Zo oud als je schaduw

Pamela Koevoets, Schaduwboksen. Verhalen, Uitgeverij De Bezige Bij, 163 blz., f32,50
IN HET VERHAAL ‘De aardappel’ zit Syl, een vrouw van vijftig jaar, in een cafe. Tegenover haar aan het tafeltje fluistert een veel jongere man haar het een en ander aan sweet nothings toe, die de verbale voortzetting en bevestiging vormen van een gloeiende verliefdheid die de twee voor elkaar koesteren. Doordat ze zich zeer bewust is van haar leeftijd voelt Syl zich des te gelukkiger nu ze kan kijken in ‘die lichtjes in Bo’s ogen die haar het gevoel gaven in dat warme bad te zitten, een uitverkorene, en (toen) kon ze het jonge gezicht tegenover haar wel in haar handen nemen, het in haar boezem begraven.’

Bo vraagt ongeduldig aan Syl of er nog iets gedaan gaat worden, vandaag. Terwijl Syl Bo’s been tegen het hare voelt wrijven, terwijl zijn hand de warmte van haar schoot zoekt, dwaalt haar blik traag naar buiten, naar de straat, naar de stad achter de ruiten. Daar, op de tramhalte, staat een oude man. Plotseling werpt hij zijn hoofd in zijn nek, misschien om ergens naar te kijken, waardoor zijn hoed op de grond valt. Terwijl de man zich moeizaam bukt, rolt de hoed in de richting van de tramrails. Aan het zoemen van het staal is duidelijk te horen dat de tram snel nadert.
Met jeugdige vitaliteit herhaalt Bo zijn vraag: ‘Doen we nog wat, wat doen we? Ze hoorde Bo, zeker ze hoorde hem, maar op dat moment keek ze dwars door de uitdaging, dwars door het bod op genot heen naar die eenzame oude dag en dat onherroepelijke en even eenzame einde.’
ZIEHIER een belangrijk thema van Schaduwboksen, een nieuwe bundel verhalen van Pamela Koevoets. Zoals Syl daar aan dat tafeltje tegelijkertijd deelneemt aan twee werelden, die van de ouderdom en die van de jeugd, zo leven veel personages in de zeven verhalen ofwel op de grens van twee domeinen, ofwel in beide op hetzelfde moment. Syl is nog veel te jong om al oud te zijn, en al te oud om nog jong te kunnen blijven.
De dag dat zij met haar jongere minnaar in het cafe zit is de verjaardag van haar vader, een man van vijfentachtig die haar alle aspecten van de ouderdom laat zien. Voor hem blijft Syl de dochter, het 'kindje’, maar voor haar personifieert haar vader de onvermijdelijke neergang, het dichter- en dichterbij komen van de dood, als een razende tram die niet valt te ontwijken. Misschien dat ze daarom probeert zich zo vol te zuigen met Bo’s jeugd als ze net haar vader aan de telefoon heeft gehad. Terwijl haar vader telkens weer bevestigt dat het grootste deel van haar tijd op aarde al achter de rug is, vormt Bo haar band met het leven, de lente, de jeugd, het nu… 'Heimwee was hij, besefte ze diep in haar bonzend hart. Heimwee naar de tijd dat ook zij, even losjes als hij, op zoek was naar de ander, een ander, de tijd dat ook zij het voor het kiezen had, kon experimenteren, fantaseren. Zomaar.’
Ouder worden in een wereld waar alleen jong-zijn werkelijk telt, kan vervelend zijn, of verwarrend. Maar degene die de uitspraak van 'de dikke filmer’ ter harte neemt hoeft niet direct met een permanentje en in een bloemetjesjurk achter de begonia’s te gaan zitten kniezen: 'Over vijf jaar ben je pas echt een schoonheid, zus. Rijp als een camembert, oke?’ Om te vervolgen: 'Leven trut!’
De dikke filmer (met de blauwste ogen van het land) spreekt die bemoedigende woorden tegen Juultje, een ander alter ego van Pamela Koevoets. In 'Strand’ trotseert Juultje met de gezette regisseur de hitte door een heeresmaesk tochtje te maken naar de kust, waar het tweetal in snedige, niet al te diepzinni ge dialogen de kunst, het leven en opnieuw het ouder worden de revue laat passeren. Koevoets weet in dit verhaal op een knappe manier een spanning te creeren tussen een alledaags realisme a la de jaren zeventig, waarin het verblijf aan het strand wordt beschreven, en een fijnzinniger, sierlijker stijl waarmee de herinnering wordt opgeroepen aan een vroegere geliefde die zichzelf van het leven beroofde. Door het contrast tussen het rauwe en slogan-achtige van de dikke filmer, en het reflexieve, poetische van Juultjes evocatie van een voorbije liefde, is 'Strand’ een rijk verhaal, veel rijker dan een oppervlakkige lezing doet vermoeden.
