Zo slecht geschreven dat het leerzaam is

Mooie interviews in de grote kranten en op de televisie hadden me benieuwd gemaakt naar het boek van Bettina Stangneth. Toen ik me er helemaal doorheen had geworsteld, las ik in De Groene de kritische bespreking van Hans Achterhuis. Achterhuis is een gewetensvol filosoof, die het succes van Stangneth een raadsel noemt.

Misschien is het raadsel minder groot dan het lijkt. Misschien hebben de vele kopers die het boek gezamenlijk de top-tien in hebben geloodst zich net zo geërgerd als ik. Een boek kopen wijst niet op enthousiasme maar op hoge verwachtingen. De teleurstelling die een boek veroorzaakt, wordt in de top-tien niet weergegeven. Ik had gehoopt op interessant materiaal over de nationaal-socialist Heidegger, maar het boek gaat vooral over Kant en Arendt, en die lees ik het liefst zonder hulp van buitenaf.

Het kwade denken van Stangneth is zo slecht geschreven dat het leerzaam is. Als schrijfcursus: welke fouten moet je niet maken. Ik heb het in één ruk uitgelezen. Het is een monument van ondoorgrondelijk taalgebruik. Ik ben het dan ook eens met de recensent van Die Welt die wordt aangehaald op het omslag: ‘Filosofe Stangneth schreef misschien wel het belangrijkste boek van het jaar.’

Dit is een typische Stangneth-zin: ‘Het lijkt erop dat er niet alleen mensen bestaan die kennis niet willen aanvaarden wanneer die niet met hun verlangens strookt, maar dat er ook sprake is van hele tijdperken die een inzicht negeren wanneer dat totaal niet aansluit op de dan heersende algemene stemming, op wat Kant “hun hart” heeft genoemd.’ Vijf ontkenningen achter elkaar! Zo virtuoos kom je het niet vaak tegen.

Sla er willekeurig welk stijlboek op na, en je leest dat je moet uitkijken met ontkenningen. En helemaal met dubbele ontkenningen. Als iemand schrijft ‘er stond niet één fiets in het fietsenrek’, dan zie ik eerst een fietsenrek waar wél een fiets in staat. Vervolgens moet ik me bewust worden wat de schrijver bedoelt: dat er juist geen fiets in dat rek staat. En pas dan stel ik me het fietsenrek leeg voor. Maar die ene fiets die er niet staat, blijft doorzeuren in het onheldere beeld dat is ontstaan.

Stel je nu voor dat de onhandige schrijver noteert: ‘Ik zeg niet dat er geen fiets in het fietsenrek stond.’ Hoeveel tijd kost het om deze zin te begrijpen? En hoe duidelijk is het beeld dat deze zin oproept? Of: ‘Ik wil niet ontkennen dat ik nooit hebt gezegd dat er geen fiets in het fietsenrek stond.’ Grammaticaal niks aan de hand, maar het is wartaal.

Is iemand die zo schrijft uit op communicatie? Of gaat het om iets anders? Is het onbenullig als je zo’n zin niet begrijpt? Of ben je te lui als je hem niet overleest en overleest tot je er een beetje vat op krijgt? Mij geeft de opsomming van vijf ontkenningen vooral het gevoel dat de schrijfster zich verdedigt, onduidelijk waartegen. Heeft er ooit iemand het vijf maal omgekeerde beweerd? Het kwade denken bracht me in de positie van de aanvaller, simpelweg door het te lezen. En ik was er alleen maar aan begonnen omdat ik dacht dat het interessant zou zijn!

– Het lijkt erop dat er niet alleen mensen bestaan die kennis niet willen aanvaarden wanneer die niet met hun verlangens strookt.
– Hoezo, heb ik dat dan beweerd?

En dan dat akelige wereldbeeld: ‘Mannen als Kant dachten zelfs op hun somberste momenten nog niet aan flegmatieke bankhangers met een behoorlijk diploma die zich al amper kunnen motiveren om op te staan ten einde de afstandbediening te pakken, of aan ontwikkelde burgers die bij een vernissage vooral belangstelling hebben voor het buffet en de wijnen die geschonken worden.’

Misschien is het een voorbeeld van de humor die de Frankfurter Allgemeine Zeitung bij Stangneth signaleert, maar ik zit meteen vol vragen. Zou het Kant echt verrassen als hij een vermoeide intellectueel op een bank de afstandbediening ziet pakken? Zou Kant zelf bij een vernissage geen glas wijn en een bitterbal pakken voordat hij het opgehangen werk ging bekijken? Het is een uur of vijf in de middag, hij is een ontwikkelde burger, hij heeft wel al wat gezien in zijn leven, en nu heeft hij trek. Hoe komt Stangneth aan dit beeld? Heeft ze die luie intellectueel met zijn diploma op de bank zien zitten? Waar was ze dan zelf op dat moment? Hoe ziet ze die ontwikkelde burgers op de vernissages als ze zelf alleen vol overgave naar de opgehangen kunst staat te kijken?

In het dankwoord prijst de schrijfster zich gelukkig met de Nederlandse uitgave. De uitgever bezorgde haar ‘het beste team dat een auteur zich kan wensen’. Dit droomteam heeft me deze zin laten lezen:

‘Dat niettemin niemand dit verschijnsel stelselmatig heeft bestudeerd, laat zich niet in de laatste plaats verklaren door het feit dat de volgende twee zaken elkaar uitsluiten: we kunnen hoe dan ook niet voor de eerste keer de blik richten op in hoeverre de omstandigheden van betekenis zijn voor ons handelen, waarmee we ook begrip voor daders en hun daden creëren, en tegelijkertijd het feit veroordelen dat elke poging tot inzicht daarin als excuus kan dienen voor degenen die niet zonder reden denken profijt te kunnen trekken van de nieuwsgierigheid van hun medemens.’