Garagebedrijf K. van Amersfoort en zn. BV, 1 februari 1912

«Zo snel raak je in de vergetelheid»

«Als het een probleem is wat al maanden sluimerde en waar niemand uit kon komen. Dat je een daggie met zo’n auto doktert en dan denkt: ik heb het gevonden. Tegen de klant zeggen: nou, voor negentig procent heb ik het, maar ik hou hem nog één dag. Dat je de dag daarop even rijdt en zegt van: en nou is hij honderd procent. Dát geeft een kick.»

Midden in Laren staat een garage. Niet een van BMW, van Audi, Mercedes of Alfa Romeo. Ook niet van Porsche, van Volvo, van Rover of van Saab. Het is een beetje een oude garage in een nogal uitgeleefd pand. Het dak telt wel 33 gaten.

In de vorige eeuw was het hier de gemeenschap die werd gediend: met brandweer, ziekenvervoer, taxi en benzinepomp. Dit was het eerste autobedrijf van Laren. Maar de nouveau-riche-madammen, die ooit zelf in het straatbeeld detoneerden, hebben klaargespeeld wat boeren, wevers, door het Noorden getemde katholieken, schrijvers, kunstenaars en keurige families niet is gelukt. In dit heden domineren zij het dorp en is het juist de oude garage die uit de toon valt tussen de glitter en glamour die van de stoepen af tuimelt en langs de straten de goten in loopt.

«Dat heb ik een keer gezien, dat ze met de auto bij de Blokker stopten, daar boodschappen deden en tweehonderd meter verder reden om bij het Kruidvat weer te stoppen. Ze willen het liefst mét de auto de winkel in rijden. Allemaal salon-fourwheeldrives. En er is er geen een waar zelfs maar voor de grap mee terrein wordt gereden. Dikke vette dingen. Auto’s van drie, vier ton zie je hier. Zeker als het mooi weer is, komen de duurste cabrio’s vanuit alle hoeken en gaten.

Waar wij oer-Laarders zeggen: als je boodschappen in het dorp doet, dan ga je lopend of met de fiets, gaan zij met zo’n SUV ’s ochtends om tien uur. Eén vrachtwagen die staat te laden en de file is zo lang dat niemand de straat meer uitkomt.»

Koen van Amersfoort knikt richting buiten.

«Ja, de bevolking is sterk veranderd hier. Niks dan goeds hoor, dat die mensen hier hun geld komen uitgeven. Maar je ziet het ook aan het wagenpark: een afspiegeling van de P.C. Hooftstraat in Amsterdam.»

Niet de klanten van Autobedrijf K. van Amersfoort en zn. BV.

«Met eerst Toyota en toen Nissan, Suzuki en Daihatsu had je dus eigenlijk niet het merk dat bij hun status aansloot. Want dan kom je in een BMW X4 en in een Mercedes ML. Of een Lexus. Daar voldeden wij qua status met Suzuki Vitara niet aan.»

Vaak zegt Koen van Amersfoort geen ik maar je.

«Als je hier zo’n Hummer door het dorp ziet rijden: dat slaat natuurlijk nergens op, een auto van honderdduizend euro.»

Maar soms wordt het toch ik.

«Ik vind het technisch mooi, hoor. En ik vind het ook schitterend als ik een Ferrari door het dorp zie rijden. Ik ben in de gelukkige omstandigheid geweest dat ik zelf drie keer in zo’n auto heb kunnen rijden. Toen ik vijftig werd, hadden ze er een voor me gestrikt. Stond er een vent met een gloednieuwe Ferrari die zegt: ik heb een rammeltje, ga maar rijden. Hij zegt: ik ga wél mee. Nou, dat is echt onvoorstelbaar, dat er auto’s zijn met zo’n ontzettende hoeveelheid vermogen en met zoveel remkracht, met een souplesse dat je gewoon honderd in z’n zes kan rijden, maar je kunt ook negentig in z’n één rijden. Dat is waanzinnig als je dat een keer meegemaakt hebt. Maar praktisch is het niet.»