{ ZOALS DE JEUGD en de ouderdom, de dood en het leven, het heden en het verleden, het gewone en het extravagante voortdurend tegelijkertijd aanwezig zijn in Schaduwboksen, zo put Pamela Koevoets ook stilistisch uit meer dan een reservoir. Misschien wel het mooiste verhaal uit de bundel is het korte 'Eefjes rouw’, waarin een moeder met een schok - en natuurlijk veel te laat - inziet op welke manier haar dochter de ziekte en het sterven van een man die zij beiden liefhadden, heeft doorgemaakt. Ergens in het rouwproces van de moeder gaat de tijd als het ware open en toont haar het recente verleden van haar dochter.
'Je moet het een keer horen. Opeens was het midden op die donderdag, stroomde het licht de keuken binnen. Opeens ook kon ik terugkijken in de tijd, ook dat.
Maandenlang had ze niet gerolschaatst. Was ze op kousevoeten door het huis gegaan, had ze zich onzichtbaar gemaakt tussen het hevig verstopte verdriet van de volwassenen. Van haar beetje zakgeld had ze bloemetjes gekocht voor de zieke en deze naast hem neergezet op gestolen momenten. Wij, volwassenen, hadden het niet gezien, erom geglimlacht of het gewoon gevonden. Vergaten toen weer en zetten maar weer eens koffie. Kinderen, wat kunnen ze begrijpen? Misschien wilden we hen wel sparen dat we over hun hoofden heen praatten. Welke fase dokters, leg nog eens uit.’
'Eefjes rouw’ blinkt uit door een ingehouden emotie en een mooie, sobere stijl, waarmee Koevoets zo veel meer weet los te maken en op te roepen dan met de bijna barokke manier van schrijven die ze in het openingsverhaal 'De vriend’ hanteert. Daar schiet ze te ver door in haar wens intens te stileren, wat leidt tot zinnen die moeilijk leesbaar en soms gewoon lelijk zijn. 'De vriend’ zou als een experiment kunnen worden beschouwd, en experimenten mogen mislukken.
Gelukkig weet Pamela Koevoets in de andere zes verhalen een hoop recht te zetten. De ene keer slaagt ze beter dan de andere, maar het eindresultaat is een verhalenbundel waarin weliswaar plaatselijk af en toe iets misgaat, maar die over het algemeen laat zien dat het echte Koevoets-proza scherp, spannend en oogstrelend kan zijn, met name daar waar de soberheid mag prevaleren boven de opsmuk.
ZOALS DE schaduwbokser een echt gevecht levert, dat hij echter nooit kan winnen omdat hij zijn eigen opponent is, zo weten de mensen in deze bundel van zichzelf wel dat ze ergens naar op zoek zijn, maar beseffen ze tegelijkertijd dat het nooit zal worden gevonden. Want als het Nu bewust wordt beleefd, is het alweer Toen. En als je de dingen benoemt, verstenen ze. De vertelster in 'La vida suena’ noteert:
'Wat ik zoek, wat ik precies zoek, weet ik niet, alleen dat het iets volledigs is; iets puurs dat zich plotseling in momenten openbaart en dan even plotseling heimwee wordt. Heeft het een naam, een voorwaarde? Daar tussen hen in het grote huis was er alleen het heimwee. Op den duur glimlachte ik alleen nog maar met mijn mond. Het maakt triest. Liever was ik onzichtbaar als de oude meid Maria of de boeren uit de omtrek, zo gewoon als een struik of als de stenen die bij het ploegen omhoog komen. Wie wil er een struik bezitten, een steen bezitten? Maria bezat niets, zelfs de goede God niet, al was ze gelovig. God bezitten is Hem afvallen.’
De personages in Schaduwboksen paren een vriendelijk soort nadenkendheid aan een innemend opportunisme, en weten gezamenlijk, als een conglomeraat alter ego’s, de thematiek van het ouder worden (met behoud van jeugdigheid) een intelligente en fascinerende invulling te geven, onder meer doordat met het toenemen van de leeftijd hun drang om te leven, te onderzoeken en te ervaren niet in kracht afneemt maar juist sterker wordt. De beschrijving daarvan kunnen ze rustig aan Pamela Koevoets overlaten.