Zo vader, zo zoon

Alles heb ik aan mijn ouders te danken. Dat ik geboren ben, dat ik Ben Youssouf heet, dat ik in Europa woon waar mijn vader ooit als schoonmaker is begonnen en nu een goedbeklante slagerij beheert, waardoor ik en mijn twaalf broertjes en zusjes straks niet hoeven schoon te maken, maar lekker kunnen gaan studeren.

In ruil voor hun liefde eisen mijn ouders - moeder staat altijd in de keuken - dat wij gelukkig zijn. Daar heb ik geen moeite mee. Zoals zij op hun beurt geen moeite hebben met het feit dat ik met een joods meisje vrij. Mijn vader vindt het juist gezellig als zij bij ons op bezoek komt. Dan kan hij lekker op de joden schelden. Heeft Hamas toevallig diezelfde avond weer een bus vol kleuters opgeblazen, dan kan zijn dag niet meer stuk. Dan springt hij als een tennisbal voor het tv-scherm en roept: ‘Dood aan de joden!’
Sarah is trouwens ook behoorlijk fanatiek. Dus die twee zijn aan elkaar gewaagd.
Ik misgun mijn vader die kleine pleziertjes niet, want eerlijk gezegd heeft hij naar onze westerse maatstaven gemeten een kloteleven. Dag in dag uit is hij in de weer met het slagersmes. Hij zou zondags graag, zoals zovelen, naar het stadion willen gaan, maar daarvoor heeft hij geen puf meer. Dat is maar goed ook; het is tegenwoordig immers moord en doodslag op de tribunes.
Zelf hoop ik later geen Nederlander, Ajaxiet, islamiet, Turk of Feyenoorder te zijn. Mijn doel is puur mens te worden, iets waar al dat schorem te weinig fantasie en verstand voor heeft. Bij mijn gezond, mijn ouders verwijt ik niets. Zij dragen hun hart op de juiste plaats en verdienen het niet op hun verstand te worden aangesproken. Dan zou ik geen waardige zoon van mijn vader zijn.