Welkom in Laren, een van de rijkste gemeenten van Nederland. Op weg naar crèche of kapsalon drijven moeders hier met hun zware jeeps de verkeersdrempels het wegdek weer in. Zijn ze jong? Zijn ze oud? Met hun leeftijdsloze gezichten zouden ze zo goed als 25 ook 45 kunnen wezen. Moeders te jong, dochters te oud; ze hebben de hoofden waar de tv-kijker van houdt. Zelfs de blonde jongens met zorgvuldig uitgegroeide kapsels en hun vaders in oudroze weekendbroeken hebben iets weg van Gooisch meisje, de bitch die vorige eeuw Zeeuwsch meisje versloeg en het schopte tot nieuw Neêrlands rolmodel.

In de garage is het een beetje viezig van vrijgekomen stof en ontsnapte troep. Alleen de koffietafel is nog zoals die hoort in de ruwe omgeving van een echte garage: Telegraaf, plastic bekertjes, foldertjes en ergens de suikerklontjes. Buiten staat al een volle container. Zaak gesloten. Per 30 november 2005. De man die binnen aan het uitmesten is, heeft zijn klanten een brief geschreven. In koele formuleringen houdt deze een klein historisch drama omsloten.

«Op 1 februari 1912 opende mijn grootvader, Koen van Amersfoort de deuren van zijn rijwielhandel… waar 3 generaties Koenen voor hun klanten hebben klaargestaan… zijn er inmiddels grote autodealers ontstaan… het ontbreken van opvolging… bovenstaand is nu dus definitief… een einde gekomen aan 93 jaar autogeschiedenis onder onze naam.»

Het autobedrijf dat overging van Koen van Amersfoort op Koen van Amersfoort op Koen van Amersfoort is na drie generaties ten einde. Is dat erg? Het is dubbel, zegt Koen. Als zestigjarige garagehouder is hij nou niet bepaald de persoon die gaat snotteren. Maar hij moet eerlijk blijven.

«Zeker nu in de opruimingsfase loop ik toch wel tegen emoties op. Dat ik denk van godverdorie jongens, nou is de historie écht aan z’n end. Maar dat heeft misschien ook te maken met je leven, want je doet dít voor het laatst en je doet dát voor het laatst. Je sluit weer een periode in je leven af.»

Het dubbele is dat ook die andere start lonkt: hij gaat in het bedrijf van zijn schoonzoon, een hartstikke nieuw en prachtig autobedrijf te Huizen. Want geraniums vindt hij geen mooie planten om achter te zitten. Dit keer gaat hij wel zijn eigen uren bepalen. De echte Laarders neemt hij mee. Oudere klanten vaak, die zevenhonderd kilometer per jaar rijden en nog nooit bij een andere garage zijn geweest. Waar moeten die anders naartoe voor het lampje en zo?

«We hadden klanten, die reden een Van Amersfoort. En of dat nou op een goed moment Toyota, Nissan of Suzuki was, die mensen wilden een Van Amersfoort-auto. Als ik een Lada-dealer was geworden, hadden ze een Lada van me gekocht. Pas het maar af aan je tandarts: je gaat het liefst naar je eigen tandarts en je gaat het liefst naar je eigen dokter.»

Maar het moet ook zonder die emoties benaderd worden, zegt Koen. Heeft hij van zijn neef geleerd. Die stopte een autobedrijf in Zeist, ook een Van Amersfoort, en dat was zelfs al honderd jaar oud. Liep hij zes maanden later door Zeist, nou: tachtig procent van de mensen die neef tegen het lijf liep, kende hem niet meer.

«Zo snel raak je in de vergetelheid.»

In 1945 is hij boven de zaak geboren, net als zijn vader in 1914. Schoolvakanties bracht hij achter de benzinepomp door. Na de mulo ging het naar de autoschool in Apeldoorn. Slapen in een kosthuis tegen kost en inwoning: 65 gulden in de maand. Daarna de garage in. Zijn grootvader, die is gestorven in 1984, was toen tegen de zeventig maar liep nog rond voor hand- en spandiensten: een klant wegbrengen, onderdelen halen – de dingen die gebeuren moesten. Zo zou ook zijn eigen vader doen tot die dertien jaar geleden doodging: de dooie uurtjes bij de benzinepomp, auto’s die klaar waren wegbrengen. Al dat soort grappen, zegt Koen.

«Mijn grootvader was in 1912 begonnen als rijwielhandelaar. Het was toen de hoogtij van het weversgebeuren hier. Tapijtweverijen en agrariërs. De eerste auto’s waren een bezienswaardigheid. De mensen die erin reden, waren de notabelen. De notaris, de dokter en de advocaat – dat soort mensen. Die begà-ven zich in een auto door het dorp. En later de kunstenaars, opa had er veel als klant.

