Zo vader, zo zonen

Ik ben vierenvijftig, gelukkig getrouwd en vader van twee opgroeiende kinderen. Van beroep ben ik hoogleraar in de toegepaste psychologie en ik heb landelijke bekendheid verworven door mijn populair-wetenschappelijke boeken en mijn mediagenieke uitstraling.

Daardoor heb ik, tot mijn spijt, helaas nauwelijks tijd voor mijn familie gehad. Hoe belangrijker pappie werd, des te nietiger voelden zich mijn huisgenoten. Ik wilde ze helpen - God is mijn getuige - maar ik had natuurlijk absoluut geen tijd. Mijn studenten, mijn uitgevers, radio en televisie, mijn vele interviews en symposia, mijn wekelijkse column…
Gestresst als ik was, merkte ik dat ik eigenlijk met mijn familie geen normaal gesprek voerde. Ik legde aan de ontbijttafel verklaringen af en in noodgevallen stond ik een inverview toe. Dan zei ik bijvoorbeeld: ‘Volgens mij, beste jongen, moet men tegenover zijn eigen ideeën extra kritisch zijn. Kijk uit met je eigen ideeën. Daar kun je niet meer in redelijkheid over oordelen. Want die zijn immers van jou.’
Tijdens de examentijd voltrok zich een kleine ramp. In het tijdsbestek van een maand werden mijn beide oogappeltjes betrapt bij het overschrijven. Dat kleine beetje zelfvertrouwen waarover zij nog beschikten, was in een klap weggevaagd. Ik wist, als psycholoog: woorden konden hier niet baten. Gelukkig was mijn eigen oeuvre eveneens verre van oorspronkelijk. Dus wat deed ik, als vader? Ik pakte de telefoon en sprak met verdraaide stem: 'Let op pagina zestien tot en met drieëndertig…’
Vandaag, vier weken later, ben ik door iedereen verguisd. Op de universiteit kan ik mij niet meer met goed fatsoen vertonen. Mijn huis is dus weer mijn kasteel en ik ben weer mijzelf, onder de mijnen.