoudelijk werk hadden ze nooit enig geduld kunnen opbrengen, maar daar hadden ze nu hun bedienden voor. Beiden spraken Bahasa en omringden zich met Indonesische vrienden. Mijn moeder via haar werk en de kerk, Ann Dunham dankzij haar huwelijk. Geen wonder dus dat ze allebei samenkomsten met andere expats meden: ze ergerden zich aan de - letterlijke - neerbuigendheid van de westerlingen tegenover de Indonesiërs en aan hun gebrek aan belangstelling voor de plaatselijke bevolking. Opvallend is dat tegelijkertijd geen van beiden zich stoorde aan de moordpartij die Soeharto twee jaar tevoren had aangericht: vijfhonderdduizend (vermeende) communisten. Ze wisten het niet of wilden ze het niet weten?
Ann Dunham kreeg begin jaren zeventig van het East-West Center een beurs om af te studeren en verdiepte zich in de thuisindustrieën in de desa’s rondom Yogyakarta. Mijn moeder hielp daar tegelijkertijd een zwakzinnigeninstituut op te richten; ze kwamen allebei bij de sultan van Yogya over de vloer. Van het een kwam het ander: toen mijn moeder ervoer dat veel aangeleverde kinderen niet achterlijk waren maar doof ging ze dovenscholen oprichten.
Ann Dunham ging de desa’s langs om research te doen betreffende de rol van vrouwen wanneer het ging om manden vlechten, leer bewerken en batikken en vooral om de daarbij behorende straathandel en de eetstalletjes. En het 'van het een kwam het ander’ gold ook voor haar, want bijna vanzelf ging ze zich inzetten voor het financieren van deze vrouwen. Microkrediet heet dat tegenwoordig. Ze zag daarbij het belang in van het opkomend toerisme waardoor half vergeten nijverheid weer tot bloei kon komen. Van het leer bijvoorbeeld dat voor wajangpoppen werd gebruikt konden ook bladwijzers en lampenkappen worden gemaakt. Haar dissertatie moest van meer dan duizend pagina’s worden ingekort tot 750. Pas in 1992 was ze er klaar mee; ze droeg hem op aan haar kinderen 'who seldom complained when their mother was in the field’. Eerlijk gezegd, denkend aan de vaak verpletterende aanwezigheid van mijn eigen moeder, vermoed ik dat ze het ook wel rustig vonden, zo nu en dan eventjes wat afstand.
Toen haar zoon tien was maakte ze met hem een rondreis door het Midden-Java waar ze werkzaam was geweest om hem te laten kennismaken met het platteland en haar Indonesische vrienden. Daarna bracht ze hem terug naar Hawaï, waar ze hem onderbracht bij haar moeder. Een vrouw die niets van haar beweegredenen begreep, maar onvoorwaardelijk achter haar stond, ook als het ging om school- en kleedgeld voor Barack. Moeder en dochter hadden veel gemeen, want ook Madelyn werd op haar zeventiende verliefd op een minder geschikte man. Haar huwelijk hield stand, voornamelijk dankzij haar inbreng. In de Tweede Wereldoorlog stond ze nog aan de lopende band in een munitiefabriek, in Hawaï zou ze zich opwerken tot een van de eerste vrouwelijke vice-presidenten van de plaatselijke bank.
Barack had het goed bij haar. Toen ze, 85 jaar oud, op haar sterfbed lag onderbrak hij zijn verkiezingscampagne om haar op te zoeken. Dat hij dat voor zijn moeder niet heeft gedaan beschouwt hij als de grootste fout die hij ooit had gemaakt.
Anns half-Indonesische dochter Maya werd grotendeels opgenomen in de familie van haar vader en toen ze wat groter was mocht ze met haar moeder mee op werkbezoek: naar Amerika, Engeland, Pakistan. Achteraf gezien vindt ze dat ze er veel aan gehad heeft, aan al dat reizen en trekken en omgaan met vreemde volkeren. Wat ze van haar moeder geleerd had? Dat je accuraat moest zijn, standvastig, geduldig en rechtvaardig. Dat je niet op uiterlijkheden moest afgaan. En bovenal: 'Don’t conclude before you understand. After you understand don’t judge.’
In 1992 keerde Ann terug naar de VS. Ze kreeg een baan in New York bij Women’s World Banking, waar ze werd gewaardeerd om haar expertise maar niet paste in de kantoorhiërarchie. Ze zag er niet uit en was niet diplomatiek genoeg. Op Java had men zich niet aan haar botheid gestoord. 'We gaan ook om met Batakkers en die zijn ook niet beleefd.’ In Manhattan kwam ze er niet mee weg en na twee akelige jaren ging ze terug naar Jakarta. Haar problemen, op het gebied van financiën en gezondheid, nam ze met zich mee. Ze kwam in dienst bij het ministerie voor Vrouwenzaken en ging zich opnieuw met microfinanciering bezighouden. Maar alles zat tegen; ze verwaarloosde zichzelf en vooral haar slechte conditie speelde haar parten.
Mijn eigen moeder was streng calvinistisch, Ann Dunham was niet kerks maar kwam uit een geslacht van methodisten en baptisten. Elke vorm van hedonisme was hun vreemd en dat bracht met zich mee dat ze geen of weinig aandacht besteedden aan hun lichamelijk welzijn. Mijn moeder kwam met een akelige ziekte terug uit de tropen en verzuimde vervolgens keer op keer op tijd naar een dokter te gaan. Ann Dunham wilde niet weten dat ze kanker had; doodziek keerde ze begin 1995 terug naar Hawaï waar ze in november overleed, 52 jaar oud.
In juli 2010 krijgt Scott de president zelf te spreken. In het voorwoord bij de heruitgave van zijn Dreams from My Father had hij vermeld hoezeer hij haar heengaan betreurde: 'I know she was the kindest, most generous spirit I have ever known, and that what is best in me I owe to her.’ Tegenover Ann vertelt hij dat hij zijn moeder altijd wel erg slordig had gevonden, 'messy’. Slordig in huis of slordig in haar leven? 'Allebei.’ Maar dat ze veel van hem hield had hij vanaf zijn vroegste jeugd ervaren en ook dat ze hem heel bijzonder vond. Een soort tussen Einstein, Gandhi en Belafonte zag ze in hem.
En hij moest toegeven dat veel van de keuzes die hij had gemaakt in zijn leven door haar waren geïnspireerd. Dat hij dankzij haar leefde met de overtuiging dat we onder de oppervlakkige verschillen allemaal hetzelfde zijn en dat er meer goed dan kwaad in ons schuilt. 'And that’s, I suppose, the naive idealism in me.’


Bij uitgeverij OBOR in Jakarta verschijnt deze dagen de Indonesische vertaling van Selamat Merdeka, verhalen van Indonesiërs over hoe ze in augustus 1945 het uitroepen van hun onafhankelijkheid hebben ervaren (Atlas 1997, heruitgave Auteursdomein 2009). Begin volgend jaar verschijnt bij Athenaeum-Polak & Van Gennep een boek van Kristine Groenhart over de vader van Mischa de Vreede en zijn twee vrouwen, werktitel Mangalaan 27

JANNY SCOTT
A SINGULAR WOMAN: THE UNTOLD STORY OF BARACK OBAMA’S MOTHER
Penguin Putnam Inc, 380 blz.,
€ 24,99