Lekke banden waren gigantisch vaak aan de orde. Ja, en waar kon je dan het beste naartoe? De fietsenmaker, mijn grootvader. Als dat wagenpark dan gaat groeien, ontstaat ook de behoefte aan brandstof voor zo’n auto. Ik denk dat hij toch rond 1920 al begonnen is met de verkoop van benzine. Dat ging met handpompen: een bovengrondse pomp met een heel groot vulglas en een pomphendel. Dan zei de klant: ik wil vijf liter, en stond je daar te zwengelen tot dat glas vol zat met vijf liter, vervolgens ging de slang in de tank en werd zo’n auto gevuld.»

Bij meer mensen ontstond de behoefte zich in een auto te laten vervoeren. Er werden taxi’s in het leven geroepen. En niet te vergeten: de brandweer.

«De brandweer stond ook bij opa gestald. Omdat het ook weer zo’n auto was met wielen. Hij was Opperpompmeester. In de keuken hing een hele grote bel en als d’r brand was, dan klingelde die volgens een bepaalde code en konden ze in een boekje kijken. Klingelde hij acht keer, dan keken ze in het boek bij acht keer en dat was dan Engweg. De leden van de vrijwillige brandweer die dicht om ons heen woonden, kwamen naar de auto toe en de rest ging op de fiets naar de brand. Dat heeft tientallen jaren geduurd. Tot ze een echte brandweerkazerne kregen. Al die jaren was opa de brandweerautobestuurder.»

Het was zo’n mooie open Fiat, zegt Koen, met van die koperen bellen. Terug te vinden in de boekjes van Annie M.G. Schmidt bij het brandweermannetje Pluk van de Petteflet.

De auto leverde nog meer nieuwe behoeften op. Er kwam een soort ziekenauto voor het Sint-Jans Ziekenhuis. Weer bij Van Amersfoort.

«Als ik met een grote servicebeurt bezig was, de telefoon ging en het was een ongeluk, dan moest ik meteen handen wassen en een witte jas aan. We hadden samen met een aantal EHBO’ers wat aanvullende cursussen gevolgd – beademing en dat soort grappen. Maar goed, dat ging toch echt op vrijwillige basis. Het betekende dat je soms ’s nachts je bed uit moest. Dan werd je gebeld door een huisdokter van: Koen, ik heb hier iemand liggen met een blindedarm en die moet naar Sint-Jan met een beetje spoed, kom d’r maar an!»

In 1985 werd het ziekenvervoer gereorganiseerd. Een ziekenautobedrijf uit Amsterdam ging in Laren en het Gooi participeren. Zonder echte verplegers in dienst was het niet meer haalbaar voor Van Amersfoort. En toen was ook dat hoofdstuk afgesloten, zegt Koen.

Het rolde allemaal, het functioneerde, maar er was nooit iets veranderd toen deze Koen van Amersfoort de zaak in kwam. En een mens wil een keer nieuw leven inblazen. Een andere status voor het bedrijf.

«Ik», zegt Koen, «was natuurlijk de vernieuwende motor, hè. Omdat je net van school komt. Dan wil je dingen veranderen. Het was hier de hele dag sleutelen aan alle soorten vehikels. Oud en nieuw, rot en goed. Ik ging naar de profits kijken. Toen hebben we de taxi’s eruit gegooid en kwam ik erachter dat het eigenlijk wel leuk was om een dealerschap te verwerven.»

Hij koos voor het beginnende merk Toyota. Een risico, want er moest wel geïnvesteerd worden in onderdelen en showroom. Maar in Laren wist men amper die naam uit te spreken, To-yo-ta. Er waren klanten bang dat ze geen onderdelen zouden kunnen krijgen. En er waren mensen die absoluut niet in een Japanner wilden rijden vanwege de geschiedenis.

«Nou, dat eerste jaar hadden we een wereldomzet van wel twintig nieuwe auto’s. Het volgende jaar 26. En daarop werd het merk bekender en bleek het dat die Japanse auto’s heel erg nooit gebreken vertoonden.»

Het ging zo goed dat ook Toyota eisen gingen stellen en al gauw kwam er een quality-handboek. Waarin onder meer een routebeschrijving. Waar kantoor en toilet zich bevonden, werd voortaan op z’n toyotaans voorgeschreven. Alles in Toyota-kleuren, Toyota-letters.

