Zo was hij, zo was ik

De romans van J.M. Coetzee zetten Hans Achterhuis aan tot zelfreflectie – en zelfs gedragsverandering. Hij toont zich, als vaker, een uitermate scherp lezer.

Hans Achterhuis (1942) behoort tot de filosofen die voortdurend herinneren aan de oeroude alliantie van literatuur en filosofie. Zijn proefschrift ging over Camus, grote bekendheid verwierf hij met zijn boeken over het utopische denken. In het verlengde daarvan laat hij in De utopie van de vrije markt (2010) zien dat ook het neoliberalisme, anders dan menigeen denkt, gevoed wordt door een utopie, die hij het zuiverst geformuleerd vindt in de romans van de Amerikaanse succesauteur Ayn Rand, vooral Atlas Shrugged.

En nu publiceert Achterhuis een boek over J.M. Coetzee, de Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar. Ook in eerdere publicaties bleek diens werk een vruchtbare aanleiding om filosofische thema’s te overdenken. In de studie Met alle geweld analyseerde Achterhuis Wachten op de barbaren en In ongenade, twee van Coetzee’s belangrijkste romans. Het nieuwe boek, de eerste uitgebreide introductie van diens werk in het Nederlands, presenteert hij als ‘een filosofisch leesavontuur’. Terecht, de filosofische invalshoek ligt voor de hand, Achterhuis heeft meer belangstelling voor ideeën en politieke stellingnamen dan voor specifiek literaire kwesties van stijl en compositie. Een leesavontuur mag dit boek ook worden genoemd – hij leest niet alleen zorgvuldig, hij komt ook terug op eerdere interpretaties en opvattingen van hemzelf, stelt die waar nodig grootmoedig bij en gaat met open vizier in discussie met de bevindingen van andere lezers.

De romans van Coetzee hebben Achterhuis ook tot zelfreflectie en zelfs gedragsverandering aangezet. Zo gaat hij in op een wrede scène in het autobiografische Jongensjaren waarin de auteur op droge toon vertelt hoe hij zijn zesjarige broertje ertoe overhaalt een hand in de trechter van een machine te steken waarin fruit wordt vermalen: ‘toen haalde hij de hendel over’, waardoor de dunne botjes van diens vingers werden verbrijzeld en een halve vinger moest worden geamputeerd. Dan zou je vanuit het perspectief van de volwassen verteller iets van spijt of uitleg verwachten, zoals, legt Achterhuis uit, in een vergelijkbare passage bij Rousseau, maar daarvan is geen sprake. ‘Coetzee blijft bij de wrede handeling die hij niet pretendeert te begrijpen of verklaren.’

Aanvankelijk verbaast Achterhuis zich over dat gebrek aan context en reflectie. Totdat hij na een tweede lezing bij zichzelf te rade gaat en zich realiseert dat hij zijn eigen ‘misstappen en machtsmisbruik altijd meteen met een rechtvaardiging achteraf presenteerde’, waardoor hij er alsnog ‘een tevreden gevoel’ over kon krijgen. En die bagatelliserende zelfrechtvaardiging heeft Coetzee voorgoed onmogelijk gemaakt: ‘Ja, zo was hij, zo was ik, soms hard en wreed.’ Nu probeert hij het verleden eerlijker onder ogen te zien, niet langer op zoek naar uitvluchten of verzachtende omstandigheden.

Daarvan bevat dit boek nog een paar voorbeelden. Het meest aansprekend vind ik wat hij schrijft over zijn reacties op de complexe debuutroman Schemerlanden, waarvan het tweede deel, ‘Het relaas van Jacobus Coetzee’, voortkomt ‘uit een soort schaamtevolle terugblik op de geschiedenis’. De auteur wilde onderzoeken ‘wat het betekende om een Zuid-Afrikaan te zijn’, oftewel: hoe zijn historische wortels doorwerken in het heden. Achterhuis beschrijft hoe hij bij eerste lezing zozeer meeging met de ontdekkingslust, inclusief het moorddadige optreden van Coetzee’s fictieve voorvader in 1760, dat hij zelfs een strafexpeditie waarbij een dorp van de Hottentotten in brand wordt gestoken en de inwoners worden vermoord begrijpelijk en noodzakelijk vindt. Later, bij een tweede lectuur, schrok hij ‘mateloos’ van zichzelf. Moreel was hij zoveel eeuwen later blijkbaar nog steeds geen haar beter dan die voorvader. Dat roept de vraag op naar zijn ‘eigen morele en politieke betrokkenheid in de huidige wereldsituatie. (…) Waar zaten in de eenentwintigste eeuw mijn morele blinde vlekken.’

