Zo’n vader!

Ugo Riccarelli, Een zee van niets. vertaald door Els van der Pluijm € 18,95
Ugo Riccarelli, Mare di nulla. € 20,95

‘Aan de schim van mijn vader en de verhalen die hij me nooit heeft verteld’ – over deze opdracht lees je aan het begin van het boek allicht heen, maar na alle verhalen over en van een vader wordt het een heel merkwaardig zinnetje, nog verwarrender door het motto van Pessoa, eveneens op een aparte bladzijde voorin: ‘Oprechtheid is een hinderlijk obstakel dat de kunstenaar moet overwinnen.’
Dit kan slaan op de verteller, de zoon die jaren na de dood van zijn vader, geveld op de jeu de boules-baan, allerlei verhalen over hem vertelt, of nog meer op de vader zelf, levenslang illusionist, kunstenaar van het betoverende woord en auteur van zijn eigen levensverhaal.
‘Toen mijn vader in Afrika aan land ging was hij al een soort magiër’, zo begint de eerste pagina, waar de jonge soldaat op het station afscheid neemt van zijn moeder. De Italiaanse fascisten maken zich op voor een triomfantelijke expansieoorlog overzee. Terwijl de andere soldaten, van wie de meeste nog nooit buiten Noord-Italië zijn geweest, bedrukt uit de treinen hingen, moeders en verloofden zakdoekjes natmaakten, rolde deze jongen voor zijn moeder ‘een heel tapijt van vrolijke afscheidswoorden uit’ en schilderde hij in vrolijke, bonte kleuren de plaatsen en gebeurtenissen die daarginds in het verschiet lagen. Toen al wist hij beter. Bovendien was hij zich ook van zijn magische vermogen bewust, dat de verplichting met zich meebracht steeds overal de moed erin te houden, bij anderen van wie hij feilloos aanvoelde wat ze wilden horen. Al vroeg had hij namelijk begrepen dat de illusie voor hem de enige ontsnapping zou zijn. En toen ze de haven van Tripoli in voeren doorzag hij meteen het bedrog: ‘Wat voor zijn kameraden de ontscheping van een onoverwinnelijk leger in het land van hun dromen was geweest, de belofte van haremvrouwen en fortuin, een rechtvaardige beloning voor de moed van een strijdvaardig volk, was in zijn ogen niets anders geweest dan het bordkartonnen decor in een theater.’
Dát verklapte hij niet aan zijn jonge dorpsgenoten. Hij wist alleen dat hij zijn hoofd koel moest houden wilde hij het bedrog met bedrog kunnen bestrijden. Dat lukt hem wonderwel. Met enkele zorgvuldig door hem uitgekozen kameraden vormt hij een clubje dat vrachtwagens repareert, niet omdat hij monteur zou zijn maar omdat hij thuis goed gekeken heeft. Wat hij wil, kan hij, zo’n man was de vader. In gevangenschap, waar ze door de Fransen ongenadig te grazen worden genomen, wordt hij bakker; niet een gewone bakker, maar een die de broden in knopen legt die hij van de vader van zijn moeder, de zeeman Mondo, heeft afgekeken. Midden in de woestijn en de verloren oorlog weet hij er het beste van te maken en tot zo ver heeft het verhaal de aantrekkelijke kanten van een schelmenroman.
De hoofdpersoon, de vader, is echter meer dan een schelm, al was het maar dat hij bij al z’n kunstjes en charlatanerie weet waarom hij een rol speelt. Hij weet dat de echo van de salvo’s grote woorden waarmee ze in Italië gebombardeerd werden voordat ze ten oorlog trokken, in de woestijn bestaat uit salvo’s van echte kanonnen. Midden in zo’n bombardement klimt hij uit de krater om dat apocalyptische tafereel te bekijken, niet uit doodsverachting of heldenmoed, maar ‘omdat er, zoals hij ooit tegen me zei, in ons leven altijd een moment komt waarop het verstand wegvalt, waarop er geen angst of berekening meer bestaat, maar alleen de drang om te weten of te zien.’ Om die drang gaat het en nieuwsgierigheid is daar een te ordinair woord voor; het is de wil tot weten en vooral om niet zomaar slachtoffer te zijn. Ook de zoon begrijpt dat, zoals blijkt uit een opmerking verderop: ‘Op dat moment begreep ik uit zijn woorden en gebaren de onverzettelijkheid van verdriet, de onverschrokkenheid van iemand die in zijn eentje de oceaan trotseert, in windstilte en noodweer, duisternis of licht, de oceaan van de blakerende zon, van het verschroeiende zout. Van iemand die geen oceaanstomers of vrachtschepen ter beschikking heeft, maar alleen het schuitje van het besef dat er niets anders op zit.’