«Dat zie je met al die winkels in de dorpen en in de steden ook. Het is zo’n uniformiteit dat het geen verrassing meer is. Loop je in Hilversum, in Bussum, in Amsterdam, Almere of Amersfoort: overal zie je Blokker en Kruidvat en de Trekpleister – wat dat betreft, moet ik zeggen, is Laren met die nieuwe winkels, die ik esthetisch heel mooi vind, wel weer een uitzondering.»

Maar in 1986 groeide Laren niet meer en moest het bedrijf van Toyota verhuizen naar groeikern Huizen. Misschien is het een kortzichtigheid geweest, zegt Koen, maar daar had hij dus geen zin in. «Ook al heb je zeventien jaar ervaring, dan word je dus gewoon aan de kant geschoven en moet alles wat Toyota eigen is, tot en met de lettertypes die aan de muur zitten, verwijderd worden. Je hebt geen binding meer. Klaar.»

En toch, bekent hij, heeft hij er een zwak voor Toyota’s aan overgehouden. Nissan, Suzuki en Daihatsu zijn nog gevolgd onder subdealerschap, maar ook die kwamen met dikke boeken vol eisen. Hoe en wanneer je een grote beurt moet uitvoeren. Hoeveel uren daar voor staan en hoeveel het dan moet kosten. De nadruk kwam meer te liggen op reparaties en occasions. En andere merken kocht hij voor zijn klanten bij bevriende dealers.

«De oude mensen gunden jou de levering van een auto. Maar als je met jonge mensen te maken hebt, die gaan gewoon rationeel shoppen. Daar waar ze het minste bij moeten leggen, kopen ze. Ik zie het aan mijn zoon, die zoekt een Puntootje voor z’n vrouw en gaat vervolgens shoppen op internet. Komt-ie terecht bij een Punto ergens in Zaandam en gaat gewoon eventjes naar Zaandam om zo’n auto te bekijken.»

Maar van de regels is hij nooit meer afgekomen. Er was altijd nog de overheid.

«Zo rond 1995 kwam de milieuambtenaar van de gemeente heel regelmatig binnen, ook omdat de deadline eraan kwam dat je als werkplaats een vloeistofdichte vloer moest hebben. Dan komen ze dus alles nakijken, hè. Waar je opslag zich bevindt van nieuwe olie, van oude olie, dat moet allemaal aan eisen voldoen. Het rare is, begin dit jaar kwam er een Bovag-mededeling dat vloeistofdichte vloeren niet meer vereist zijn. Het moet nu een vloeistofremmende vloer zijn. Maar dat is wel erg, want iedereen heeft een behoorlijke investering gedaan in die vloeistofdichte vloeren. Ik heb dus ook een afvalformulierenmap. Je moet laten zien waar je je oude banden laat, waar je je oude olie laat, chemisch afval en daaronder valt dan remolie, koelvloeistoffen – dat moet allemaal apart verzameld worden. De accu’s worden verzameld in een lekvrije bak en alles moet afgevoerd via de bestaande kanalen.»

Het lukt hem nog niet om consequent in de verleden tijd te blijven spreken.

Het zal ook nog wel even duren voor Koen van Amersfoort uit het ritme is van zes dagen per week van acht uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds werken. Eerlijkheidshalve moet hij bekennen dat hij niet altijd zijn vrije tijd goed heeft gepakt. Veel te vaak stond hij ’s avonds weer te werken. Maar hij doet het al beter. Terwijl de shoppers inmiddels met speciale weekendarrangementen in hotels rond Laren worden ondergebracht, gaat deze liefhebber twee keer per maand met de trein naar Amsterdam om jazz-cd’tjes te kopen.

«En naar het museum. Wat nu bij het Centraal staat, het tijdelijke Stedelijk Museum, daarna koffie drinken op elf hoog. Wat ik ook een heel mooi museum vind, heel klein, dat is museum Van Loon op de Keizersgracht.»

De avond van het interview belt hij op. Er is nog iets heel belangrijks dat hij wil toevoegen. Het is hem met name door één factor gelukt om een eigen bedrijf te voeren. Koen zegt: «Als middenstander kun je eigenlijk alleen functioneren door de medewerking van één iemand die altijd achter je staat. Dat is mijn vrouw.»=Garagebedrijf K. van Amersfoort en zn. BV, 30 november 2005.