Dat onderzoekt hij minutieus en controleerbaar, ook in relatie tot actuele discussies, zoals die over ons koloniale verleden en de mannelijke, seksistische blik op vrouwen door de eeuwen heen. De analyse van de romans is altijd het uitgangspunt, voor toetsing en verheldering van zijn standpunten zoekt hij steun bij filosofen en literaire auteurs die over de aangesneden controversiële kwesties relevante uitspraken hebben gedaan en vaak ook Coetzee geïnspireerd moeten hebben. Van belang is dan allereerst, en als vanouds, Hannah Arendt, en verder Heidegger, Kant, Scholem, Benjamin, maar ook postmodernisten als Foucault, Derrida en Latour.

Die laatsten verdedigt Achterhuis eloquent tegen de slordige, aantoonbaar op vooroordelen gebaseerde totale afwijzing door vakgenoten als Maarten Boudry en Susan Neiman. Zeer kritisch is hij ook jegens Antjie Krog en Nadine Gordimer, Zuid-Afrikaanse vrouwelijke collega’s van Coetzee.

Coetzee is niet uit op een verwerping van het begrip ‘waarheid’ als zodanig, maar juist op een uitbreiding, een steviger fundering ervan

Bij Krog maakt hij een scherp onderscheid tussen haar poëzie en voordrachtskunst, die hij ‘onovertroffen’ noemt, en haar politieke opvattingen, die hij afwijst. Krog lijkt het onmogelijke te willen: volledige bevrijding van haar witte Boerenachtergrond ter wille van een volledige identificatie met de zwarte wereldvisie van het overgrote deel van haar landgenoten. Haar vroegere, westers getinte begrippenkader vindt ze nu ‘nutteloos en overbodig’, wat ertoe leidt dat zij zelfs Mugabe, de man die als president van Zimbabwe (tot 2017) op grote schaal mensenrechten schond en zijn land economisch de afgrond in hielp, via een ‘morele en verstandige interpretatie’ vanuit een zwarte wereldbeschouwing niet wenst te veroordelen. In de liberale waarden van de moderne staat vermoedt Krog ‘simpelweg apartheid en kolonisatie in een nieuwe vermomming’. Daarmee botst ze stevig met Coetzee, die zijn werk bovendien niet primair wenst te zien in het beperkte kader van de Zuid-Afrikaanse actualiteit maar in het universele discours van de romankunst.

Voor de verhouding van Coetzee en Gordimer geldt iets soortgelijks. Gordimer, twintig jaar ouder dan Coetzee, is pleitbezorgster van een nadrukkelijk sartriaans engagement, hoewel ze aan Sartre’s fictie niet kan tippen. Als maatstaf voor literaire kwaliteit geldt voor haar het maken van ondubbelzinnige keuzen voor de goede zaak. Zo vond ze het maar niks dat K zich in Coetzee’s Wereld en wandel van Michael K onttrekt aan een revolutionaire rol ‘en er in plaats daarvan voor kiest zich bezig te houden met het bewerken van het land’.

Achterhuis vond deze stoere politieke duidelijkheid aanvankelijk juist ‘de aantrekkelijkheid van haar boeken’, maar is via Coetzee van mening veranderd. Terecht natuurlijk, Gordimer kreeg ooit de Nobelprijs voor literatuur, verreweg de grootste van de vele dwalingen die het comité in Stockholm op zijn geweten heeft. Achterhuis is nog veel te vriendelijk. Wie bijvoorbeeld The Pickup leest, een van haar laatste boeken, kan er niet aan twijfelen dat zij in deze sentimentele liefdesroman waarin een knappe, blanke, rijke vrouw verliefd wordt op een arme, zwarte man (en hem volgt, slaafs uiteraard, tot in zijn geboortedorp) voor geen cliché terugschrikt.

