Zo mooi, alles

Miniem gebaar, zo heette de bundel waarmee Peter van Lier in 1995 debuteerde - en die titel had niet treffender kunnen zijn. Het was poëzie waarin eigenlijk niets opzienbarends gebeurde, noch in inhoudelijk, noch in formeel opzicht. De gedichten bezongen wind en regen, vogeltjes, kevertjes, het gras en de bomen, en waren van een grote, haast nadrukkelijke eenvoud. ‘Wat bestaat/ bestaat, en mooi’, staat in een van de gedichten, en het leek de hele boodschap te zijn.

Zo'n dichter geloof je niet, natuurlijk. Zoveel vredige instemming vind je misschien in kringen van holisten die na een sessie ‘rebirthing’ of een cursus 'mystiek voor gevorderden’ uitblazen op het terras van hun kampeerboerderij in Drenthe. Retraitepraat van lieden die zich eens een aantal weken hebben teruggetrokken om tot 'bezinning’ te komen, in contact met hun 'innerlijke zelf’. Toch maakte Miniem gebaar op mij grote indruk. Dat had alles te maken met het gegeven dat onder Van Liers zo doodeenvoudig lijkende regels toch steeds iets voelbaar bleef van de ontstellende moeite die het kost om bij het 'wat bestaat, bestaat’ te leven.
Van Lier, die in 1994 een filosofisch essay publiceerde onder de titel Van absurdisme tot mystiek, weet dat een dergelijk adagium de volledige acceptatie impliceert van het met de menselijke staat nu eenmaal onvermijdelijk verbonden tekort, van datgene wat mensen er nu juist altijd maar weer toe verleidt om aan het bestaande een metafysische dimensie toe te voegen, om het tijdelijke, voorbijgaande in het perspectief van de eeuwigheid te plaatsen.
Door die wetenschap leek Miniem gebaar mij een poging te zijn om in poëzie uit te werken wat bijvoorbeeld Albert Camus zo'n vijftig jaar eerder in zijn essay over het absurde had geschreven. In dat essay, De mythe van Sisyphus, omschreef Camus de mens als 'iemand die zich niet om het eeuwige bekommert en daar ook geen geheim van maakt. Niet dat het verlangen naar het eeuwige hem vreemd is, maar zijn moed en zijn vermogen te redeneren zijn voor hem belangrijker. Zijn moed leert hem te leven zonder dat beroep mogelijk is en genoegen te nemen met wat hij heeft.’ Sisyphus - veroordeeld om eeuwig een steen tegen een berg op te rollen, een steen die, bijna bovenaan, telkens weer naar beneden rolt - Sisyphus is gelukkig, schreef Camus. En het is dat geluk, het geluk in het licht van de volstrekte vergeefsheid van het onverbeterlijke en bij uitstek menselijke verlangen om hoe dan ook aan de eigen staat te ontsnappen, dat Van Lier in zijn poëzie tot uitdrukking leek te willen brengen. Om het scherper te zeggen: het is weten dat je doodgaat en daar volstrekt gelukkig over zijn, zonder dat er een god, een hiernamaals of enig ander troostend perspectief is.
Dat wat bestaat, bestaat en als zodanig gewoonweg mooi is, is een inzicht dat men alleen met de grootste moeite op zichzelf verovert - en het is die moeite die onder het ogenschijnlijk zo simpele, het vaak onbestaanbaar lijkende idyllische van Van Liers gedichten steeds voelbaar blijft, die aan die gedichten ook hun werkelijke lading geeft.
In Van Liers nieuwste bundel, Gegroet o…, is dit eigenlijk niet anders. Een dichter die zijn bundel zowel opent als afsluit met een reeks die 'Voltooide fragmenten’ heet, weet dat hij hier het gefragmenteerde tot iets voltooids verkláárt, en legt zo vooral iets bloot van wat hij verlangt: het onvoltooide als het voltooide te zien, het tekort als de enige vervulling. Hij probeert zo de lezer te verleiden hem hierin te volgen, en zo werkt het ook. De titel van de beide reeksen maakt dat je de afzonderlijke fragmenten, waar niks mee aan te vangen is, aanvankelijk domweg accepteert áls fragmenten. En waar je de neiging hebt één zo'n fragment zelf tot een geheel te denken, blijkt dat steeds weer een idyllisch tafereeltje te zijn waarin het volmaakte geluk heerst.
'Slurpen drank met een rietje, beiden,/ prijzen met// leuke/ woordjes de/ wind’, luidt er bijvoorbeeld eentje, en wie hier omheen begint te denken komt uit op iets lieflijks, iets 'leuks’ inderdaad, iets gelukkigs. Op iets wat je niet kunt geloven, kortom, of beter nog: waarvoor je juist heel erg veel geloof, goedwillendheid en mildheid nodig hebt om het zo te kunnen zien, zo veel dat je er wat wee van wordt. Maar omdat de dichter dat zelf niet invult, het onvoltooid laat, en al dat onvoltooide tegelijkertijd weer voltooid noemt, weet hij je op deze ogenschijnlijk eenvoudige manier precies daar te krijgen waar hij je hebben wil: midden in de paradox waarbij de absurde mens bestaat.
Zoiets werkt, blijkt ook nu weer, maar het werkt alleen in het wat grotere verband van een reeks, een afdeling, een hele bundel. Een gedicht als: 'De dagen. De bomen. Het/ waterend kind, grappend./ Wie niet neemt// geeft. Zo mooi, alles’ overtuigt allerminst als je het geïsoleerd leest - om niet te zeggen dat het sentimenteel, zoetig gezwatel is. En zelfs de reeks waaruit dit gedichtje komt, 'Zo mooi’ geheten, werkt als reeks maar nauwelijks. Men heeft hier echt de context van de hele bundel nodig om deze gedichtjes op waarde te schatten. Erg is dat niet, maar het lijkt me intussen wel iets wat Van Liers poëzie bedreigt: dat de kracht van de gedichten niet in de gedichten zelf ligt, maar in de context waarbinnen ze staan.
Ik heb de indruk dat de afzonderlijke gedichten in deze bundel veel minder dan in Miniem gebaar het geval was, op zichzelf genomen de paradox waarmaken die Van Lier wil uitdrukken. Gegroet o… leunt veel zwaarder op de idee erachter en daarmee lijkt die idee zelf haast toch weer een metafysische categorie te worden, iets waarin men veeleer ontsnapt aan de eigen menselijke staat, dan dat men die accepteert zoals zij is.
Flapteksten moet men nooit geloven, vind ik, maar achter op de bundel staat een tekst die wat dit aangaat toch te denken geeft: 'De dichter zoekt in deze bundel verlangend naar een zo oorspronkelijk mogelijke ervaring van de werkelijkheid. Dit vraagt om een geesteshouding die voorafgaat aan de belastende vragen naar het wat, hoe en waarom van de dingen. In Gegroet o… tonen de dingen zich in een nog niet door het vragen en door de geschiedenis besmette staat van onschuld en eenvoud.’ De idee achter de bundel wordt zo een verlangen naar zuiverheid, naar het onbesmette, terwijl het 'wat bestaat, bestaat’ je nu juist duidelijk zou moeten maken dat wij zo 'zuiver’ niet zijn, dat het menselijk tekort niet wordt opgeheven wanneer we het accepteren, maar zich juist in alle hevigheid manifesteert.