Zo nabij en toch zo ver

Wordt Bachs muziek er beter van als we Bach: Zijn meesterwerken en muzikale universum lezen? Je vraagt je het bij elke zin af.

Johann Sebastian Bach kon gewoon alles tien keer beter © Berlinda van Dam / ANP

Driehonderd jaar geleden liep in Duitsland een muziekgod rond. Haast alles wat hij schreef was voor de eeuwigheid; om de Matthäus en de Air uit zijn Derde orkestsuite wenen miljoenen nóg. Al bijna tweehonderd jaar, het duurde even voor Mendelssohn Bach in 1829 met een uitvoering van de Matthäus uit de mottenballen haalde, vragen bewonderaars zich verbijsterd af hoe één sterveling voor altijd alles zeggen kon.

Er is geen andere verklaring dan het nietszeggende ‘genie’. J.S. Bach (1685-1750) kon gewoon alles tien keer beter. Ruimtelijk denken in complexe, gelaagde patronen. Echte melodieën vinden, hevige emoties oproepen. Het gevoel vloeren met het verblindende verstand dat in de canons en de fuga’s van zijn Kunst der Fuge met demonische exactheid zelf een expressieve factor wordt.

De fascinatie met genie is als de nieuwsgierigheid van de vrouw in Perraults Blauwbaard-sprookje: je wilt toch weten wat er achter die verboden deur zit. Die gaat bij Bach niet open. Je kunt zijn raadselcanons oplossen met het vernuft dat ze creëerde, maar er zit geen kijkgat naar de geest die de koraalvoorspelen bwv 652 en 668 voortbracht. Daar stroomt een magische beek in een akoestisch sprookje. Het water kleurt goud, purper en smaragd. Prachtige vissen steken hun kopjes uit het water, waarna ze weer verdwijnen in de diepte. Het licht wordt donker en het donker licht. Een Hölderlin met noten orgelt alle stemmen. De onvoorstelbare verbeeldingskracht doet pijn; zo nabij en toch zo ver. Terwijl Bach mij en miljoenen anderen fysiek en psychisch nader staat dan wie dan ook, heb ik nooit een zinnig woord over zijn werking kunnen zeggen.

De lof voor het kunnen tettert het vertrouwde, radeloze lied

Christoph Wolff geldt als Bach-onderzoeker van wereldklasse. Aan zijn publicaties over de ontstaansgeschiedenis van Die Kunst der Fuge heb ik als co-geobsedeerde iets gehad. In de exegese van de noten is hij net zo’n hulpeloze fanboy als wij allemaal.

Dat wordt de achilleshiel van zijn laatste boek Bach’s Musical Universe: The Composer and His Work, een jaar na verschijning in het Nederlands vertaald, wat getuige te veel slordigheden niet van harte ging. Wolff ziet zijn boek als postscriptum bij zijn Bach-biografie van 2000. Het wil een ‘onafhankelijke metastudie’ zijn naar ‘enkele cruciale en overkoepelende projecten’ uit Bachs leven. Doel is ‘een scherper beeld te krijgen van Bachs gedurig onderzoekende muzikale geest die in staat was tot een verbijsterende stroom van meesterwerken’. Vertrekpunt is de Bach-necrologie die Bachs zoon Carl Philipp Emanuel en Bachs leerling Agricola in 1750 samenstelden. Volgens Wolff kunnen Agricola’s bespiegelingen over het oeuvre en Carls overzichtscatalogus van Bachs werken, gebaseerd op de ‘min of meer systematische orde’ waarin hij ze in zijn vaders werkkamer aantrof, dieper inzicht verschaffen in zowel Bachs esthetica als het gewicht dat Bach door middel van systematische groepering aan zijn respectievelijke werken toekende. Voor Wolff is Carls catalogus als echo van Bachs rangorde ‘een muzikale biografie die illustreert hoezeer de componist zich ontwikkelde, gestaag zijn reikwijdte vergrootte en ook voortdurend nieuwe ambities voor zichzelf definieerde’.

Zo dicteert het werkoverzicht Wolffs analytische reis van de klavierwerken via de 41 koraalcantates van 1724/25, de passies en koraalvoorspelen naar de late, grote, monumentale kunststukken: Goldberg-variaties, Musikalisches Opfer, Hohe Messe, Kunst der Fuge. Voor echte wetenschap over hun wording moet je hier zijn, als je de taaie stijl verdraagt. Maar het beste hoofdstuk is het eerste. Het duidt doortastend de betekenis van een canon die Bach op Haussmanns beroemde olieverfportret van 1748 in zijn hand houdt. Wat een pretentieloos schetsje lijkt is acrobatisch contrapuntisch kunnen. Voor wie kan lezen en ontcijferen wat er staat, is dit Bachs Canon triplex a 6 voc. bwv 1076, een ‘eeuwigdurende drievoudige canon voor zes stemmen’. Je ziet pas wat het is als je het notenbeeld zowel door Bachs ogen leest als ondersteboven via het oog van de kijker. Wolff: ‘Wanneer alle drie de genoteerde stemmen en hun respectievelijke gespiegelde versies boven elkaar worden geplaatst, ontstaat een perfecte harmonieuze setting in viervoudig contrapunt.’ Dit is volgens hem hoe Bach zich aan de wereld wilde tonen, de meester van een ‘geleerde meerstemmigheid’ die Agricola in overkoepelende zin betitelt als ‘Vollstimmigkeit’, alomvattende polyfonie. Met zijn ongeëvenaarde kennis laat Wolff zien hoe die ambitie piekt bij de verbijsterende denkstunts van de Kunst der Fuge. Maar wat zullen we er vervolgens eens van zeggen? Representatief voor het prijzen is de zinsnede op pagina 171 over de Clavier-Übung, Bachs vierdelige bundeling van maar een deel van zijn belangrijkste klaviermuziek, van de zes Partita’s in deel 1 tot de Goldberg-variaties van het vierde: ‘Het biedt een duizelingwekkend palet dat loopt vanaf een weloverwogen keuze van klavierrepertoire dat representatief was voor Bachs tijd tot grensverleggende muziek van het allerhoogste niveau wat betreft compositorisch vernuft en originaliteit in de uiteenlopende genres die zijn opgenomen in dit grootse project.’ Jaja. Deze over de koraalcantates is gieren: ‘Bovenal echter bood het project Bach de gelegenheid om te doen wat hij het liefste deed; het bedenken en schrijven van uitzonderlijk expressieve en evocatieve muziek – en daarbij ook nog de Heer dienen.’ De lof voor het kunnen tettert het vertrouwde, radeloze lied.

Zo lees je dit boek. Bij elke zin vraag je je af: wordt de muziek er beter en begrijpelijker van, wordt het genot bevorderd? Vast. Maar hoor dan zo’n koraalvoorspel en weet: we weten niets en zullen het nooit weten. Speel, luister, zwijg.