Als filosofisch leesavontuur vind ik het hoofdstuk over Coetzee’s relatief korte, maar hoogst complexe roman Mr. Foe en Mrs. Barton misschien het meest geslaagde deel van Achterhuis’ boek. Hij geeft daarin een uitvoerige en inzichtelijke uiteenzetting over een paar essentiële noties uit het werk van Derrida, Foucault en Latour, plus een verhelderende interpretatie van de roman met behulp van die noties. En zónder – dat moet er wel aan worden toegevoegd – het boek tot die filosofische noties te reduceren, al heb ik een paar ‘literaire’ bedenkingen. Dat hij hier, net als elders in het boek, nogal omslachtig te werk gaat en zich bijvoorbeeld graag bedient van professorale wendingen van het type ‘zoals ik in mijn bespreking in hoofdstuk acht zal betogen’, getuigt bijvoorbeeld van een onderschatting van de lezer. Het mag droger en compacter – à la Coetzee, zal ik maar zeggen.

Mr. Foe en Mrs. Barton is een literair commentaar op het exact driehonderd jaar geleden verschenen Robinson Crusoe van Daniel Defoe, volgens Achterhuis de ‘eerste grote Engelse roman’, die hij ‘met veel plezier (…) gelezen en bestudeerd heeft’ en die hij ‘veel rijker en politiek incorrecter’ acht dan de hem bekende kinderboekversies. Dat laatste is ongetwijfeld waar, maar zijn waardering voor het origineel deel ik niet – ik vind Defoe’s aanvankelijk als feuilleton gepubliceerde boek onverdraaglijk moraliserend, barstend van de stereotypen, langdradig en in compositorisch opzicht een rommeltje. Het verwondert mij ook niet dat de Engelse literaire elite het boek links liet liggen. Populair was het in kringen van de gealfabetiseerde middenklasse die zich niet stoorde aan een cliché meer of minder, zolang het verhaal – mag je aannemen – de lezer maar bevestigde in zijn kijk op de wereld en zijn verlangen naar avontuur.

Maar met het oog op wat Achterhuis betoogt zijn dat bijzaken. Hij maakt aannemelijk dat Coetzee, vergelijkbaar met Latour en in het spoor van Nietzsche en vele anderen, niet, zoals vaak wordt verondersteld, uit is op morele indifferentie, een vergaande relativering en uiteindelijk zelfs een verwerping van het begrip ‘waarheid’ als zodanig, maar juist op een uitbreiding, een steviger fundering ervan. Latour doet dat door te demonstreren dat wetenschappelijke waarheden niet simpelweg het resultaat zijn van geniale ontdekkingen, maar vooral ook van onderhandelingsprocessen en onderlinge afstemmingen waarvan de uitkomsten mede afhankelijk zijn van naamsbekendheid, marktpositie en financiën. Tegenover de populaire voorstelling van een ‘kant-en-klare wetenschap’ stelt hij een ‘wetenschap-in-wording’, een concentratie op alles wat voorafgaat aan en van invloed is op nieuwe, algemeen geaccepteerde feiten en theorieën.

De originaliteit van Achterhuis bestaat eruit dat hij laat zien dat Mr. Foe en Mrs. Barton op soortgelijke wijze teruggaat naar de maatschappelijke omstandigheden voorafgaand aan Defoe’s Robinson Crusoe. Coetzee vertelt niet zomaar een alternatief verhaal, hij vertelt het verhaal van de schipbreukeling in wording. In de constructie van dit vierdelige boek (tevens de deconstructie van het origineel) demonstreert hij via welke conflicten en ‘onderhandelingen’ het tot stand is gekomen, wat er in de context van de vroege achttiende eeuw in Engeland moest worden verzwegen en wat erbij werd verzonnen. Want uitgevers, weet Susan Barton, hoofdpersoon en vertelster van de eerste drie delen, zijn niet geïnteresseerd in de waarheid, ‘zij doen in boeken’, en daarom zal zij een man inhuren om haar verhaal ‘bij te schaven en er hier en daar een vleugje kleur in aan te brengen’.

Achterhuis licht voorbeeldig toe wat Coetzee vertelt maar zelf weigert toe te lichten. Zodoende verschaft hij ons scherpere, tot (her)lezen en zelfreflectie motiverende inzichten in het werk van een van de grootste hedendaagse literaire auteurs.