Zo’n besef kan tot lijdzaamheid leiden, maar ook, zoals in het geval van deze man, tot een verhoogde staat van creatieve paraatheid. Om het met een gemeenplaats te zeggen die hier op z’n plaats is: in dit verhaal wordt een man geportretteerd die van elke situatie, hoe neerdrukkend ook, iets probeert te maken – en dat werkt kennelijk aanstekelijk.
Maar nu de zoon, hem even identificerend met de schrijver die het boek opdroeg aan de verhalen die zijn vader hem niet had verteld. Dan treedt de tweede betekenis van ‘opdracht’ in werking: de zoon neemt zich voor die verhalen alsnog te vertellen; hij wordt op zijn beurt de magiër die gedachten kan lezen en voelt wat anderen van binnen beweegt. Dit alles had zo’n vader zullen kunnen vertellen: of zoiets in de verleden toekomstige tijd. Het woord ‘vader’ is eigenlijk al nauwelijks op z’n plaats voor iemand die niet alleen precies wist te vertellen hoe goed het toeven was in de baarmoeder, die hij liever niet verlaten had, maar die zich ook nog kon herinneren hoe zijn moeder zich liefdevol verenigde met de aannemer die haar ontmaagdde en voor haar en de zoon een klein sprookjeshuisje zou bouwen.
Of heeft de zoon – de verteller – al die verhalen voor een deel van horen zeggen, voor een nog groter deel van inleving, want tot in de geheimste nissen kent hij zijn vader van binnen en van buiten, vooral uit de tijd dat hij ver weg in Afrika rondstapte, lang voor de geboorte van de verteller. Bijna in het hele boek is de vader nog alleen maar toekomstige vader. Later heeft de zoon hem vergezeld in de vrachtwagen waarmee de man door het land trok om van alles te verkopen, nog steeds in staat iedereen voor zich in te nemen en als het te pas kwam te misleiden. En de vader maar vertellen, zegt hij, hoewel hij zijn verhalen nooit afmaakte of ze bij het eind begon – even grillig als hij geleefd had; de verhalen waren ook nooit dezelfde.
Zolang de illusie duurt, twijfelt ook de lezer er geen moment aan dat de vader het allemaal zo verteld heeft. Tot het vertellen een heel andere functie krijgt. De verteller blijkt aan een kunstlong te liggen en als het erom gaat het leven van de zoon te rekken vertelt de vader eindelijk het verhaal over Aisha, haar Berberse ogen, die hem zo geraakt hadden dat hij zelfs zijn leven ervoor op het spel zette.
Op een gegeven moment werden de Italiaanse krijgsgevangenen door de Fransen aan de hoogstbiedende verkocht. De toekomstige vader werd in Marokko lijfeigene van een Fransman, eigenaar van een houtzagerij. Door een raam ziet hij een keer dat stel blauwe ogen en hij rust niet voordat hij het huis van de tiran is binnengedrongen, waar het meisje aan diens bed blijkt te zijn vastgebonden. Wat dan volgt is weer je reinste schelmenroman: hij bevrijdt haar, vlucht, wordt gepakt en gruwelijk met schorpioenen gemarteld. Dat alles doorstaat hij en ten derde male bevrijdt hij het meisje. Eenmaal buiten zet zij het op een lopen en het enige dat hij van haar te weten komt is haar naam die ze hem toeroept, Aisha. Niet haar verdwijning is de grote wending in het leven van de vader, maar de moord die hij voor haar gepleegd heeft, omdat hij beseft dat hij, die omstandigheden altijd met spelletjes en verhalen naar zijn hand heeft weten te zetten, voor het eerst bezweken is voor de druk van de omstandigheden. Hij rende het meisje niet achterna om haar tegen te houden, maar om zelf ook weg te vluchten.
Een boek boordevol verhalen; een paar parallelle verhalen over de broers van de moeder van de vader dienen om het unieke aan de illusionist in perspectief te zetten. Van Ugo Riccarelli (1954) werd eerder de fantastische roman Gedroomde tijd vertaald; jammer genoeg niet ook een van zijn eerste boeken, Een man die misschien Schulz heette uit 1998, het levensverhaal in romanvorm van de Poolse schrijver Bruno Schulz – en wie diens werk kent weet dat de hoofdpersoon daarin een vader is die met zijn fantasietalent gerust een voorvader van de vader in Een zee van niets genoemd mag worden.

UGO RICCARELLI
EEN ZEE VAN NIETS
Uit het Italiaans (Un mare di nulla, 2006) vertaald door Els van der Pluijm
De Arbeiderspers, 189 blz., € 18,95